Samenwerking in de Gereformeerde Gezindte
Hoe en waarom?
De nood van de kerkelijke verdeeldheid is groot. De nood van onze samenleving eveneens.
Hoe en waarom?
De nood van de kerkelijke verdeeldheid is groot. De nood van onze samenleving eveneens. Het is een extra nood dat de noden binnen de samenleving vanuit de nood van de kerkelijke gescheidenheid worden tegemoet getreden. De laatste jaren zijn met name ook in de Gereformeerde Gezindte krachtige impulsen gegeven tot het ontstaan van organisaties op het terrein van de hulpverlening, van het welzijn. Organisaties als De schuilplaats, de vereniging voor verpleegkundigen Het Richtsnoer, verenigingen voor gehandicaptenzorg zijn er voorbeelden van. Op het terrein van de psychiatrie wordt thans nagedacht op welke wijze vanuit de Gereformeerde Gezindte iets kan worden gedaan. Instellingen voor levens- en gezinsmoeilijkheden ontstonden. Afgelopen zaterdag was er een bijeenkomst voor een nieuwe patiëntenvereniging. Intussen geschiedt veel van al dit werk gemeenschappelijk, er geschiedt echter ook veel gescheiden en dan dubbel. De nood van de samenleving is groot, die van de gescheidenheid eveneens.
Onze tijd
Een veel gebezigd woord is 'de tijd waarin we leven'. Dan volgt meestal een negatieve kwalificatie. Toch wordt de geest van de tijd altijd weer bepaald door de mens, terwijl elke tijd toch eveneens Gods tijd is. De tijdgeest is, als het erop aan komt, altijd weer dezelfde. Het is de geest van de mens, van de mens-los-van-God, die het recht in eigen hand nam, die in rebellie tegen God leeft.
De mens luisterde naar de influistering van de boze: gij zult als God zijn, kennende het goed en het kwaad. Gods antwoord was: de engel met het vlammende zwaard aan de ingang van de hof (Gen. 3). Sindsdien komt telkens de menselijke overmoed tegenover zijn Schepper aan het licht. Kom aan, laat ons stenen bakken, kom aan laat ons een toren bouwen, waarvan het opperste tot in de hemel reikt. Met daarop opnieuw Gods antwoord: kom aan laat Ons neervaren en hun spraak verwarren (Gen. 11).
In Psalm 2 lezen we het opnieuw: 'De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen tezamen tegen de Heere en Zijn Gezalfde, zeggende: 'laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen. En dan is Gods antwoord: 'Die in de hemel woont zal lachen. Ik toch heb Mijn Zoon gezalfd...'
In het Nieuwe Testament wordt het ons al niet anders getekend. De mens der zonde, de zoon des verderfs, die zich boven al wat God genaamd wordt verheft en zich als een God in de tempel vertoont, wordt getekend. Maar ook hier geldt: 'De Heere zal de ongerechtige verdelgen door de Geest Zijns monds' (2 Thess. 2). En tenslotte Openbaring 13. De draak, het beest uit de aarde krijgt een mond om godslastering te spreken en de hele aarde loopt er achteraan. Maar ter bemoediging zegt het Woord des Heeren: 'hier blijkt de lijdzaamheid en het geloof der heiligen'. Terwijl eerst gezegd werd, dat het beest de heiligen de oorlog verklaart.
Kortom, de geest van de tijd is altijd weer de geest van de wetteloze mens. En de nood van de tijd is daarvan een direct gevolg. Alle nood is terug te voeren tot ons aller schuld, tot onze afval van God, waardoor vrede en harmonie verstoord zijn.
Concrete nood
Toch is concrete nood ook afhankelijk van tijd en plaats. Het is nog niet zo lang geleden dat onze samenleving gebukt ging onder de noden van armoede en onderontwikkeling. Thans gaat onze samenleving gebukt onder de gevolgen van welvaart en ontwikkeling. Ik stip slechts aan.
De welvaart geeft grote mogelijkheden voor expansie, ontdekkingen, erop-uit-trekken. En het zijn nog altijd sterke benen, die weelde verdragen.
De vlucht van de wetenschap en techniek bracht gevoelens van onbestemde angst. Waar leidt het alles heen? Velen geraken door de angst voor de mogelijkheden, die we zelf niet meer in de hand hebben, in depressiviteit.
Onze prestatiemaatschappij roept prestigedrang op, met het gevolg stress, overspannenheid, waaraan psychiaters de handen vol hebben.
Het mondigheidsdenken, waardoor ieder baas in eigen kleine wereldje wil zijn, maakt samenwerking, overleg moeizamer. Managersziekte is echt niet alleen voorkomend verschijnsel bij multi-nationals.
De massaliteit van de samenleving en de drukte van het bestaan geven vereenzaming, moeite om blijvende relaties te leggen. Vele mensen zijn kort-verbanders geworden met alle noden, die dat met zich meebrengt.
Snelle ontwikkelingen, veranderingen in de maatschappij (ook in de kerken) geven een gevoel van onzekerheid bij velen.
De om zich heen grijpende secularisatie betekent een enorm normverlies. De schade daardoor aangericht in levens en gezinnen is onafzienbaar.
En waar - tenslotte - geen rustpunt meer gevonden wordt in de overtuiging dat in welke tijd dan ook geldt dat tijden Gods tijden zijn daar komt niet zelden de vlucht. Gaat onze samenleving ook allerwegen niet gebukt onder de vlucht in de roes van de welke middelen dan ook?
Gereformeerde Gezindte
We moeten ons geen illusies maken. Dezelfde noden, die de samenleving als geheel kent, kennen ook de kerken, kennen ook de kerken binnen de Gereformeerde Gezindte. We maken allen deel uit van onze tijd. Het moderne levensdoel dringt binnen door de reten en de kieren van ons aller bestaan. Het onderwijs geeft open contacten, de media brengen alle ontwikkelingen binnen oor-en oogbereik, de openheid en de openhartigheid van de samenleving werken overal door. Maar dieper nog! Ons aller hart is invalspoort voor individualisme, egoïsme, heerszucht, ontevredenheid, wetteloosheid, begeerte naar wat God verbood. Ook in de meest rechtzinnige gemeenschappen zijn de noden van onze tijd merkbaar aanwezig. Ook hier is echtscheiding een toenemend verschijnsel, ook hier wordt abortus toegepast (verdrongen, bedekt, maar als hulpverleners eens zouden spreken!), ook hier toenemend alcoholmisbruik met alle verwoestende gevolgen vandien, ook hier relatiestoornissen tussen ouderen en jongeren, ook hier samenwonen en andere ontsporingen op ethisch terrein van onze tijd.
Ook hier vragen naar de zin van het leven en het soms niet meer zien van de zin van het leven, tot (bijna) wanhopig wordens toe.
Daarom ontstonden ook in de Gereformeerde Gezindte in snel tempo zoveel hulpverleningsverbanden. Of werden ze alleen voor 'de anderen' gevormd? Dan moeten we over een andere problematiek praten, namelijk over benadering van niet-christelijke mensen in de hulpverlening vanuit onze normen, overtuigingen, waarden. Maar we doen het niet alléén voor anderen. De gezins-, relatie-, huwelijks-problemen zijn in ons midden. Daarom past ootmoed. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. We lijden in concreto mee aan de noden, waaraan onze samenleving lijdt. Het kwaad is er niet alleen bij de anderen, de gevolgen van het kwaad zijn evenmin alleen bij anderen te signaleren. Daarom kunnen we de problemen, die vaak zo verdrongen worden ('dat kan onder ons niet voorkomen'), niet doorschuiven naar buitenkerkelijke of onchristelijke verbanden of - dichter bij huis - naar kringen, waar men het nu toch eenmaal minder nauw neemt, zodat daar ook de vuile zaakjes maar opgeknapt moeten worden. We zullen ootmoed naar eigen kring(en) toe moeten leren. Ook soms vanwege vaak ambtelijk falen, vanwege weinig pastoraal handelen en beleid. Daar weten hulpverleners soms van mee te praten.
Hoe samen (verder)?
Als we beseffen, dat we samen meedragen aan de noden in de samenleving zullen we ook voor de noodzaak staan om samen te werken. Als we samen doortrokken zijn van huiver vanwege de Godsverlating rijst de vraag of we samen ook bevangen zijn van liefde om een wereld, dichtbij en ver weg, die ten dode wankelt.
Als we dan samen zullen werken dan zal dat niet moeten kunnen vanuit één dogmatiek maar wel vanuit één belijden. Een dogmatiek schrijft men niet samen. Dat is (meestal) het werk van een man alléén, zelfs het gevaar af dat het zijn dogmatiek of dé dogmatiek is. Laten de dogmatici, in het besef dat al ons dogmatisch kennen (blijkens de verscheidenheid, ook in gereformeerde kring kennelijk) ten dele is, zich buigen over de reine leer. Een allernoodzakelijkst werk. Een hulpverleningsorganisatie is evenwel niet te bouwen op een dogmatiek, op een leer. Niet dat hier zou gelden wat de ehtischen in de vorige eeuw zeiden in een soort anti-confessionele zin 'Niet de leer maar de Heer'. Maar wél dat, in het midden latend min of meer belangrijke leerverschillen, hulpverlening geschiedt vanuit een gezamenlijk belijden van de Naam des Heeren. En dan bindt ons, vanuit de Drie Formulieren, die we in Enigheid behoren te hebben, ons belijden aangaande de mens. Hier mag toch eenheid worden verwacht? Ons mensbeeld wordt immers bepaald door de relatie schepsel-Schepper. Dat betekent: geen pessimistisch, geen optimistisch maar een bijbels-realistisch mensbeeld. Het is belijden van schepselmatige afhankelijkheid en daarom een dikke streep door elk denken vanuit de eigenmachtige mens. Wie durft de vinger op te steken om te zeggen, dat we niet één zijn (negatief) in de afwijzing van moderne mensbeschouwingen, die van de autonome mens opkomen, of (positief) in een mensbeschouwing, die gefundeerd is in de eer van God én Diens zeggenschap over het leven?
We mogen samen de zin van het leven doorleven en voorleven, in een tijd, die lijdt aan zinloosheid én vereenzaming. Omdat de Bijbel het.leven hier en nu, geestelijk en lichamelijk, persoonlijk en collectief positief waardeert.
Schrift en belijdenis zeggen niets over concrete leniging van concrete psychische nood. De hulpverlener mag vanuit zijn professie en vanuit zijn overtuiging hier naar wegen zoeken. De Schrift maakt ons wel iets anders bekend. 'Hij heeft u bekend gemaakt o mens wat goed is: n wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God? ' (Micha 6 : 8)
Ds. J. J. Arnold zegt in 'Helpen in Perspektief'
'De Schriften zijn Gods zelfopenbaring. Hij maakt zich aan ons bekend. In de volgende paragraaf zal hierover meer worden gezegd. Er moet nu echter al worden opgemerkt dat Hij in die zelfopenbaring over zich en zijn werken bekend maakt wat de mens uit zichzelf niet weten kan of niet meer weet en na het verloren paradijs in ongerechtigheid ten onder heeft gehouden. God maakt zich bekend in een verbondsgesprek tot zijn volk als Schepper, die hemel en aarde en al wat erin is, in zes dagen heeft geschapen; die de mens heeft gemaakt, schepsel onder de schepselen en tegelijk van alle schepselen onderscheiden als het beeld van Hem, de Schepper. Hij maakt daarin bekend dat Hij op de zevende dag over zijn werken feest heeft gevierd om zijn mensen met zich feest te laten vieren; dat Hij het ritme stelde van zes dagen werken en één dag rust van werken en feest erover. Hij maakt daarin bekend wat in het mensenleven de dood is, de tijdelijke en de eeuwige dood; ziekte, pijn, onbegrepenheid, eenzaamheid. Hij maakt daarin bekend hoe de vloed over de aarde kwam en hoe zijn vloekwoord, dat even krachtig is als zijn scheppingswoord, zijn werking doet zoals Hij wil dat het dit doet; dat heel de schepping in al haar delen zucht en met en door de mens in dysintegratie verkeert. Hij maakt daarin de actuele macht van satan-duivel bekend, die in grote doodsangst en woede volgens bekende methoden werkt. Hij maakt daarin bekend dat Hij, God almachtig en Vader van dé Zijnen in Christus, trouw aan zichzelf, aan zijn scheppingswoord en aan zijn evangeliewoord, hemel en aarde en al wat erin is, ook nu in stand houdt en regeert. Hij maakt daarin bekend dat Hij eens een wereldgericht door water heeft gebracht en dat Hij nu, in grote lankmoedigheid, zich haast naar het grote oordeel door vuur, dat Hij brengen zal door de Zoon van zijn liefde. Hij maakt in de Schriften bekend wat ''erfschuld", "erfsmet" is en wat zijn wil en wet is, de liefdewet van het koninkrijk, zonder welke geen echt leven kan bestaan.
Ik onderstreep één facet uit dit citaat. Mens zijn is mens-zijn in relatie. De mens is aangelegd op de ander. Man en vrouw schiep God de mens. Daarom weet de Schrift ook van het probleem van het alléén-zijn, het alléén zijn ook met de problemen. Ik denk aan wat de Prediker zegt:
'Daar is er een, en geen tweede; hij heeft ook geen kind, noch broeder; nogtans is van al zijnen arbeid geen einde; ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom, en zegt niet: Voor wien arbeide ik toch, en doe mijne ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook ijdelheid, en het is eene moeielijke bezigheid.
Twee zijn beter dan één; want zij hebben eene goede belooning van hunnen arbeid;
Want indien zij vallen, de een richt zijnen metgezel op; maar wee den eene, die gevallen is! want er is geen tweede, om hem op te helpen.
Ook, indien twee te zamen liggen, zoo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden?
En indien iemand den eene mocht overweldigen, zoo zullen de twee tegen hem bestaan!'
Met welke intentie?
We mogen vragen of grondmotief voor al ons handelen in de hulpverlening de liefde is. Waar de liefde onderling, ook kerkelijk, niet wordt beoefend, daar kan de liefde naar buiten zeker ook niet opbloeien. De liefde kan verstikt worden door de leer, verminkt worden door onze leer. Maar 'samen met alle heiligen' zullen we moeten leren begrijpen 'welke de breedte en lengte en diepte en hoogte is van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat' (Ef. 3 :17-19); zeg, die ook de leer te boven gaat. Om vervuld te worden tot al de volheid Gods! Dan zullen we ook het liefdegebod, dat opgesloten ligt in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, begrijpen. Eerder heb ik hier opgemerkt dat Calvijn deze gelijkenis volstrekt opvat als appèl tot dienstbetoon in liefde aan alle mensen en niet alleen voor 'onze vrienden en bloedverwanten'. Omdat alle mensen schepselen Gods zijn en vanwege de liefde van Christus tot het verlorene.
Daarom mag hulpverlening ook geen filantropie zijn, geen liefdadigheid, waardoor in feite onze sterren rijzen. Dienstbetoon is zonder aanzien des persoons gericht op de mens, belangeloos, vanuit de opdracht van Godswege. De liefde van Christus dringt ons. Zoals ds. Jan de Liefde staande op dat bruggetje over één van de Amsterdamse grachten, gedrongen werd in de vorige eeuw om uit te gaan onder degenen die geen helper hadden.
Weerstanden overwinnen
In het samen uitgaan, het samen arbeiden onder hen, die in nood of in de problemen zijn, moeten weerstanden overwonnen worden. Overwonnen moet worden gemis aan liefde en bewogenheid. In concreto wellicht een soms liberale, gereformeerd-gecamoufleerde onderstroom in ons denken.
Ook onze kerkelijke zelfgenoegzaamheid, met als consequentie dat ónze waarde in eigen organen en organisaties toeneemt. Kuypers systeembouw mag hier ter waarschuwend voorbeeld zijn. Onze angst om de ander te ontmoeten en iets van het eigene te moeten prijs geven.
Onze hang ernaar om tóch altijd weer de leer zó te hanteren, dat we aan zaken doen niet toekomen. Ons individualisme en egoïsme, waardoor onze psychische en sociale draagkracht vermindert.
We kunnen het aléén wel af maar we blijken het uiteindelijk toch niet alleen te kunnen. Ons altijd weer zoeken naar scheidende factoren, soms in zaken die met het wezenlijke van ons belijden niet te maken hebben, de ditjes en datjes, om zo te zeggen, of de dingen die tot de persoonlijke vrijheid voor de christenen behoren.
Ons optimisme over hoe het in eigen kring gesteld is, waardoor maskers worden opgezet om de werkelijkheid maar niet te zien.
Hulpbetoon zonder aanzien des persoons doet als het goed is kluisters doorbreken. Om de mens te zien achter de maskers, om de mens te zien in zijn nood, om de schuld te zien achter de noden, om de mens te ontmoeten, hoe diens gedrag of aard ook is. Want de liefde van Christus dringt ons.
Een droom
Enige weken geleden schreef ik over 'Is het élan verdwenen?', inhakend op wat tien jaar geleden uit de Gereformeerde Gezindte ondernomen werd maar wat sindsdien vaak zo hopeloos gefrustreerd is. Ik noemde hartverwarmende citaten van prominenten uit de Gereformeerde Gezindte, die allen wezen in de richting van noodzakelijke eenheid. Is het toevallig dat op één en ander zo druk werd gereageerd door lezers? Ik heb de laatste tijd sterk getwijfeld aan wérkelijke verbondenheid waardoor iets goeds kan ontkiemen. Zijn we niet te verdeeld, te verengd, te zelfverzekerd, misschien zelfs te gereformeerd om gereformeerd te mogen heten? Bij velen is er gelukkig toch een hunkering naar meer eenheid.
Ik heb daarom tóch een droom, namelijk dat één roeping ons samen bindt. Dat God onze beelden verpulveren zal en ons op elkaar werpen zal in een nieuw réveil, dat ons terugwerpt op de reine leer', op het rechte belijden en het in Gods Naam, om Christus wil, uitgaan naar de vervreemding ónder ons en waar dan ook. Dat we dan ook niets meer ondernemen op eigen houtje, of we moeten het van elkaar weten, eerlijk weten vanuit de ontmoeting. Opdat de wereld gelove!
Op vrijdag 10 december ll. werd in Utrecht een vergadering gehouden van het Landelijk Welzijnsoverleg voor de Gereformeerde Gezindte (voorzitter dhr. W. Huizer, secr. mevr. mr. M. P. v. d. Schaaf). De organisatie beoogt een ontmoetingsplaats te zijn, waar aangesloten instellingen elkaars werkzaamheden kunnen leren kennen en ook eventuele mogelijkheden tot verwijzing naar andere instanties voor hulpverlening. Een aantal organisaties is aangesloten als lid (o.a. de Hervormde Bond voor Inwendige Zending op g.g., de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind, de Chr. Geref, Ver. voor Jeugdwelzijn), een aantal als waarnemer. Ondergetekende hield, na een openingsreferaat van dhr. Huizer een inleiding over het hoe en waarom van samenwerking in de Gereformeerde Gezind te. Een samenvatting van dit refetaat is bijgaan weergegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's