De roeping tot het ambt (6)
De tweede vraag luidt: moet een ambtsdrager aan het Avondmaal deelnemen?
Wij willen deze artikelenreeks met de beantwoording van twee vragen gaan besluiten. Vragen van pastorale aard, die ook pastoraal beantwoord moeten worden. De eerste vraag is: óf men tot een ambt voor heel het leven geroepen wordt óf slechts voor een bepaalde periode? De tweede vraag luidt: moet een ambtsdrager aan het Avondmaal deelnemen?
Een bepaalde periode
Wij hoeven hier niet te schrijven over een bepaalde duur van het predikantschap. De kerkorde van Dordrecht 1618-1619 bepaalde al, dat de predikant, wettelijk beroepen zijnde, zijn hele leven aan de kerkedienst is verbonden. Wel werd in deze kerkorde de mogelijkheid opengelaten, dat hij tot een andere staat des levens overging om grote en gewichtige oorzaken. De classis moest hiervan wel kennis nemen en hierover een uitspraak doen. Met de andere ambten stond het evenwel anders. Erg duidelijke uitspraken hierover vinden wij niet in de Schrift. Daarom zei de synode van Middelburg in 1581: 'Uit de Heilige Schrift kan niet bepaald worden, dat de ouderlingen en diakenen, eenmaal door de apostelen verkoren, altijd in dat of in een an der kerkelijk ambt gebleven zijn...'. In Wezel 1568 sprak men duidelijk over een bepaalde tijdsperiode. De reden was, dat men zó intensief het ambt van ouderling of diaken kon uitoefenen, dat de vrees werd geuit, dat dit schade aanbracht aan allerlei particuliere zaken. Wanneer wij de kerkorde van Dordrecht erop nalezen valt ons in artikel 27 op, dat de ouderlingen en de diakenen twee jaren zullen dienen. Wanneer men om één of andere reden hiervan plaatselijk wilde afwijken, kreeg men die ruimte. Het aantal jaren kon wanneer het dringend nodig was veranderd worden. Het is dus denkbaar en die mogelijkheid was niet uitgesloten, dat bepaald werd dat ouderlingen en diakenen voor hun leven of tot een bepaalde leeftijd gekozen werden. Hiertegen zijn toch wel enige bezwaren in te brengen. Deze bezwaren zijn het beste onder woorden gebracht door de synode van Middelburg in 1581, toen zij stelde: 'Het schijnt raadzamer, om het gebruik van alle wegen der kerkelijke tyrannie te schuwen, dat dezelfde personen, eenmaal tot de dienst verkozen, niet altijd gecontinueerd worden..'. Doch niet alleen om kerkelijke tyrannie te voorkomen achtte deze synode het van belang, dat ambtsdragers na een bepaalde tijd aftraden, maar ook om alle dictatuur van de zijde van de predikant te ontnemen. Deze synode stelde: 'Daarboven, zo ver de ouderlingen en de diakenen verwisseld worden, zal die verwisseling aan de dienaren alle kans benemen, dat zij hun eigen tyrannie over de Kerk gebruiken...'. Dat waren wijze woorden van deze synode, want ook predikanten is niets menselijks vreemd, zelfs niet heerszucht en dictatuur.
Zoals hierboven reeds geschreven geeft de Schrift in deze kestie geen duidelijke uitspraken. Daarom kan in de kerkorde de tijdslimiet van de verkiezing worden bepaald. En dat is in onze kerk twaalf jaar. Men kan één keer geen twee keer herkozen worden. Toch kunnen wij ons voorstellen, dat er ambtsdragers zijn die moeite hebben om hun ambt neer te leggen en moeten terugtreden.
Moeite na twaalf jaar
Wie zich van Godswege geroepen weet tot het ambtelijk werk, zal het pijn doen, wanneer hij uit de kerkeraad moet terugtreden. Dat zal in het bijzonder moeite geven, wanneer men lichamelijk nog vitaal is en altijd met hart en ziel het ambtelijk werk heeft mogen verrichten. Om die reden kunnen wij ons levendig indenken, dat in het hart van zulk een ambtsdrager leeft: 'Waarom mag ik niet mijn gehele leven in de wijngaard des Heeren arbeiden? Bovendien komt er nog iets bij nl. het roepingsbesef. Dit besef is men na het neerleggen van het ambt niet zomaar ineens kwijt. Ons is bekend, dat sommige broeders het nooit helemaal kwijtraken. Toch zijn wij van mening hoe moeilijk het ook is en wij hiervoor alle begrip hebben, dat het goed is om hierin ons aan de kerkorde te houden en terug te treden, wanneer het onze tijd is. Die twaalf jaar heeft toch ook zijn goede zijde. Hierdoor wordt voorkomen, dat een kerkeraad sterk gaat vergrijzen, maar laten wij vooral niet vergeten, dat wij tijdelijke mensen zijn. Het werk in de kerk moet toch ook door anderen gedaan kunnen worden. Een andere generatie dient de fakkels over te nemen. En laten wij daarbij niet vergeten, dat indien wij nog in de kracht van ons leven zijn de kerk op ons toch weer opnieuw een beroep kan doen na een korte of langere adempauze. Voor indringen moeten wij ons hoeden. Ook al heeft men eenmaal gediend en moest men kerkordelijk terugtreden, dan zal men toch opnieuw wachten totdat de Heere roept. Roept door middel van de gemeente. De uitwendige roeping bevestigt de inwendige roeping. Hierop gaan wij nu niet verder in, omdat dit reeds uitvoerig is aangetoond in het eerste en tweede artikel over dit onderwerp.
De ambtsdrager en het Avondmaal
Was wat wij hierboven schreven al een tere zaak, wat nu komt ligt nog veel teerder. De vraag luidt; 'kan iemand ambtsdrager zijn zonder deel te nemen aan het Heilig Avondmaal?' Dat deze vraag gesteld kan worden komt omdat in verschillende gemeenten ambtsdragers van de Tafels des Heeren afblijven. Is dit echter een gezonde toestand en kan dat eigenlijk wel? Het kan zijn dat men terecht niet aan de dis van het Nieuwe Verbond deelneemt, omdat men geen deel heeft aan de gewisse beloften des Heeren en geen hartelijke geloofsverbondenheid met Christus kent. Maar kunnen wij dan wel met een goed geweten ambtsdrager zijn en op het huisbezoek leiding geven inzake het aangaan of niet-aangaan aan de Heilige dis des Heeren? Hoe zullen wij van de worstelingen van de ziel juist inzake het Avondmaal iets verstaan als wij zelf hiervan weinig of niets afweten? Het is daarom bepaald geen gezonde toestand, wanneer één of meerdere kerkeraadsleden op hun plaats blijven zitten, wanneer de Koning der kerk roept om tot Zijn Tafel te komen. Zij kunnen wat dat betreft zich ook niet beroepen op allerlei inzichten en regels die in de Oude Kerk (de kerk uit de eerste eeuwen van onze jaartelling) gehanteerd worden. Ook de reformatie geeft geen aanleiding te denken, dat er toen ambtsdragers van de Tafel van het Nieuwe Verbond wegbleven. Dat zou zelfs toendertijd ondenkbaar zijn. Nog meer is het in tegenspraak met de Schrift! Reeds in een eerder artikel toonden wij aan, dat de apostelen die mannen kozen die vol van de Heilige Geest en van het geloof waren. Ondenkbaar is het dat deze broeders niet hebben deelgenomen aan de heilige dis. Het zou te ver voeren om aan te tonen hoe het wegblijven van ambtsdragers van de tafel in de historie is gegroeid. Zelfs verdedigd! Men zal het evenwel niet kunnen verdedigen, omdat het vanuit de Schrift niet te verdedigen is. Wij moeten maar geen dingen goedpraten die niet goed te praten zijn. En wie expliciet het bloed van Christus onrein acht tot reiniging van zijn ziel, dient geen ambt te bekleden in de gemeente des Heeren. Maar die mens verootmoedige zich en bidde: 'Heere, bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn'.
Aan de andere kant kunnen wij ons wèl voorstellen, dat er ambtsdragers zijn die de stap naar het Avondmaal niet of nog niet kunnen nemen. Met grote ernst oefenen zij hun ambt uit. Het laat ze zeker niet onberoerd, wanneer de Koning nodigt tot Zijn dis. Zij weten van schuld en zonde. Zij zijn om met David te spreken 'bekommerd vanwege hun zonden'. Zij zien zelfs dat niet hun gerechtigheid, maar de gerechtigheid van Christus ze alleen toegang tot de Tafel kan verschaffen. Toch durven zij niet aan te gaan! Toch blijven zij zitten! Wat moet er met die ambtsdragers gedaan worden? Moeten zij gedwongen worden om aan te gaan? Dat in geen geval! Wel dient aan deze broeders bijzondere aandacht besteed te worden. Men mag ze niet links laten liggen. Vooral in de prediking van het Woord dient aan hen aandacht besteed te worden. Ook in een persoonlijk gesprek met hen kunnen vele duistere zaken opgehelderd worden. Het verdient trouwens aanbeveling om in de week van voorbereiding als kerkeraad samen over het Heilig Avondmaal te spreken. Niet om elkaar te keuren of te wegen, maar om elkaar vanuit het Woord de weg te wijzen. En dat op een tere en liefdevolle wijze. Vooral dan wanneer wij broeders zien worstelen en tobben over de vraag óf zij wél óf niet mogen aangaan. Zielszorg aan elkaar in deze hoogst belangrijke zaak is van eminent belang. Waar dit gebeurt onder de zegen van de Zielzorger, Christus, daar zal het altijd vrucht afwerpen. Ook vrucht afwerpen voor die broeders die nu nog niet kunnen of durven aangaan. Laten wij maar nooit vergeten wat ons avondmaalformulier zo schoon onder woorden heeft gebracht, wanneer het spreekt over de gestalte van hen die aan de Tafel gaan. Er staat dit van geschreven: 'Want wij komen niet tot dit Avondmaal, om daarmede te betuigen, dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn; maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken, zo bekennen wij daarmede, dat wij midden in de dood liggen!' In 'Onbegonnen Werk' bladzijde 150 schrijft ds. L. Blok: 'Bedenk: wij komen niet - althans niet in de eerste plaats - aan de dis als 'hebbers', maar als 'missers', als armen van geest, die het leven buiten onszelf zoeken in de Heere Jezus Christus'. Wie als een 'misser' aan de Tafel des Heeren komt zal door Hem rijk verzadigd worden.
Slotopmerking
Ambtsdrager zijn in onze tijd is geen kleinigheid. Dat is het trouwens nooit geweest. Maar wel kunnen wij stellen, dat de problemen waarmee wij als ambtsdragers worden geconfronteerd vele en velerlei zijn. Hoe zullen wij het in het ambt volhouden? Wij houden het alleen vol, wanneer wij steeds opnieuw door de allerhoogste Ambtsdrager, Christus, worden bediend. In Hem is het ook geen onbegonnen werk dat verricht wordt. In Hem worden wij gezegend en zullen ten zegen zijn. En als wij als ambtsdrager wel eens moedeloos worden... wat dan? Dan maar zien op Hem die gezegd heeft: 'Ik zal u niet begeven, ik zal u niet verlaten'. Ziende op Hem is het een vreugdevolle dienst en niet een dienst die steeds al zuchtende wordt verricht. Ziende op Hem zal het zijn, wanneer wij ons ambt moeten neerleggen: 'Heere, het was ondanks alle moeite en zorg, toch met vreugde dat ik in uw dienst mocht staan en Gij mij daartoe uit- en inwendig geroepen hebt'. En zal dat dan niet onze grootste vreugde zijn wanneer wij mogen zien dat God onze dienst heeft willen gebruiken om mensen tot Zijn heerlijk. Koninkrijk te brengen? Dat zal vreugde geven en zijn! Gode tot eer!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's