Als kinderen des lichts
Lichtdragen is van oudsher de roeping van Israël geweest. Israël is Gods knecht, Gods uitverkorene. Dit volk was afgezonderd om een zegen voor de wereld te zijn.
Nog niet zo lang geleden las ik een opmerkelijk verhaal. Een kollega vertelde van een alleenstaande mevrouw in zijn gemeente. Ze woonde in een oud, groot herenhuis, hoge ramen aan de voorkant. Op mooie dagen viel het zonlicht in brede bundels in haar kamer. Maar deze mevrouw zat zo in de knoop met zichzelf en haar eenzaamheid, dat ze zich urenlang terugtrok in een achterkamertje. De gordijnen zorgvuldig gesloten. Geen straaltje licht drong daar tot haar door. Het zonlicht was er wel, maar ze ging er opzettelijk aan voorbij. Het gevaar is niet denkbeeldig dat ons op het kerstfeest iets dergelijks overkomt. Kerstfeest, het feest van het licht. Het Licht dezer wereld is reddend verschenen. Toch kan het gebeuren, dat wij de duisternis liever hebben dan het licht. We ontvluchten de doordringende stralen van de Zon der gerechtigheid. We trekken ons terug in het donker van onze zorgen. Of we verschuilen ons in het duister van onze zonden. Wat zou dat triest zijn. Dan zou ons de zegen van het kerstfeest ontgaan. Christus is er wel, maar hij betekent niets voor ons. Na de 25e december zijn we nog dezelfde van voorheen. En dat niet alleen. Dan zouden we bovendien niet toekomen aan de opdracht van het kerstfeest. Welke opdracht? Om zelf lichtdrager te zijn. Daar gaat het immers ook om. Het licht dat nu ontstoken is, moet doorgegeven worden aan anderen. Ons kerstfeest heeft, als het goed is, een vervolg. Over dit aspekt van het kerstfeest, men zou het 't evangelisatorisch aspekt kunnen noemen, gaat dit artikel. Het opschrift is ontleend aan een woord van Paulus uit de Efezebrief: Wandelt als kinderen des lichts' (Ef. 5 : 8).
Israël: een licht voor de volken
Lichtdragen is van oudsher de roeping van Israël geweest. Israël is Gods knecht, Gods uitverkorene. Dit volk was afgezonderd om een zegen voor de wereld te zijn. 'Ik heb u ook gesteld tot een licht der heidenen om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde' (Jes. 49 : 6). Temidden van de machten van de duisternis, in een wereld die de levende God, de Schepper van hemel en aarde niet kende en in haar heidens denken en handelen ten onder dreigde te gaan, was Israël geroepen om een licht voor de volken te zijn. Heeft Israël aan deze hoge verwachting ook beantwoord? Helaas niet. Telkens bezweek het volk voor de verleiding Gods heil en Gods zegen voor zichzelf te willen reserveren. Dikwijls verstond Israël haar uitverkiezing niet langer als een privé-bezit. De geschiedenis van Jona illustreert dit duidelijk. Zelfingenomen en zelfgenoegzaam dacht men zich te kunnen verheffen boven de andere volken. Israël faalde in haar roeping als lichtdrager en kwam tenslotte zelf in donkerheid terecht. In de Bijbel althans wordt Israël zo genoemd: 'een volk dat in duisternis wandelt' (Jes. 9:1).
Christus; het Licht der wereld
Toch heeft Israels ongehoorzaamheid God niet kunnen weerhouden Zijn doel te bereiken. Dwars door Israels mislukking heen heeft Hij Zijn heilsplan doorgezet. De Heere heeft Zich een andere Knecht verkoren om Zijn bedoelingen met Israël en de volken te realiseren. Eén, Die het er niet bij heeft laten zitten, maar Die Zijn roeping voor de volle honderd procent heeft waargemaakt. In Bethlehems stal werd Hij geboren. Het Kind in de kribbe is 'het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld' (Joh. 1 : 9). Hij mag het zeggen, omdat Hij het is en metterdaad toont: Ik ben het Licht der wereld. In Zijn lijden en opstanding heeft Hij de machten van zonde en dood overwonnen. Wie Hem volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben (Joh. 8 : 11). In de navolging van Christus, in de overgave aan Hem breekt het licht door in ons leven. De nacht der zonde zal verdwijnen, genade spreidt haar morgenrood. Er is vergeving, vrede en vreugde in Hem. Maar dan moet daar in één adem aan toegevoegd worden: dan worden we zelf ook lichten. Dat gaat samen. Het licht komt in ons leven en ons leven komt in het licht. Christus proklameert niet alleen Zichzelf als het Licht der wereld. Hij zegt het ook tegen Zijn jongeren: 'Gij zijt het licht der wereld' (Matth. 5 : 14). Omdat Hij 't is en omdat Hij 't zegt, daarom worden Zijn discipelen 't ook.
Het geheim
Lichtdragen kan dus alleen in en met Christus. Van huis uit zijn wij niet zo lichtgevend. In onszelf zijn wij duisternis. 'Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere' (Ef. 5 : 7). In de Heere. Daar zou ik een dubbele streep onder willen zetten. Iemand gebruikte het beeld van een gloeilamp. Als je een gloeilamp in de hand houdt of gewoon op tafel legt, geeft ze geen licht, zelfs geen klein beetje. Die lamp is dan helemaal donker. Een lamp gaat pas licht geven als ze is ingeschakeld in het stroom-circuit en daar deel van uitmaakt. En dan is ze ook helemaal licht. Zo is het ook met ons. Alleen als we aan Christus verbonden zijn, zijn we licht. We ontlenen ons licht aan Hem. Maar als we de band aan Hem kwijtraken, dan dooft het licht. Waar het helemaal op aankomt? Dat wij in Christus zijn. En in Hem blijven. Elke dag weer opnieuw. Het geheim ligt in de verborgen omgang met Hem. Het luisteren naar Zijn stem. Het onderzoek van de Bijbel. Het spreken met Hem in het gebed. De vervulling met Zijn Geest. Zijn kracht moet in mij overvloeien. Maar dan kan het ook niet uitblijven. Dan zal er iets van mijn leven uitstralen.
Het gevaar
Voor één ding moeten we erg oppassen. Het ontvangen licht kan namelijk ook toegedekt worden. We kunnen onze lamp onder een korenmaat zetten, in plaats van ons licht te laten schijnen voor de mensen. Op dat gevaar wijst Jezus nadrukkelijk in Mattheus 5. Waarschijnlijk sloeg dit woord vooral op de sekte van de Essenen, die zich als kluizenaars ophielden bij de Dode Zee. Zij noemden zichzelf 'kinderen des lichts', maar ondertussen leefden zij afgezonderd in de woestijn, ver van het rumoer van de wereld. Zij hadden zich helemaal geïsoleerd in hun gemeente van Qumran en vermeden angstvallig het kontakt met de 'kinderen der duisternis'. Jezus distantieert zich van deze Essenen. Hij waarschuwt Zijn jongeren tegen een dergelijk zich opsluiten in eigen kring. Een lamp is er toch niet om weggestopt te worden? Een aangestoken lamp hoort op een standaard om zo het hele huis te verlichten. Zo heeft de gemeente van Christus haar taak en plaats in deze wereld. Zij is niet van de wereld, maar ze is wel in de wereld gezonden om te getuigen van het licht. We mogen het heil niet opsluiten in eigen kerk of kring. Het wordt ons verboden te vluchten in een onvruchtbaar isolement. Het goede nieuws van kerstfeest wil de wijde wereld in. Zoals het licht van een vuurtoren de duisternis tot in de verre omtrek doorboort, zó wil het licht van Christus alles doordringen. De mensen om ons heen, de maatschappij waarin wij leven, het politieke en sociale gebeuren. Christus wil het verlichten met Zijn heerlijkheid, opdat het onder Zijn heerschappij komt. We mogen het kerstlicht ook niet opbergen in ons hart. Die neiging kan er ook zijn. Dat komt ook voor. Maar leven met Christus is niet alleen een zaak van het innerlijk, van de binnenkamer. Het heeft ook te maken met het alledaagse leven van ons werk, ons gezin, onze vrije tijd en ons bezit. Wie van Hem is, leeft niet langer voor zichzelf, maar voor God en de naaste. En daarom is er niets, hoe simpel het ook is, dat in de ware vreze des Heeren niet wordt omgestempeld tot dienst en lof (van Ruler). Jezus zegt: 'Laat dan uw licht schijnen voor de mensen dat zij uw goede werken mogen zien en Uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken' (Matth. 5 : 16).
Woord en wandel
‘Wie is daar?’, 'riep een buitenkerkelijke mevrouw door de huistelefoon. De bezoeker in de hal van de flat, de predikant, antwoordde zonder blikken of blozen: 'Ik ben de man van het Licht'. Hij mocht verder komen. Boven vertelde hij haar, dat hij niet door het elektriciteitsbedrijf gestuurd was, maar met haar wilde spreken over de betekenis van het kerstfeest. Inderdaad, wij mogen ons niet schamen voor het evangelie van Jezus Christus. Overal waar de gelegenheid zich voordoet, hebben we hoog op te geven van de ene Naam die onder de hemel gegeven is tot zaligheid. Net als de herders, die alom bekend maakten het woord dat hun van het Kind gezegd was (Luk. 2 : 17). En net als de oude Anna, die van Jezus sprak tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten (Luk. 2 : 38).
Maar als we denken dat het alleen om woorden gaat, dan zitten we er naast, 't Zit 'm niet alleen in wat we zeggen, maar ook in wie we zijn. Is er een afleggen van de werken der duisternis en een aandoen van de wapenen des lichts? (Rom. 13 : 12). Zeker in een tijd, waarin woorden vaak zo goedkoop klinken en mensen moe zijn van het vele praten, komt het niet minder op onze levensstijl aan. Vroeger zeiden ze dat zo: woorden wekken, maar voorbeelden trekken. De Bijbel gebruikt in dit verband nog aleens het woord wandelen. Bij ons een woord dat in onbruik lijkt te raken. En de bezigheid nog meer. Velen van ons wandelen zelden of nooit meer. Het leven is druk en gejaagd. Iedereen heeft haast vandaag. Al heel gauw nemen we de fiets of de auto. Aan wandelen komen we eenvoudig niet meer toe. In de Bijbel is wandelen een kernwoord. In het begin van het Oude Testament wordt er van Henoch gezegd, dat hij wandelde met God (Gen. 5 : 24). En tegen Abraham zegt God: 'Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht' (Gen. 17 : 1). Wandelen heeft te maken met onze levensgang. Met ons hele doen en laten. Als christen hebben wij er voortdurend op bedacht te zijn, dat ons leven zich afspeelt voor Gods aangezicht en voor het oog van de mensen. Er wordt op ons gelet. Het woord wandelen heeft dan ook een duidelijk missionaire spits. 'Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn', zo spoort Paulus de gemeente van Kolosse aan (Kol. 4 : 5). En in de brief aan de Efeziërs klinkt de vermaning: 'Wandelt als kinderen des lichts' (Ef. 5 : 8). Wat zien de buitenkerkelijken in ons? Worden ze door onze daden aangetrokken of juist afgestoten? Wat gaat er van ons gemeente-zijn uit? Zijn we aantrekkelijk voor de velen om ons heen die ten dode wankelen? Voor die talloze ouderen-en jongeren, die leven in de duisternis van verslaving en vervreemding van gebondenheid en eenzaamheid? Zijn we een wervende gemeente en zijn we winnende christenen, doordat ons gedrag aanstekelijk is voor hen die zonder God en daarom zonder hoop in deze wereld leven? Wat kan een nonchalante levenswandel veel kwaad doen. Slordigheid breekt af, maar een heilige wandel bouwt op, daar straalt wat van uit. Dat wist de spreukendichter al: 'Het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht' (Spr. 4 : 18). Wandelen als kinderen des lichts... Johannes Calvijn, de grote reformator van Geneve, was door genade zo'n kind van het licht. Als een kaars is zijn leven opgebrand in dienst van zijn God. 'Terar dum prosim' was het levensdevies, dat Calvijn zich gekozen had. Ik wordt verteerd, terwijl ik van nut ben. Moge het gebed van deze lichtdrager, waarmee we willen eindigen, voortdurend ook het onze zijn: 'Laat ons Uw gave zo ontvangen, dat er werkelijk bij ons vrucht gevonden wordt, tot eer van Uw Naam. Laat dit de vrucht zijn, dat ieder U lere gehoorzaam te zijn en zijn volle kracht, in zijn ambt en beroep, in Uw dienst te besteden. Laat ons zo allen tezamen er naar staan Uw heerlijke Naam en het Koninkrijk van Uw eniggeboren Zoon te verbreiden, totdat wij eenmaal onze strijd gestreden hebben en eindelijk de rust verkrijgen' (bij een Bijbellezing over Jer. 1 : 1-10).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's