De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Naar een christelijke universiteit?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Naar een christelijke universiteit?

11 minuten leestijd

'Van Evangelische Hogeschool tot Internationale Christelijke Universiteit'. Zo luidt de titel van een door de E. H. uitgegeven brochure, waarin de noodzaak van een nieuwe christelijke universiteit wordt belicht. In de opzet ervan wordt uitgegaan van de Bijbel als het onfeilbare, geïnspireerde Woord van God, waarin Hij openbaart 'Zijn scheppend en verlossend handelen in Jezus Christus vanaf het begin der wereld tot aan de voleinding'.

Vorige week hield de CSFR, studentenvereniging uit de Gereformeerde Gezindte, de jaarlijkse winterconferentie. Het thema was toegespitst op de verhouding van geloof en wetenschap. Op de laatste dag kwam in een forumdiscussie, waaraan werd deelgenomen door prof. dr. E. Schuurman (hoogleraar vanwege het Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte aan de VU), drs. J. van Delden, directeur van de Evangelische Hogeschool en als zodanig nauw betrokken bij het initiatief voor de nieuwe internationale christelijke universiteit, en ondergetekende, ook de kwestie van de christelijke universiteit aan de orde. In dat forum heb ik mijn sterke aarzeling laten blijken over de wenselijkheid van een christelijke universiteit. Het lijkt mij gewenst dat hier nog wat verder te verwoorden, om op deze wijze mee te denken met de broeders, die zich thans beijveren om op het terrein van het universitair onderwijs iets - zeg gerust een groot en groots karwei - te ondernemen.

In één lijn met andere instellingen?

In de Hervormde Vaan, maandblad van de Hervormde Mannenbond op g.g. heeft drs. K. Exalto ook aandacht gegeven aan de kwestie Bijbel en Wetenschap en als zodanig de vragen rondom een christelijke universiteit. Terecht wijst hij erop, dat tientallen jongeren verdrinken in de universitaire wereld vanwege de meningen, visies, stelsels waarmee ze geconfronteerd worden. Als zodanig is er alles voor te zeggen om ook in het universitair onderwijs te zorgen voor zodanige kaders, dat de christen-student zich daar in vrijheid ontplooien kan en ook in aanraking komt met docenten, hoogleraren die ook in hun wetenschappelijk bezig zijn zich aan het Woord Gods gebonden weten en de studenten mogen wapenen tegen de aanvallen, die de vorst der duisternis ook in het wetenschappelijk bedrijf op de samenleving, op de mens in de samenleving, op de kerk met name die het Woord Gods wil hoog houden, onderneemt.

In een reactie op het artikel van drs. Exalto stelt drs. N. C. van Velzen, adjunct-directeur van de Evangelische Hogeschool, dat hij het artikel van Exalto met vreugde las maar dat de noodkreet, die erachter zit, tien a vijftien jaar eerder had moeten worden geuit. De Gereformeerde Bond vooral had - aldus van Velzen - al veel erder initiatieven moeten ondernemen in de richting van christelijk universitair onderwijs.

Ik onderken - als gezegd - de gevaren die de jongeren bedreigen wanneer ze zich in de universitaire wereld begeven. Zijn ze voldoende gewapend? Slechts de wapenrusting van Efeze 6 zal echte weerbaarheid kunnen geven. En daarom sluit ik graag aan bij wat drs. van Velzen óók betoogt - de Evangelische Hogeschool kan een goed bufferjaar geven. Na een periode middelbare school, waar overigens ook reeds geducht aan het jasje van de christelijke jongeren wordt getrokken door de verschillende leef-en gedachtenwerelden, waarmee ze dan worden geconfronteerd, ook onder christelijke vlag, is het goed om eenjaar lang, vóór dat de universitaire wereld wordt betreden, een doordenking aan te gaan met geestverwanten van de verhouding van geloof en wetenschap, op de onderscheiden deelgebieden van de wetenschap. Ik laat er ook geen twijfel over bestaan dat ik respect heb voor wat de EH in dat ene jaar aan komende studenten meegeeft, ter verdere bezinning in de tijd dat ze studeren. Maar een christelijke universiteit is nog wel net iets anders. Daarover wil ik nu wat opmerkingen maken.

Kerkelijk?

Op de dag, dat de CSFR-forumdiscussie werd gehouden, stond in het Nederlands Dagblad een artikel, dat als kop had 'Prof. J. Kamphuis: Start ICU verkeerd'. Prof. Kamphuis, vrijgemaakt gereformeerd hoogleraar te Kampen had in De Reformatie het kerkelijk weekblad van de Vrijgemaakt gereformeerden, vier artikelen over de Internationale Christelijke Universiteit (ICU) in oprichting geschreven. Prof. Kamphuis miste 'confessionele gebondenheid'. Drs. van Delden had dit vertaald met 'kerkelijke gebondenheid'. Maar - zegt Kamphuis daarop - confessionele zaken kun je nooit losdenken van de kerk van Christus. Daarom vindt hij dat de kerkvraag - een aangelegen punt bij de Vrijgemaakt Gereformeerden - éérst aan de orde moet komen en vanuit de kerk (vraag) de christelijke universiteit in kwestie.

Hoeveel kritiek men ook hebben kan op het begin van de VU - aldus Kamphuis - ('gereformeerde beginselen in plaats van de gereformeerde belijdenis'), 'het profiel van de VU bij haar oprichting was toch aanzienlijker duidelijker dan van EH en ICU een eeuw later'.

Hier ligt dan overigens mijn bezwaar tegen wat Kamphuis betoogt. Afgezien van het feit of een kerkelijke universiteit (gezien de grote verdeeldheid der kerken) thans nog haalbaar is, de vraag is of een dergelijke verstrengeling - want dat is het dan toch - van kerk en hogeschool gewenst is. De VU is in dat opzicht bepaald geen lichtend voorbeeld. Ik heb mij in het forum verstout te zeggen, dat de Doleantie met het oog op de VU in het leven is geroepen en thans aan de VU ten onder gaat. Om dit te verduidelijken: zwart-wit gezegd, er móést wel een kerk komen om de theologen, die aan de in 1881 opgerichte VU opgeleid waren, een onderdak te bieden. En sindsdien is er een zó nauwe verstrengeling tussen de universiteit en de kerk blijven bestaan, dat fundamentele wijzigingen in het karakter van de VU gelijke trede maakten met fundamentele veranderingen in de Gereformeerde Kerken.

Tot na de Tweede Wereldoorlog verschafte - zo heette het in een VU voorlichtingsfolder - de VU aan de studenten argumenten tegen de evolutie theorie. Gerenommeerde wetenschappers hebben in dit opzicht aan de VU diepe sporen getrokken. Met de bioloog Lever (o.a.) werd dat echter anders. Zijn radiovoordrachten, gebundeld onder de titel 'Waar blijven we? ' (1969), was een populaire dóórvertaling van een fundamentele koerswijziging in het evolutievraagstuk aan de VU naar de gemeente toe. En in diezelfde tijd schreef dr. H. M. Kuitert zijn eveneens op de gemeente afgestemde boekje 'Verstaat gij wat gij leest' een boekje waarin een Schriftvisie werd vertolkt, die niet meer uitgaat van het in de formatie beleden feit, dat de Schrift haar eigen vertolkster is en gezag in zichzélf heeft. De resultaten van met name de natuurwetenschappen moesten tot een ander verstaan van de Schrift leiden. Ik stel daartegenover - en besef daarbij dat dat veel meer toelichting behoeft - dat de evolutietheorie wetenschappelijk ondeugdelijk is en dat derhalve vermeende wetenschappelijke resultaten als hefboom gingen dienen voor het Schriftverstaan. Waarmee tevens de Schrift als dé (enige) bron en norm is losgelaten. In de nauwe koppeling van theologie als wetenschap en andere vakwetenschappen, vanuit een kerkelijk-bepaalde opzet van een universiteit als de VU (ten tijde van de oprichting althans), ligt het grote gevaar dat de kerk méé in het verval raakt, waarin de christelijke universiteit terecht komt. Men lijdt aan elkaars decadentie! Daarom is de VU voor de kerken dunkt me een baken in zee.

Geen confessie?

Iets anders is de vraag of we ook in de wetenschap niet uit de confessie en bij de confessie moeten leven. In wat ik nu schrijf beken ik vooraf enigszins eenkennig de kwestie vanuit de hoek van de natuurwetenschap te benaderen. Ik herinner dan aan artikel 2 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis, waarin gesproken wordt over het kennen van God (óók) door de schepping, onderhouding en regering van de gehele wereld 'overmits deze voor onze ogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen' .

We mogen God weliswaar 'klaarder en voorkomener' kennen door Zijn Woord. Maar wj God uit Zijn Woord als Schepper kent mag in Zijn schepping Zijn hand ontdekken. Die mag uit de schepping halen, óók wetenschappelijk, wat er in zit (Psalm 8). Heere onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

We mogen uit de schepping halen wat de Schrift ons als zodanig niet openbaart. Dat de hele materie uit enkele kleine bouwsteentjes opgebouwd is tot een architectonisch geheel, vermeldt ons de Schrift niet. Door wetenschappelijk vorsen mocht dat worden ontdekt. Zo leren we Gods wondere werken uit Zijn schepping ook door wetenschappelijk onderzoek kennen. Zoals de arbeid een goddelijk beroep genoemd wordt zó mag de wetenschap wel een goddelijk bedrijf heten. God heeft de mens bijna goddelijk gemaakt, heeft hem de macht gegeven om diep in de geheimen van de schepping door te dringen en deze bloot te leggen. En daarom, in het wetenschappelijk bezig zijn - los van ideologische vooronderstellingen althans - zal het zó zijn, om het bekende woord van Galileï aan te halen, dat de werken van Gods mond (Zijn Woord) en van Zijn Hand (Zijn schepping) elkaar niet kunnen tegen spreken. Ik heb als zodanig weinig behoefte aan de uitdrukking christelijke natuurwetenschap. De natuurwetenschap - mits binnen de grenzen van het haar toevertrouwde, namelijk het fysisch waarneembare, - is op zich christelijk genoeg. En levend bij de Openbaring mag ik weten, dat God in Zijn schepping méér heeft gelegd dan wat fysisch waarneembaar en wetenschappelijk bewijsbaar is. Het behoort tot onze belijdenis dat wetenschap zich bezig houdt met Gods schepping en dat die Schepping (als daad Gods) in feite nooit te doorgronden is, voorwerp is van geloof.

Fundamentalisme

Kamphuis is intussen beducht dat in een wetenschappelijk samengaan van gereformeerde en evangelische christenen het juist ook wat het confessionele betreft wel eens fout kan gaan. Ik deel die beduchtheid. Hij schrijft: 'Ik zie de schade dan inzonderheid bij de huidige 'evangelische' beweging hier optreden, dat men keer op keer op rationalistische wijze met de Bijbel opereert: de Schrift (uit haar eigen levensverband losgemaakt) wordt tot een tekst-boek voor de wetenschap en men verkeert in het permanente gevaar het dóél, het eigen nut van de Schrift voorbij te zien!

Ik deel met Kamphuis - bij alle waardering voor het belijden van het gezag van de Schrift en het bestrijden van ideologisch bepaalde wetenschapsuitingen als de evolutieleer in evangelisch-wetenschappelijke kringen - een aansluiting bij amerikaans-fundamentalistische stromingen, die inderdaad de Bijbel tot tekstboek van wetenschapsbeoefening maken. Om dan het wetenschappelijk bezig zijn zó op te zetten dat men komt tot de uitroep (met de titel van een boek van Werner Keller) 'De Bijbel heeft toch gelijk'. Maar Keiler heeft géén gelijk. Ook zonder wetenschappelijk bewijs is de Schrift waar, als Godsopenbaring.

Kort en goed, voor mij zitten in de creationistische opvattingen, zoals bv. in het boek van Rehwinkel over de Zondvloed, net zo veel onwetenschappelijke vooronderstellingen als in de evolutietheorie.

De vraag is bij alles ook hoe binnen een nieuwe christelijke universiteit de theologische opleiding (als die er komt, met alle kerkelijke consequenties vandien) zich dan verdraagt tot de andere vakwetenschappen. Bij de VU is van een samenhang gebleken. Dat zal óók aan een nieuwe christelijke universiteit het geval zijn. Men zal 'school' gaan maken. Gaat het dan om geformeerd belijden aangaande de Schrift en over de consequenties daarvan in het (natuur)wetenschappelijk bezig zijn? Of gaat het om een fundamentalistische benadering, zoals Kamphuis aanstipt? De vraag, die er voor mij aan vast zit, is of het wetenschappelijke, gedekt onder een bepaalde christelijke vlag, dan wel wetenschappelijk heten mag.

Meedenken

Ik besef dat het onmogelijk is in één artikel de zaken, waarom het gaat, uitputtend te behandelen. Ik wilde slechts enige verduidelijking geven op wat uit de forumdiscussie reeds in de pers kwam. Het gaat om het zicht op de Schrift (als openbaring van Godswege voor de hele wetenschap ook), om het beoefenen van wetenschap in de vreze Gods (óók in de doordenking van de ethische vragen) maar óók om zicht op de wetenschap op zich, en de eigen aard van elke wetenschap, bij het licht van Gods Openbaring.

We zullen mee moeten denken met hen die serieus met deze vragen bezig zijn. Maar het gaat dan ook niet om een bagatel. De vraag is verder ook of men als christen uit een innerlijke vrijheid aan een openbare universiteit frank en vrij in het veld van de wetenschap kan staan. Want - en daar ligt ook mijn zorg ter anderer zijde - geen enkele wetenschap wordt in de praktijk waardenvrij bedreven. Zelfs de theologie niet. En dan bedoel ik wat dit laatste betreft dat andere, menselijke, ideologische waarden dé waarde van de Godsopenbaring kunnen verdringen.

Reacties op dit thema zijn mij overigens, met het oog op een grondige doordenking, welkom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1983

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Naar een christelijke universiteit?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1983

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's