Licht in de duisternis
Gaan wij in de Schrift na wat duisternis en wat licht is, dan blijkt dat daar zeer helder, reëel en concreet over gesproken wordt.
Het jaargetij
Kerstfeest is het feest van het licht. Er zullen weinig kerstpreken worden gehouden waarin niet het woord 'licht' voorkomt. In de kerstgeschiedenissen zélf komt dat woord ook meer dan eens voor.
Het jaargetij waarin wij het Kerstfeest vieren bevordert niet weinig de gedachte aan duisternis en licht. De dagen zijn kort, de nachten lang; het is donker op de wegen; duisternis heerst.
Zelfs waar een kerstboom wordt afgewezen ziet men nog wel een paar kaarsjes branden. Wij kunnen nu eenmaal moeilijk zonder sfeer; en wie zou dit zonder meer kunnen afkeuren en veroordelen?
Kersttoespraken
Hoort men kersttoespraken dan komt men ook daarin allicht de woorden duisternis en licht tegen. Ook al komen die kersttoespraken uit de mond van hele of halve ongelovigen. Zij munten doorgaans niet uit in helderheid, hebben het wel over licht, maar verspreiden zelf weinig licht. Zij zijn niet zelden wazig of zelfs schimachtig. En hoe kan het ook anders? Als mensen licht moeten brengen, en daartoe opgeroepen en aangevuurd worden, dan geldt het woord van de Schrift, dat wat licht is in ons maar duisternis is voor God.
Duisternis
Gaan wij in de Schrift na wat duisternis en wat licht is, dan blijkt dat daar zeer helder, reëel en concreet over gesproken wordt. Als Jesaja een zesvoudig wee uitspreekt ten aanhoren van zijn volk, en daarmee de oordelen Gods op het oog heeft, zegt hij: 'er zal duisternis en benauwdheid zijn' (Jes. 5 : 30). Even later herhaalt hij dat, als hij spreekt over het oordeel Gods over Syrië en Israël, hij zegt dan: 'er zal benauwdheid en duisternis zijn' (Jes. 8 : 22). Als de tijd van de Messias zal aanbreken zal er een volk zijn 'dat in duisternis wandelt' (Jes. 9:1). Als Jeremina ziet op de oordelen Gods en klaagt: Ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede van zijn verbolgenheid', dan voegt hij eraan toe: 'Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis en niet in het licht' (Klg. 3, Iv.)
‘s Heeren dag
Van hieruit is het duidelijk waarom de profeten ook over de grote Dag des Heeren gesproken hebben als een 'dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid' (Joël 2:2). Een ook Zefanja zegt: die Dag zal zijn 'een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid' (Zef. 1 : 15). Amos zegt: 'Hij zal duisternis wezen en geen licht'.
Reëel en concreet
Wij zullen ons al deze woorden niet reëel en concreet genoeg kunnen voorstellen. Duisternis is hier het beeld van de allerdiepste nood en ellende, een uitzichtloze toestand, een angstaanjagende werkerlijkheid. Zó zijn de oordelen Gods en zo is heel in het bijzonder hét Oordeel Gods dat komen gaat. Ook in het persoonlijk leven is er soms de duisternis. Daarvan gewagen de psalmdichters. Asaf zegt van de goddelozen: zij wandelen steeds in de duisternis' (Ps. 82 : 5). Maar niet alleen de goddelozen hebben duisternis, de vromen eveneens. De zeer geplaagde maar vrome Heman klaagt: 'Gij hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duisternissen, in diepten' (Ps. 88 : 7). Dit betekent dat hij zich gevoelde als een dode (vs. 11). Job gevoelde zich op weg naar 'een stikdonker land' (Job 10 : 22). In heel zijn boek keert steeds het woord duisternis terug, en wij weten dan wel wat wij ons daarbij moeten voorstellen: en zee van ellende!
Buitenste duisternis
In het Nieuwe Testament wordt de hel genoemd de 'buitenste duisternis' (o.a. Matth. 22 : 13). In de Lijdensnacht van Christus was het de ure en de macht der duisternis (Luk. 22 : 53). De duivel zelf heeft de vorst der duisternis. Het had een meer dan symbolische betekenis dat het tijdens Christus' diepste lijden drie uren aaneen duister was op de hele aarde (Luk. 23 : 44).
In het Nieuwe Testament wordt de duisternis ook betrokken op de zonde, en het leven in de zonde. Vooral Johannes spreekt in zijn Evangelie en Brieven herhaaldelijk over een 'wandelen in de duisternis', een 'in de duisternis zijn', een 'liefhebben van de duisternis', een 'in de duisternis blijven'. Zo sterk is dit leven in de duisternis dat het licht wordt gehaat, versmaad en verworpen. Men wil veel liever in de duisternis blijven dan dat men zich er door het licht uit laat verlossen.
Een macht
Kortom, wil men op de Kerstdagen spreken over het licht en iets beseffen van de betekenis van dit licht, dan zal men zich de duisternis niet vaag en abstract mogen voorstellen. Men moet in haar zien een schrikbare werkelijkheid. Zij is een macht. Zij omringt ons, zij doordringt ons, zij slaat ons in haar ban, zij omknelt ons, zij houdt ons gevangen, er staat een duivelse macht achter, zij sleept ons voort, naar de buitenste duisternis; zij brengt ons in het oordeel, wanneer in ons en rondom ons niets meer wezen zal dan enkel duisternis; alle lampen en kaarsen zijn uitgegaan, en het eeuwig nacht is.
Dan pas gaan wij goed beseffen wat de komst van Jezus Christus is geweest wanneer wij de verschrikking van deze nacht vanuit het goddelijke Woord over ons hebben laten komen.
Christus het Licht
Met Hem kwam het Licht! En het woord Licht is hierbij veel te zwak om uit te drukken wat in werkelijkheid geschied is. Ook hier, evenals wanneer wij spreken over de duisternis, gaat de werkelijkheid ver boven het beeld uit. Een christen leeft bij het onuitsprekelijke. Onuitsprekelijke werkelijkheden. Hij kan soms alleen maar zwijgen, omdat spreken tekort doet aan de werkelijkheid. Zo is het nu ook als het gaat over Christus als het Licht. Dat is het enige wat de profeten in het Oude Testament overeind heeft gehouden. Wat Jeremia niet deed wegsmelten in ellende en verdriet. Het vervulde hen soms zozeer, dat de kruik van hun lichaam op barsten stond. Wie dat wil ontdekken die moet maar eens goed lezen en op zich laten inwerken de machtige woorden van Jesaja, vooral in de laatste hoofdstukken van zijn boek. De schrijvers van de Nieuwtestamentische boeken hebben die woorden overgenomen en allen toegepast op hun Heere. En ook zij konden het nauwelijks dragen, zo overweldigde het hen. Lees maar hoe Johannes zijn eerste Brief is begonnen: 'Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, en onze handen getast hebben van het Woord des levens...' Hier spreekt niet de filosoof, maar eerder de dichter; dit is geen ambtenarentaal, maar de lyrische taal van het tot op de bodem toe getroffen hart. Ieder christen heeft iets van een dichter in zich. Simeon, Maria en Zacharias, zij allen zongen hun lied.
Dan pas wordt Christus' komst recht gevierd als de snaren van ons hart geraakt worden.
Verdwijnende duisternis
Hij is het Licht. En waar licht is, moet de duisternis verdwijnen. Dan staat Macht tegenover macht. De overmachtige macht van het Licht tegenover de wel reële en angstaanjagende duisternis, die evenwel toch niet óp kan tegen het Licht. Dat is het wat christenen troost. In alle levenssmart, in alle vrees voor de toekomst, in alle gevoel van zonden en schuld, medeplichtigheid aan het rijk der duisternis.
Neergedaald
Dit Licht is nedergedaald. Het kwam niet uit ons. Er is tegenwoordig in zwang wat men noemt een christologie van beneden. Men zet in bij de mens, al heet die mens dan Jezus van Nazareth. Het trieste van deze (en alle) ketterij is, dat zo nimmer het Licht doorbreekt, dat men in de duisternis blijft zitten. Over Christus kan men alleen spreken van bovenaf. God die zelf Licht is (zonder enige duisternis) zond dit Licht. Hij is dan ook het 'waarachtige Licht' (Joh. 1 : 9). Zijn eigen woord was: 'Ik ben het Licht der wereld' (Joh. 8 : 12).
Men make hiervan niet slechts een paar mooie woorden, om per kerstkaart naar familieleden te sturen, of om er een toespraak mee te vullen. Zij zijn geladen met een werkelijkheid en kracht die de overigens onneembare burcht van de duisternis vergruizelt. Niets is sterker dan het licht dat van Christus komt. Voor dit licht moest zelfs de vorst der duisternis wijken; en zijn onderdanen dan natuurlijk ook. Niets is doordringerder dan dit licht. Het boort heen door de stikdonkere nacht waarover Job klaagde en die hij als een verschrikking vóór zich zag.
Niets is begeerlijker dan dit licht. De profeten snakten ernaar. Men had hun hete tranen eens moeten zien. Niets is troostvoller dan dit licht. Petrus sprak van een 'wonderbaar' licht (1 Petr. 2:9). Paulus dankte de Vader 'Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht' (Col. 1 : 12). Niets is heerlijker dan dit licht. Als Johannes, in zijn verbanning, Christus ziet in het allerheerlijkste licht, valt hij als dood aan zijn voeten (Openb. 1 : 17). Dit Licht is gezien al in Christus' aardse verschijning. De herders zagen het toen zij staarden in de kribbe. De discipelen zagen het, hoewel hun geloof nog maar zwak was.
Geloof
Het zien van dit licht is meer een zaak van geloof dan van aanschouwen. Nooit hebben de discipelen meer van dit licht gezien dan toen hun Heere afscheid van hen genomen had, en hun ogen Hem niet meer zagen.
Eén kerstpreek is al genoeg om dit Licht te zien. Maar wie het één keer gezien heeft wil het graag méér zien. En dan is de helft ons nog niet aangezegd. Het meeste komt nog. Even reëel als de duisternis zal zijn op 's Heeren dag, zal ook het licht zijn dat Hij in die duisternis zal doen opgaan. Alleen in de taal der beelden is er wat van te zeggen. En dan stamelt Johannes, als hij er een voorproefje van krijgt, wat over een 'zon' en een 'maan' en een 'kaars' (Openb. 21 : 23). De rechte woorden kan hij niet vinden. Die bestaan ook niet. Althans niet in de talen der mensen. Men moet de hemeltaal beheersen om zich ook maar enigermate te kunnen uiten over Christus als het licht. En die taal kennen wij nog niet. En de volken die zalig worden, zegt Johannes, zullen in haar licht wandelen (s. 24). Hele volken dus. Allen bestraald met dit licht!
Waarachtig Licht
Het Licht heeft geschenen in de duisternis. Hoe werkelijk ook die duisternis is, zij is een overwonnen werkelijkheid. Dat houdt ons christenen op de been. Bij het zien van de duisternis in ons. Ook bij het zien van de duisternis rondom ons. Zij lijkt toe te nemen. Wij onderschatten dat niet. Wij zetten niet met een vroom handgebaar dat alles aan de kant. Daarvoor is deze duisternis té werkelijk, en daarom té angstaanjagend. Maar het geloof heft zich er boven uit. Het is de spiegel waarin zich het Licht heeft weerkaatst. Hoe meer die spiegel gericht is naar dit Licht, deze Zon, des te hoger stijgt de thermometer van onze moed. Christus het waarachtige Licht - daar laten wij ons niet van afbrengen!
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's