Moeten kerken schuld belijden?
Ik achtte deze schulderkenning een onontbeerlijk onderdeel van het bijbels gehalte van het samen-op-weg gaan, en daarom van fundamentele betekenis voor de toekomst.
In de Waarheidsvriend van 9 dec. jl. schreef dr. J. Haitsma een enerzijds congeniale anderzijds critische reactie op het betoog dat ik enige tijd geleden op de combi-synode gehouden heb. In dit betoog had ik de noodzaak onderstreept dat de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, willen zij tot een waarachtige overeenstemming geraken, ook samen tot schulderkenning zullen moeten komen met betrekking tot hetgeen in het verleden geschied is. Uitdrukkelijk sprak ik van de ene ongedeelde schuld van beide kerken, waarin elk zijn eigen aandeel erkent en invult. Ik achtte deze schulderkenning een onontbeerlijk onderdeel van het bijbels gehalte van het samen-op-weg gaan, en daarom van fundamentele betekenis voor de toekomst.
Op een aantal punten stemt dr. H. met mij in. Beiden zijn wij het er over eens dat de randen van de belijdenis altijd weer moeten oplichten vanuit het hart, en dat er verwachting mag zijn van de toekomst voor ieder die uit de belijdenis puttend verder gaat, de toekomst tegemoet. Ook, dat er in critieke situaties altijd weer concentratie plaatsvindt en mag plaatsvinden: wie leeft uit het hart, uit het midden van het evangelie, zal dit altijd weer allereerst vanuit de Middelaar zelf willen doen. Ook, dat de eenheid der kerk binnen de waarheid valt die de kerk belijdt, en dat de kerk deze dus in de praktijk heeft te vertalen. (N.B.: eigenlijk een heel ouwerwets maar klassiek standpunt in een cultuursituatie waarin het 'in' is om voor groepsvorming van gelijk-voelenden en gelijk-gezinden te pleiten, en waarin we een maatschappij en kerk binnen dreigen te wandelen die bezig is een soort 'optelsom van gebundelde identiteiten' te worden, die alle via groepsvorming op zelfbevestiging uit zijn). Onze wegen gaan echter ook uitéén. Dr. H. vindt dat ik als hervormde de gereformeerden 'overvraag' wanneer ik hen uitnodig in te stemmen met het feit dat hun eigen aandeel in de ene en ondeelbare gemeenschappelijke schuld van beide kerken vooral zichtbaar is geworden in de daad van de afscheiding. Want, schrijft dr. H. letterlijk, '..moeite heb ik met de gedachte dat de ander als schuld zou moeten belijden wat ik als zijn schuld zie'.
Deze zin verraadt m.i., dat dr. H. onvoldoende in rekening heeft gebracht wat in mijn motie stond over de gemeenschappelijkheid van en in de schuld, en wat daaraan in mijn betoog voorafging, nl. dat ik geen enkele behoefte heb via nakaarten 'eigenlijke boosdoeners' aan te wijzen. Wat in de motie, m.i. ondubbelzinnig, wél staat is dit, dat de hervormde kerk bij schuldbelijdenis allereerst aan haar eigen verval denkt - daarin was zij immers zelf actief betrokken en de gereformeerde kerken aan de daad van de afscheiding - daarin was zij immers de meest actieve partij. Zo was het, dat de geschiedenis in de vorige eeuw haar loop had. Deze geschiedenis niet overslaand maar voluit serieus nemend zeg ik dan, met een variant op Hoedemaker: samen zijn we gescheiden geraakt, samen moeten wij één worden.
Ik begrijp dan ook dit 'overvragen' van dr. H. niet. 'Overvraag' ik als hervormd man mijzelf als ik, in gemeenschappelijkheid met een andere kerk, en dat in vele regels méér, belijd dat mijn eigen kerk een van de Schrift en van de belijdenis in vele opzichten vervreemde kerk is, en was? En dat ik daarin mijn schuld tegenkom? Ik zie ik mijn eigen kerk niets dat niet aan zonde in mijzelf leeft, en de zonde van het geheel attendeert mij op mijn eigen zonde, en zo leer ik mijzelf èn mijn kerk verstaan, en heb daar verdriet over. Ik ben bereid om dat te zeggen en zo nodig openlijk te erkennen, mede om daardoor de weg naar en vóór de ander te effenen. Vragen doe ik niets, laat staan overvragen. En wanneer de ander mij begrijpt en wil vergeven - waar ik dan een moreel recht op heb - zal hij niet zijn rechtvaardigheid, zijn 'overvraagdheid' in brengen, maar zijn schuld, en zo zullen wij één worden in de rijkdom van de vergeving én in de diepte daarvan, en genezing ervaren. Die schuld vul ik niet voor de ander in: hij weet zelf het beste waar zijn daden liggen. Komt die ander niet over die brug, dan kan ik samen met hem niet geestelijk vruchtbaar op weg, al valt er natuurlijke altijd wel wat te organiseren. En nu word ik even persoonlijk, als man die óók een stukje kerkelijk-gereformeerde beïnvloeding heeft ondergaan: hier blijkt m.i., dat dr. H. te eenzijdig juridisch denkt, en de vraag 'hoe denken we als kerken over elkaar' niet eens even helemaal vergeten kan terwille van die andere vraag: 'hoe denkt God over ons, als kerken, afzonderlijk én tezamen?'
Achter de vraag naar de rechtmatigheid van de doleantie ziet dr. H. als eigenlijke vraag die naar de strictheid van de binding aan de belijdenisgeschriften, via een ondertekeningsformulier, zoals deze met name door de gereformeerden eens werd voorgestaan. Dr. H. wijst deze vorm van binding af, omdat deze de kerk ver-engt. Daarom is hij, naar eigen zeggen, hervormd geworden: verzet tegen uitwendig, juridisch en daarom te smal kerkelijk denken. Welnu, dit verzet ken ik ook, en aan het begin van zijn critiek op mij laat hij ook even merken dat hij dit bij mij gevonden heeft, hoewel ik óók blijf denken dat het ondertekenen van een belijdenisgeschrift helemaal niet zo benauwend hoeft te zijn voor hem die de religie van het belijden beaamt. Je handtekening ben je toch ook zélf, als belijder, confessor?
Waar het mij nu om gaat is, dat het verzet tegen kerkelijke starheid mij op zichzelf onvoldoende reden zou zijn om van gereformeerd hervormd te worden. Ik zou me dan bekocht voelen, gezien het feit hoe de gereformeerden zichzelf van dit verleden hebben afgewend. Ik ben niet hervormd omdat het in mijn kerk zo ruim toegaat - die ruimte is zowel een gave als een verzoeking - maar omdat; met de woorden van ds. Knap door dr. H. aangehaald, 'de Heere nog niet van die kerk geweken is' (ik heb zelf vroeger véél in Oude Paden gelezen!) Zo begeer ik dan in de navolging te staan met een beetje trouw, incasserings-en uithoudingsvermogen.
Daarom is het mij onmogelijk met een beroep op Rom. 14 vers 4 en 2 Cor. 4 vers 4 (over het niet-oordelen en het in eigen gemoede verzekerd zijn) het gebeuren voorafgaand en bij en na de doleantie te relativeren. Wanneer ds. Knap (en met hem dr. H) zich op deze wijze op deze teksten beroept, proef ik daarin een zekere goedmoedigheid en gelatenheid die ik in Knaps tijd en situatie weet te plaatsen, maar niet in verband kan brengen met een op stapel staande staat van hereniging van twee kerken die eens om de waarheidsvraag uiteen zijn gegaan. De teksten kan ik dit wel: wanneer wij nu, als kerken, menen in eigen gemoed verzekerd te zijn, ieder van ons, dat onze gescheidenheid schuld is (Rom 14), zal ik niet begeren de ander onder het juk van mijn oordeel door te laten gaan (2 Cor. 4), maar wél begeren om mijzelf met de ander onder het oordeel Gods te stellen (óók 2 Cor. 4). Daarbij zal ik bij mijzelf, ook als kerk beginnen, en de ander nodigen (niet 'vragen', laat staan 'overvragen') hetzelfde te doen. En als ik mij als kerk openlijk begeer te herenigen, zal ik deze dingen ook openlijk moeten zeggen en op mijn openlijke daden betrekken, om het geen dooddoener te laten zijn. Dat horen zowel hervormden als gereformeerden spontaan zo te willen.
Ik denk dat ik hierin de Schrift mee heb die in het doen van persoonlijke schuldbelijdenis nooit individualistisch of actualistisch te werk gaat, maar er de schuld van anderen in betrekt (Psalm 143 vers 2), en bij die anderen ook de vaderen rekent (Psalm 106 vers 6), en zelfs, nog méér onvoorstelbaar voor ons, de zonden der kinderen in de schuldbelijdenis opneemt (1 Kon. 8 vers 46) - en die ook noemt.
Ik denk dat ik mijn collega Haitsma mag vragen: zijn de dolerende en de hervormde in u het geheel met elkaar eens?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's