De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hij, die op zondaars nederziet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hij, die op zondaars nederziet

7 minuten leestijd

Hieronymus van Alphen (1746-1803) is vooral bekend geworden als de dichter van eenvoudige kindergedichtjes.

Van Alphen als kinderdichter

Hieronymus van Alphen (1746-1803) is vooral bekend geworden als de dichter van eenvoudige kindergedichtjes. Ieder van ons kent wel de beginregels van De pruimeboom: 'Jantje zag eens pruimen hangen, o! als eieren zo groot'. Hoe was hij ertoe gekomen om dit soort gedichtjes te schrijven? Van Alphen, die in het dagelijks leven o.a. procureur-generaal te Utrecht en pensionaris te Leiden is geweest, trouwde in 1772 met Johanna Maria van Goens. Het huwelijk duurde helaas slechts kort: reeds in 1775 overleed Johanna in het kraambed bij de geboorte van de derde zoon. Aan een vriend schreef Van Alphen na deze zware slag: 'Ik heb een echtgenote verloren die ik beminde en die pas 25 jaar was toen ze stierf. Hij bleef zelf als 29-jarige weduwnaar achter, met drie jongetjes. Hij voelde er niets voor om de opvoeding van zijn kinderen over te laten aan een schoolmeester of gouverneur. Dat wilde hij zelf doen en toen constateerde hij dat er nauwelijks boeken en gedichten bestonden die in kinderlijke taal, op bevattelijke wijze godsdienstig-ethische stof aan de orde stelden.

Daarom besloot hij maar zelf aan het werk te gaan en zo ontstond een bundel die langzamerhand is gegroeid: Kleine Gedigten voor kinderen. Daarin staan beroemde gedichtjes als De pruimeboom en Het kinderlijk geluk, waarvan de eerste strofe luidt:

Ik ben een kind,
Van God bemind,
En tot geluk geschapen.
Zijn liefde is groot;
'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood.
Een wieg om in te slapen!

Heel typerend voor de bundel is ook het volgende gedichtje:

Het vrolijk leren

Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen.
En waarom zou mij dan het leren vervelen?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,
't Is wijsheid, 't zijn deugden, naar welke ik haak.

De ideeën die Van Alphen hier doorgeeft en vooral de optimistische geest die uit deze gedichten spreekt maken duidelijk dat de dichter hier behoorlijk vastzit aan de denkwereld van de Verlichting. We proeven sterk de leus: Door kennis tot deugd! En dat is heel wat anders dan: de mens is geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed, zoals de Heidelbergse Catechismus dat omschrijft. Tegen die optimistische geest hebben we zeker onze bezwaren, maar dat neemt niet weg dat de gedichtjes - historisch gezien - in de kinderliteratuur een stap vooruit betekenen: eindelijk werden kinderen toegesproken in kinderlijke, eenvoudige, begrijpelijke taal en niet in de taal van volwassenen. Van Alphen nam als een van de eersten 'zijn jeugdige lezers au sérieux'.

Rust in Jezus

Van Alphen heeft echter veel meer geschreven, waaronder een flink aantal christelijke gedichten en liederen. De overgave aan God staat daarin centraal. De gedichten passen voor een belangrijk deel in de piëtistische traditie. De persoonlijke ommekeer in zijn leven vormt er ongetwijfeld de achtergrond van. Mede door een vriend die hem aanspoorde om een 'nieuw leven' te beginnen 'in dienst van Jezus, de enige toeverlaat van zondaren', kwam op zijn 21e verjaardag het keerpunt in zijn leven. Vanaf dat moment heeft hij, zoals hij later zelf schreef, met ernst 'den Heere gezogt' en begon zijn ziel 'naar God en Zijn eind, naar Zijn lieven Zoon' te vragen. Van conventioneel naam-christen kwam hij tot het besef dat alleen in Christus' middelaarschap troost en behoud te vinden is. Dan dicht hij: 'Gij Jezus zijt alleen mijn rust, mijn leven'. Hier sluit bij aan het fraaie gedicht. Een lied, dat te zingen is op de wijs van psalm 100. Ik laat het hier in zijn geheel volgen.

Een lied

Die ‘t al ontdekt, wat in ons woelt,
Als 't peilloos hart zijn boosheid voelt;
Zelf onbesmet door dat venijn:
Zou deze niet de Christus zijn?

Hij, die ons zegt, al wat ons krenkt;
Maar balsem uitgedacht, schiep, en schenkt;
Om niet geneest van zielepijn:
Zou deze niet de Christus zijn?

Die ’t pad ons afgetekend heeft;
En voeten, als der hinden, geeft;
Die beken schept in een woestijn:
Zou deze niet de Christus zijn?

Die zelf de mond der waarheid is;
En, als een zon, in duisternis
Beveiligd voor bedrog en schijn:
Zou deze niet de Christus zijn?

Die ons, in zorg, op Hem verwijst,
Die raven hoort; het musje spijst;
En lelies toont in karmozijn:
Zou deze niet de Christus zijn?

Die ons behoedt in elke nood;
Die zorgen zal, dat, in de dood.
Niets dan de lemen hut verdwijn':
Zou deze niet de Christus zijn?

Die streng bestraft, en scherp beproeft.
Maar toch van harte nooit bedroeft;
Hoe hoog het ga, hoe hard het schijn';
Zou deze niet de Christus zijn?

Die niet veroordeelt, maar behoudt
De ziel die op zijn dood betrouwt;
En 't zegel gaf in brood en wijn:
Zou deze niet de Christus zijn?

Die ons nu voortreedt in ' t gebed;
En eens de hemel openzet.
Bij 't opgaan van het doodsgordijn:
Zou deze niet de Christus zijn?

Dit gedicht - de refreinregel wijst daar al op - is duidelijk geïnspireerd door de bijbeltekst in Joh. 4 : 29, uit het verhaal van Jezus en de Samaritaanse vrouw: 'Komt, ziet een mens die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus?'

Eerbiedig buigen

Ook al heeft Van Alphen in een aantal opzichten te weinig kritisch gestaan tegenover het vooruitgangsgeloof van de Verlichting, niettemin is een aantal van zijn christelijke gedichten gedurende vele generaties na hem door diepgelovige mensen gelezen en gezongen. Ik denk hier bijvoorbeeld aan de kring van het Réveil. Om zijn liederen hebben mensen van het Réveil Van Alphen gewaardeerd en ze hebben zijn verzen gezongen tijdens hun bijeenkomsten, en in hun huisgezin.

Christus is de Middelaar die de schuld van zondaren op zich laadde en daartoe in deze duistere wereld kwam. Het is deze belijdenis die Van Alphen onderschreef en die centraal staat in het gedicht Het Kerstfeest. Zo groot is Gods liefde dat Hij Zijn enige Zoon in deze wereld heeft gezonden, het Lam dat de zonde der wereld wegneemt. Ons mensen past slechts 'in stille ootmoed' te buigen voor de kribbe. De bekende regels uit de berijmde psalm 84 vormen de as van dit gedicht:

Welzalig hij, die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht, (2e couplet)

Welzalig, Heer, die op U bouwt en zich geheel aan U vertrouwt! (6e couplet)

Ter afsluiting volgt hier het gehele gedicht:

Het kerstfeest

Getrouwe God! Gij hebt Uw Zoon,
De medeheerser op Uw troon,
Tot ons op aarde in 't vlees gezonden.
Onze ogen zien Uw enig kind,
Van englen met ontzag bemind,
In schaamle doeken slechts gewonden.
Geduchte liefde! Ons tranend oog
Heft zich beschaamd tot U omhoog.

O Heer! die ‘t geen Gij spreekt, vervult;
Gij blijft getrouw! Neen, onze schuld
Kon Uw belofte niet vertragen.
Gij dacht en denkt aan Uw Genâ;
Wij zeggen: amen! amen! ja.
God schept in onze mond een lied;
Hij, die op zondaars nederziet.

Eerbiedig buigen we onze kniên.
Om in die kribbe neer te zien;
En daar Uw heerlijkheid te aanschouwen.
Laat ons geloof nu, ongestoord,
In stille ootmoed, op Uw woord,
Dat nimmer feilt, geheel betrouwen.
Welzalig hij, die al zijn kracht
Daartoe van deze Zoon verwacht.

O Godlijk kind! wij zondaars staan,
En zien U met ontzetting aan:
Wij willen U als Koning eren.'
Ontvang de hulde van een kroost.
Dat, door Uw blijde komst getroost.
Niet bukken zal voor vreemde heren,
Welzalig hij, die daartoe kracht
Van U, o Godlijk kind! verwacht.

Groei op, o voorgetekend Lam!
Groei op, o spruit uit Jesse's stam!
Neem toe in wijsheid en vermogen.
Volbreng het werk, U opgelegd!
Ontvang het loon, U toegezegd!
Wis alle tranen uit onze ogen!
Welzalig, die reeds op U bouwt,
En dag aan dag U meer betrouwt.

Dit zijn andere accenten dan optimistisch het pad der jeugd betreden! Hier is sprake van hulp en troost die buiten de mens wordt gezocht, van kracht die alleen te verwachten is van Davids grote Zoon, van Hem die op zondaars nederziet. Hier knielt een zondig mens 'in stille ootmoed' voor de kribbe in Bethlehem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1982

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Hij, die op zondaars nederziet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1982

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's