De roeping tot het ambt (5)
De inwendige roeping tot het ambt gaat niet altijd met bijzondere openbaringen gepaard.
In een vorig artikel schreven wij, dat de inwendige roeping tot het ambt niet altijd met bijzondere openbaringen gepaard gaat. Integendeel zelfs: dit komt maar heel zelden voor, zoals aangetoond is. Wat dat betreft was ook een man als Wilhelmus a Brakel nuchter. In zijn 'Redelijke Godsdiensten' stelt hij, dat tot de inwendige roeping niet een buitengewone inspraak Gods behoort. Het is zeer zelden of niet, dat de Heere op zulk een wijze werkt. Op een bijzondere inspraak van God hebben wij dan ook niet te wachten. Er zijn andere zaken waaruit men zijn inwendige roeping mag afleiden en waardoor men overtuigd raakt, dat deze van God is. Wat a Brakel schrijft over die 'andere zaken' betreft hoofdzakelijk het ambt van predikant. Niettemin geeft hij hierin zoveel waardevols, dat men ook de inwendige roeping tot het ambt van ouderling of diaken daarin zou kunnen aflezen.
Een kennis van het ambt
In totaal noemt hij vijf zaken waardoor men weet inwendig geroepen te zijn. Als eerste staat bij hem zeer hoog genoteerd 'een kennis van het ambt en wat het inheeft een dienstknecht van Christus, de mond des Heeren te zijn'. Wanneer men een ambt bekleedt gaat het er maar niet om de mensen met allerlei prietpraat bezig te houden. Neen, het Evangelie dient uitgedragen te worden. De onwetenden moeten in de weg der zaligheid onderwezen worden. Zij moeten de duivel onttrokken en tot Christus gebracht worden. Maar hier houdt de taak van de ambtsdrager niet op! Er zijn in de gemeente bedroefden, die getroost moeten worden. Er zijn er die traag zijn in het vervullen van hun plichten, die moeten opgewekt worden. In onze tijd - en wellicht zelfs veel meer dan de tijd van a Brakel - zijn er die afgedwaald zijn, die moeten weer op de plaats gebracht worden. Voor die allen behoort de ambtsdrager 'de mond des Heeren' te zijn. Enige kennis van het ambt is daarom vereist. Vooral het levendige besef, dat een dienstknecht niet meer is dan zijn heer. Want een discipel is niet meer dan Zijn Heere. Zo ook een ambtsdrager niet. Hij is om met Calvijn te spreken niet meer dan een 'boodschappenjongen' van zijn Zender. Wie die nederige gestalte niet kent moet maar geen ambtsdrager worden. Want hoe zal men getrouw zijn, wanneer men meer wil zijn dan een dienstknecht van Christus? Dat kan niet! Paulus zegt van zichzelf, dat hij een slaaf (doulos) van Christus is. In die zin behoort ook een ambtsdrager nu te zijn. In die zin bedoelt ook a Brakel het, wanneer hij het over de inwendige roeping heeft. Dit gaat echter niet zonder enige bekwaamheid tot het werk.
Bekwaamheid
Het is vanzelfsprekend, dat er enige kennis van bekwaamheid tot het werk moet bestaan. Onder bekwaamheid verstaat a Brakel niet alleen, dat men de goddelijke waarheden in de grond verstaat, en met een beschouwende kennis zich tevreden houdt, maar dat men de kracht van die in zijn eigen hart gevoele en daardoor bekeerd zij, zodat men uit eigen bevinding daarvan kan spreken en ook dat men bekwaamheid hebbe om zijn gedachten wel uit te drukken, en dat zijn stem bekwaam zij om gehoord te kunnen worden. Dit laatste heeft betrekking op het ambt van predikant. Het eerste niet minder, maar wij zouden dit evengoed kunnen doortrekken naar het ambt van ouderling en diaken. Ook voor laatstgenoemden is het toch van groot belang, dat zij zelfkennis. Godskennis en Christuskennis bezitten. Dat de verborgen omgang met God in hun leven wordt gevonden. Wie zal ooit de nood van andermans hart kunnen peilen als men zelf die nood niet heeft leren kennen? Hoe zal men ooit de vreugde om de genade kunnen verstaan als men zelf niet door de poort d.i. Christus is binnengegaan? Hoe zal men ooit iets van de werking van Gods Geest verstaan als men zelf van die werkingen geen notie heeft? Het gaat toch niet om een letter of beschouwende kennis, doch om de levende en levendige kennis van God en Zijn werken. Dat houdt niet in, dat ambtsdragers met hun bevndigen op pad gaan. Zij gaan met het Woord op pad. En van de werkingen van het Woord door de Geest dienen zij te weten, zodat zij vanuit het Woord in onderscheidene situaties leiding kunnen geven. Dat geldt voor de predikant, de ouderling, maar niet minder voor diaken die immers met 'troostelijke redenen' zijn werk placht te doen. Het wordt wel een zeer kille en afstandelijke zaak, wanneer iemand een ambt uitoefent zonder de vreze Gods en niet weet, bevindelijk d.i. met zijn hart niet weet van de verborgen omgang met God. En let wel: wij stellen hier geen maat of trap. Maat en trap wordt door de Allerhoogste Zelf bepaald! Doch enige kennis van bekwaamheid zoals hierboven beschreven is wel nodig. De Schrift gaat ons hierin voor wanneer er gesproken wordt over 'mannen vol van de Heilige Geest en geloof'. Wie is tot deze dingen bekwaam? Wie is bekwaam om een ambt uit te oefenen? Niemand! Maar onze bekwaamheid is uit God, zo zegt de apostel. En daarop willen wij het graag houden. Ofschoon wij het ook a Brakel nazeggen, dat men zich bij de inwendige roeping evenwel toch bewust moet zijn, dat men enige bekwaamheid hebbe.
Liefde tot Christus, de kerk en de zielen
Als derde noemt a Brakel een bijzondere liefde tot Christus om Hem bekend te maken, tot de kerk en tot de zielen. Wanneer is er een bijzondere liefde tot Christus? Wanneer men weet uit welk een grote nood men door Christus is verlost. Wij kunnen ook zeggen: wanneer men Hem door een oprecht geloof is ingelijfd. Dan komt er een bijzondere betrekking op Hem. Er ontstaat een band der liefde waardoor men graag iets voor de Zaligmaker wil doen. Zelf als een brandhout uit het vuur getrokken wil men uit liefde tot deze grote Christus anderen op Hem wijzen, anderen voor hem inwinnen. Waar liefde tot Christus is daar krijgt men ook liefde tot de kerk om die als een reine maagd Christus toe te bereiden, en haar tot eer van God te doen blinken in licht en heiligheid. Het kan niet anders of de zielen worden ons op het hart gebonden, wanneer wij zelf met de schrik des Heeren in aanraking zijn gebracht en van de schrik des Heeren zijn verlost door Christus. Wie gelooft, dat Christus zijn enige troost in het leven en sterven is geworden, kan niet anders dan een gunnend mens zijn. Gunnend jegens anderen, omdat God Zijn genade aan hem gunde. Waar de liefde tot Christus, de kerk en de zielen niet is daar is ook de gunning niet. Zelfs wordt doorgaans alle mildheid, die zeker in het ambt niet mag ontbreken, gemist. Onder mildheid dient u niet te verstaan: slapheid of opervlakkigheid. Integendeel! Waar wij mild zijn kunnen wij ook streng zijn. Maar deze gestrengheid zal toch altijd rnild zijn, wanneer zij uit een bewogen hart voortkomt. Bij de inwendige roeping tot het ambt hebben wij dus te letten op een bijzondere liefde tot Christus, de kerk en de zielen. Als vierde spreekt a Brakel dan over verloochening.
Verloochening
Het gaat bij de inwendige roeping tot het ambt ook om een gewillige verloochening van al wat aards is, van eer, goederen, ja van leven zelfs. Brakel schrijft inzake het ambt van predikant: 'Is hij van geringe stand, en beoogt hij door het predikambt in aanzien te komen, en goederen te verkrijgen, die is het gehele einde mis; hij was gelukkiger dat hij een schoenlapper werd, want in mijn ogen is er geen gruwelijker mens, dan een onherboren predikant, die de heilige dingen Gods gebruikt tot zijn eigen belang'. Het ambt vraagt verloochening ! Niet alleen het ambt van predikant, doch ook dat van ouderling óf diaken. Nu zal er van geldelijk gewin doorgaans geen sprake zijn bij het ambt van ouderling óf diaken. Maar de mogelijkheid is niet uitgesloten, dat men óók in dat ambt zichzelf zoekt, eer en aanzien. Wij willen van nature zo graag iets zijn en iets hebben. Wij dingen zo graag naar gunst van mensen, soms veel meer dan naar de gunst van God. Doch niet de gunst van mensen, maar de gunst van God moet ons op de been houden. Eer, aanzien, ja al wat aards is zal verdwijnen, maar de gunst van God blijft tot in der eeuwigheid. Op gunst van mensen kunnen wij nooit of te nimmer aan. Want de ene dag dragen zij ons op de handen en andere dag bestaan wij niet meer voor hen. Vooral niet, wanneer wij dingen zeggen die tegen de zin en de wil van mensen instroken. Vooral niet, wanneer wij bestraffend te werk gaan, bestraffend vanuit het Woord waardoor mensen zich ten onrechte gegriefd gevoelen. Het ambt vraagt veel verloochening, veel zelfverloochening. Het vraagt ielfs, wanneer de Heere dit van ons vraagt, het leven. Jacobus werd omwille van de Heere Jezus gedood. Johannes de Doper verloor zijn ambt én zijn hoofd. De Heere was zowel een Johannes de Doper als een Jacobus meer waard dan het leven. Het ambt kan ons dus heel wat kosten, wanneer de Heere dan van ons vraagt. Wie zich van bovenstaande gevoelens v/at betreft verloochening verzekerd weet, zij van zijn inwendige roeping overtuigd. En al is het dan waar, dat het ambt van ons veel verloochening vraagt, de Heere geeft in het ambt ook zeer veel goeds. Ongedacht en onverwacht geeft Hij genade en ere aan een ieder die in afhankelijkheid het ambt mag uitoefenen. Wie zichzelf leert wegcijferen in de dienst van God aan Zijn gemeente, zal ondervinden dat de Heere hem Zijn zegen. Zijn gunst. Zijn genade niet zal onthouden. Wanneer de Heere in het ambt ohs alles waard is dan zal Hij óók voor ons alles zijn.
Lust tot het werk
Als vijfde kenmerk van de inwendige roeping noemt a Brakel: 'een grote lust tot dat werk'. Wie lui is, beklede geen ambt! Wie opziet tegen allerlei moeilijkheden, beklede geen ambt! Wie echter ijverig is om voor de Heere en gemeente veel te doen die moge weten, dat hij inwendig geroepen wordt. Hoe meer lust om God te dienen, hoe meer lust er zal zijn om Gods gemeente te dienen. De Heere en Zijn gemente zijn het waard om met grote lust bezig te zijn. Wanneer wij ons door God zelf geroepen weten, zullen wij met al onze krachten in Zijn wijngaard werken, wetende dat onze arbeid niet ijdel is in de Heere. Vijf redenen geeft a Brakel dus aan waaruit men zijn inwendige roeping kan bekennen. Wij doen er goed aan deze te overwegen, wanneer wij uitwendig, door middel van de kerk, geroepen worden tot een ambt. Een volgende keer zullen zij nog iets schrijven óf het ambt voor een bepaalde periode is óf voor het gehele leven, en dan ook óf een ambtsdrager van het Heilig Avondmaal kan wegblijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's