Kerstlicht en pinkstervuur
Ongekend mooi is de zonsopgang over het Sinaï-gebergte. Wie het ooit meemaakte vergeet het niet meer. Is de zonsopgang op zich in het middenoosten al prachtig, omdat het in zo korte tijd van donker licht wordt, 's morgens in alle vroegte op de Sinaï is het ongeëvenaard. De bergtoppen liggen het ene moment nog dreigend in het diepe duister. Dan verschijnt de zon aan de kim en binnen enkele minuten staat de zon er in volle pracht, het hele gebergte in een zee van licht met verschillende kleuren zettend.
Zo is het in het kerstevangelie. Verrassend werden de herders omschenen door de heerlijkheid des Heeren. U is heden geboren de Zaligmaker! Het licht ging op het onverwachts op in het duister van de tijd, in het duister van mensenlevens.
Zo was het voorzegd. Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien (Jes. 9:1). In Mattheüs 4 wordt het herhaald maar dan in de verleden tijd: 'het volk, dat in duisternis zat, hééft een groot licht gezien en hun die zaten in het land en de schaduw des doods, hun is een licht opgegaan'.
De woorden licht en duisternis in het kerstevangelie zijn beeldspraak. Maar zo, zoals in het natuurlijke, het licht het duister verdrijft, anders gezegd duisternis de afwezigheid van licht is (want duister is geen zelfstandige grootheid), zo is Christus' komst in het vlees het komen van het licht in onze duisternis.
Door de innerlijke barmhartigheid van onze God heeft de Opgang uit de hoogte ons bezocht, om te verschijnen aan hen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods (Lucas 1 : 79).
In het duister van het Oude Testament, in de schaduwen van de oude bedeling werd het in de psalmen zelfs al messiaans gezongen: 'de oprechten gaat het licht op in de duisternis. Hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig' (Psalm 112 : 4).
Het is geen wonder dat kunstenaars, met name schilders, het Kind dat gekomen is altijd weer verbeeld hebben in delichtkring; met daaromheen mensen, die uit het duister in die lichtkring mochten treden. Het is ook geen wonder, dat in de kerstliteratuur ook altijd weer het licht zo' n centrale plaats inneemt. Hoe kan het anders, waar de Schrift ons zelfde komst van de Zoon des Mensen zo overduidelijk tekent als de komst van stralend licht in diepe duisternis.
Uit de duisternis van godverlatenheid mogen mensen komen door goddelijk licht geleid. Ze worden getrokken uit het duister tot hpt wonderbare licht, omdat God éérst die lichtkring iïi het duister van de wereldgeschiedenis schiep. Daar, concreet in Bethlehem!
Het is wel diep waar, dat de duisternis het licht niet heeft begrepen, dat ons verduisterde verstand dit licht niet zoekt. Maar het is even verrassend waar, dat in het vleesgeworden Woord het Leven was en dat dit Leven het licht der mensen was.
Was Christus niet in Bethlehem geboren, nooit zou het licht in het duister van mensenharten opgaan. Maar het Licht is opgegaan, Opgang uit de Hoogte! En daarom is er de garantie dat ook in mensenlevens de dag kan aanlichten en de Morgenster in harten kan opgaan. De duisternis heeft het niet begrepen, maar de Geest grijpt zélf mensen om ze aan het Licht te brengen.
Pinksteren
Er is in de Schrift sprake van een onverbreekbare keten des heils. Kerst en Pinksteren staan niet los van elkaar. Op Pinksteren intussen ook het beeld van het licht in het teken van vuur! De apostelen werden zélf verlicht door de Geest en proclameerden met vuur Gods heilsdaden. Petrus spreekt in Handelingen 2 over de verwachting aangaande het komende heil in het Oude Testament bij David. Hij spreekt dan over Gods eed aan David, dat Hij uit de vrucht van zijn lendenen de Christus verwekken zou. Hij spreekt vrijmoedig van kruis en opstanding, van de verhoging door Gods rechterhand en van de belofte des Geestes, die uitgestort zou worden. Hetgeen 'gij nu ziet en hoort'!
In Handelingen 3 spreekt Petrus opnieuw, vervuld door de Geest, over de verheerlijking van het Kind Jezus en opnieuw van Kruis en Opstanding.
Gods geschiedenis is heilsgeschiedenis. De verwachting van het volk, dat in duisternis zat, heeft God in het Oude Testament levend gehouden. En op de Pinksterdag heeft de Geest mensen verlicht om Gods heilsdaden te mogen zien en ervan te getuigen. Neem de indrukwekkende rede van Stefanus in Handelingen 7. Er staat van hem, dat hij vol van geloof en kracht was, dat men de wijsheid en Geest niet kon weerstaan, waardoor hij sprak. En - nadat hij de Joden meegenomen had door hun ganse geschiedenis heen - zag hij tenslotte zelf de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter rechterhand Gods: 'ziet, ik zie de hemelen geopend'. Mensen, door de Geest aangeraakt, hebben sinds Pinksteren wat te getuigen, omdat er aan Pinksteren wat vooraf ging, namelijk de Opgang van het Licht in de duisternis. Het apostolaire pinkstervuur kan niet zonder het Licht van de kerstnacht.
De Geest ontdekt de duisternis, overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Van zonde omdat ze in Mij niet geloven, omdat de duisternis het Licht niet begreep, maar verheerlijkt Christus ook zodanig, dat het vuur gaat branden. 'Want God, die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus!' (2 Cor. 4 : 6). En zelfs als het weer donker kan worden in het leven van Gods kinderen, als de Heere zijn aangezicht verbergt (want ook dat is bijbelse realiteit) dan nóg blijft onder de as de vonk smeulen, dan nóg houdt de Geest het vuur brandend. Het zal in het leven van Gods kinderen nooit helemaal nacht worden. Het vuur blijft branden.
Neem Psalm 88, een duistere psalm, met een duister slot. Gij hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duisternissen, in diepten, klaagt de psalmist. Mijn bekenden zijn in duisternis, zo eindigt de psalm. En toch klaagt de man, die van zijn jeugd af 'doodbrakende' is, tot de God van Zijn heil. O Heere, God Mijns heils! Hij weet van het heil dat bij God is. En Nieuw Testamentisch, bij het Licht van Pinksteren, mag verstaan worden dat het Licht is opgegaan in het duister van de wereldnacht en mag ervaren worden dat Gods licht mijn duister toch telkens verdrijft.
Het Handelingenboek, het apostolaire boek bij uitnemendheid, is vol van proclamatie van het heil, dat God bereid heeft en dat in mensenlevens door de Geest wordt uitgewerkt, in levens van mensen die in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde zijn overgezet (Kol. 1 : 13). Handelingen is boek van de Geest.
Mensen die de vernieuwing door de Geest mogen kennen, weten van een eertijds (dood in zonden en misdaden, duisternis) en van een 'maar nu' in Christus levend gemaakt: 'uit genade zijt gij zalig geworden'. Dan kan het lijden, nee, dan móét het lijden om uit de volheid van het gemoed, door het vuur van de Geest Gods daden uit te zeggen, ongebonden, niet ingehouden, omdat we het profetisch Woord hebben, dat zeer vast is. We doen wel er acht op te geven als op een licht schijnende in een duistere plaats.
Vuur en licht
In de prediking naar de zin en mening des Geestes zal altijd Licht tegenover duisternis staan. Daar zorgt de Geest zelf voor. De prediker behoeft niet te zeggen dat de Geest het zus of zo zal doen, of zal moeten doen. De Geest dóét het vrijmachtig, naar het Woord en met het Woord. De Geest ontdekt de duisternis én laat de Morgenster opgaan in harten. De Geest laat zich ook niet binden, al kunnen wij de Geest wel uitblussen.
De deugden van Hem, die riep uit de duisternis tot het wonderbare licht, mogen worden verkondigd. En wanneer Gods deugden, recht en genade, gerechtigheid en liefde, gepredikt worden in Christus, in Wie het licht opging in de duisternis, dan zal de Geest het Woord zó hanteren, dat Christus ook in mensenharten verheerlijkt wordt.
Het duister van de Oud-testamentische bedeling is verdreven. De hang naar dat duister is echter hardnekkig. In Romeinen 2 spreekt Paulus over mensen - Joden die het bij de wet houden - die bij zichzelf vertrouwen 'een leidsman der blinden' en 'een licht van hen, die in duisternis zijn', te zijn. Het licht der genade mocht als het ware niet doorbreken in het wettische Jodendom. Maar de Geest liet de tijden door het licht toch stralend doorbreken. Gods liefde mocht stralen tegen de achtergrond van Zijn recht. Aan het recht Gods werd voldaan door Christus' gang van kribbe tot kruis. En daarom kan Paulus zeggen: Laat ons de genade vasthouden want onze God is een verterend vuur.
Wie ooit het licht van kerst zag opgaan in de duisternis van zijn godverlatenheid en godsvervreemding kan er slechts met verwondering over spreken. We behoeven niet meer te leven bij kunstlicht maar ook niet meer in het duister. Ook niet in het duister van de schaduwendienstvande wet. Ds. H. G. Abmazegtin zijn 'Tien woorden ethiek': 'Velen bezitten een masochistisch genoegen wanneer zij verpulverd worden tussen de raderen van gebodsverfijningen, terwijl zij die zich als leraars der wet opwerpen er sadistische vreugde aan over houden wanneer zij de wet genadeloos scherp inpeperen. Zij weten nóch wat zij zeggen, nóch wat zij bevestigen. Zij verstaan niet dat de wet geestelijk is. Het natuurlijke verstand brengt het met de wet heel ver. Men komt er hoog genoeg mee om vol verachting op de onwetende schare neer te zien. Het Evangelie vraagt echter geloof. Geloof dat wederbaart. Geloof dat werkt door de liefde. Het evangelie zegt verheugende dingen. Ook over de betekenis en het werk van de wet'.
Een te scherp woord? Toch niet! Het duister van de wetsbetrachting is ons toch van nature liever dan het licht van de Zon der gerechtigheid? Maar 'Vrede op aarde' is toch het niet weg te denken wachtwoord van de engelen en de proclamatie van de Geest, dwars tegen de hang naar het wettisch duister in. Waar de liefde tot de Heere Jezus dan ook geboren werd, langs de weg van een nieuwe geboorte, daar zal ook innig, teer, bevindelijk, gunnend, warm, aanprijzend, meelokkend over Hem gesproken mogen en moeten worden. Getuigen van het Licht heeft dan een dimensie meer dan waarschuwen voor de duisternis. Pinkstervuur en kerstlicht horen bijeen.
Gelukkig maar dat de Geest er zelf mensen op uit heeft gestuurd, de wereld in, die er niet van zwijgen konden. Gelukkig maar dat de Geest er ook vandaag mensen op uit stuurt om, in het duister van de wereld, van de tijd en van mensenharten, het licht door de Geest te mogen ontsteken. Om te vermanen hen, die de Waar-heid in ongerechtigheid ten onder houden, om gebogenen op te richten, om treurenden te troosten, om hen die in duister dolen te verlichten.
En als het Evangelie dan toch afstuit? Paulus zegt: Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in het die verloren gaan; in wie de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, die het Beeld Gods is'. (2 Kor. 4:4).
Over Sinaï komt echter toch de zon op, in stralende luister. Zon der gerechtigheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's