Onze heilige dienst
Openingswoord predikanten conferentie
Ik denk, dat in menige pastorie een stukje lijden of misschien wel een heel stuk lijden onder een loodzware last van verplichtingen wordt aangetroffen.
Hebt u ook zo'n volle agenda? Het is een veelheid van taken en plichten, waarvoor wij elke week weer staan en waaraan onze agenda ons herinnert. Daar zijn om te beginnen de vergaderingen. Die van onze wijkkerkeraad, dikwijls voorafgegaan door een voorbereidende vergadering van het moderamen. Daar zijn de vergaderingen van de centrale kerkeraad, van het ministerie, van het breed ministerie van de ring, van de classis. En mogelijk maakt u nog deel uit van bepaalde kerkelijke lichamen en organen, die ook elk hun vergaderingen hebben. Naar een wat navrant woord vergaderen wij immers tot wij vergaderd worden... Dan hebben wij aandacht te geven aan zieken en bejaarden, aan het jeugdwerk en de zondagsschool, aan het evangelisatiewerk en de plaatselijke zendingscommissie.
De kopij voor de kerkbode is een steeds wederkerend werk en o wee als wij een belangrijke gebeurtenis vergeten aan te kondigen. Er zijn de bejaardenmiddagen en bijbel-en/of andere kringen in de gemeente.
Geboortebezoeken moeten worden gebracht, doopzitting gehouden, begrafenissen geleid. Wij moeten acte de presence geven op recepties. En even een jarige collega gaan feliciteren of een lid van de kerkeraad. Er moet noodzakelijk een bespreking zijn met mevrouw X van het comité voor dit of dat, en met mijnheer Y van de commissie voor hier en daar. En tussen dit alles door die telefoon! Soms 20, 30 keer op een dag. Op alle mogelijke en onmogelijke momenten, bij voorkeur onder het eten, 'want dan is dominee wel thuis'.
En dan is er het pastoraat aan mensen in zorg en nood. Dan zijn er de uren catechese. Dan is er de voorbereiding op de prediking. Dan is er onze correspondentie en administratie. Dan stapelen de periodieken zich op waarvan we toch graag kennis willen nemen. En als we dan ook nog theologisch willen bijblijven wanneer moet dat dan gebeuren? Mogen we ook nog aandacht geven aan ons gezin, onze familie en vrienden? Mogen en kunnen we, met uitzondering van onze vakantieweken, steeds maar weer zeven dagen van de week in touw zijn? Vinden we nog rust om ons op ons werk te bezinnen en op onze primaire verantwoordelijkheden voor te bereiden - of jagen we maar voort van het een naar het ander en moeten we allerlei woorden maar uit de mouw schudden, al dan niet die van onze toga?
Op de goede weg?
Zijn wij zo op de goede weg, broeders? Ik meen van niet. Ik denk, dat in menige pastorie een stukje lijden of misschien wel een heel stuk lijden onder een loodzware last van verplichtingen wordt aangetroffen. Menigeen heeft het gevoel nooit meer klaar te zijn en wanneer eindelijk eens een vrije dag genomen wordt is er schuldgevoel, omdat dit eigenlijk niet zo mag.
Wat zijn van dit alles de gevolgen? Want natuurlijk blijven de gevolgen van een overvolle agenda, een tot over de rand van het mensmogelijke gevuld programma niet uit. Vooral niet, wanneer dit jaren achtereen voortduurt. Dan denk ik aan de volgende konsequenties:
a. Daar is het gevaar van verwaarlozing. Om te beginnen die van ons gezin en onze fa- milie. Wie getrouwd is en kinderen heeft loopt de kans aan elk lastig geval en iedere zeurderige mevrouw éérder aandacht te geven dan eigen vrouw en kinderen. Is het dan een wonder dat zij soms klagen: wanneer zijn wij nu eens aan de beurt? Dominee moet tijd en begrip hebben voor iedereen, heeft hij ook tijd en begrip voor de rechtmatige verlangens van vrouw en kinderen?
b. Door dit alles kan de gezondheid danig verwaarloosd worden, soms uitlopend op een overspanning, soms op kwalen van meer lichamelijke aard. De ene keer zal nog weer een volledige genezing volgen, maar een andere keer zal men nooit de oude zijn. Soms zal men dan zuchtend naar het emeritaat toeleven, soms - afgekeurd - een moeitevol en financieel karig bestaan lijden.
c. Ook al is het onder a. en b. genoemde niet of nog niet het geval, ik ben van overtuiging, dat ons werk in vele gevallen door het 'te veel' geschaad wordt door verschraling. We zijn niet fris meer. De vreugde is er vaak uit. We kunnen er niet goed meer tegenop. We raken theologisch helemaal achter. We gaan lijden aan de gevreesde kleingeestigheid. We komen in een tredmolen. Het eigen geestelijk leven zakt in. We worden bedrijfsblind.
d. En door dat alles is er geen of nauwelijks tijd meer voor elementaire zaken, waarvan ik er een drietal wil noemen: het gebed, de voorbereiding op de prediking en de bezinning op het concrete werk. Als wij belijden, dat het gebed een macht is - behoort een pastorie dan niet te zijn een huis van veel gebed? Is dat niet te meer nodig, omdat de boze vooral zijn aanvallen richt op de predikers van het Evangelie? Moeten wij ons niet weer voortdurend en indringend stellen voor Gods aangezicht, opdat Hij ons loutere en bevrijde van vrees voor de mensen, ongeloof, gebrek aan liefde, onreinheid? En stillen wij, naar een woord van Helmut Thielicke, onze eigen dorst aan de Bijbel ('Leiden an der Kirche', S. 17)?
Hoe staat het met de voorbereiding op de prediking? Daarvoor is veel tijd nodig. Tijd om de tekst en het tekstverband te onderzoeken: filologisch, grammaticaal, theologisch. Tijd om het te doordenken, de stof te ordenen en homiletisch af te ronden. Er moet, zo wordt in toenemende mate gezegd, bevindelijk gepreekt worden. Ik ben de laatste om dat te ontkennen. Maar er kan en moet méér gezegd worden: er moet grondig geëxegetiseerd worden, er moet bijbels gepreekt worden, d.i. het geheel van de bijbelse verbanden moet worden recht gedaan, de goddelijke boodschap van zonde en genade, schuld en vergeving moet helder en klaar worden gebracht, wet en evangelie mogen noch verwisseld noch verengd worden.
Bij dit alles hebben wij voortdurend tijd van bezinning en voorbereiding nodig op het geheel van ons werk en op de onderdelen ervan. Moeten wij niet voortdurend weer stil worden voor Gods aangezicht om te letten op de hand onzes Heeren (Ps. 123)? Moeten wij niet voortdurend onze ziel laten vullen, willen wij kunnen uitgaan tot anderen?
Vruchtbaar
Het komt mij voor, dat we ons jachtig bezigzijn in het ambtelijk werk niet alleen zullen moeten herzien vanwege de nu opgesomde gevolgen, maar ook nog vanwege andere motieven. Bijv. omdat wij daarvoor toch eigenlijk niet zijn opgeleid. Er is onze kerk van meetaf veel aan gelegen geweest, dat haar dienaren van het Woord academisch zouden gevormd zijn. Maar voor kerkelijke manager zijn wij niet opgeleid. Een ander motief is dat van de nog verder toenemende devaluatie van het predikants-ambt, als wij blijven doorgaan met zoveel oneigenlijke zaken, die zich in de nabije toekomst eerder zullen uitbreiden dan inperken. Het gewichtigste motief is evenwel hierin gelegen: zijn wij op de geschetste wijze het meest vruchtbaar bezig in Gods Koninkrijk? Vraagt de Heere het van ons, dat wij zo druk bezig zijn met veel dienen, ons bekommeren en verontrusten om zó veel dingen? (Lukas 10). Zijn gemeente en kerk hierbij het meest gebaat? Ik vraag u: delen wij ook in de praktijk de gereformeerde visie op het predikantswerk, zoals die verwoord is in het klassiek formulier voor de bevestiging van de dienaren des Woords? Wellicht ten overvloede haal ik u nog even voor de geest hoe daar vier elementen worden genoemd die ons werk uitmaken: de 'verkondiging van het goddelijke Woord, met de aanklevende bediening der gebeden en der heilige sacramenten'. Als laatste element wordt dan genoemd het regeren van de gemeente Gods.
In gedachten hoor ik uw reactie: ja maar die tijd tóen en nu, dat maakt me nogal geen verschil! Er zijn in de loop van de tijden zó veel dingen gewijzigd, zó veel aktiviteiten in een kerkelijke gemeente ontstaan, dat het eigenlijk geen vergelijk is. Ik geef u dat toe. Althans, gedeeltelijk. Want er staat tegenover, dat vele beslommeringen van toen ons nu vreemd zijn en dat wij de beschikking hebben over vele voordelen en gemakken.
Maar het gaat er om welke prioriteiten wij stellen. Niet óf wij deze stellen. Want dat doen wij noodgedwongen allemaal. Maar het is de vraag welke dat zijn. En dan meen ik, dat het voluit gereformeerd is en volstrekt in overeenstemming met onze heilige dienst, als wij in alles de voorrang geven aan de verkondiging van het goddelijke Woord. Wij heten niet voor niets predikant. En ik voor mij wil niet anders zijn dan een dienaar van het Evangelie. Niet minder. Vooral niet meer.
Ons leven staat in het teken van de verkondiging van het Woord, dat in de kracht van de Heilige Geest mensen herschept, ja, doden levend maakt. Met dit Woord staat én valt de kerk. Daarom is de vorst der duisternis voor niets zo bang als voor dit Woord. Naarmate onze tijd verdorvener wordt en de mensen geestelijk zieker en wanhopiger maakt, zullen wij al onze kracht hebben aan te wenden om het medicijn aan te reiken, dat hoewel in eerste instantie niet welkom toch genezende en regenererende kracht in zich bevat. Daartoe moet onze studeerkamer weer echt studeer-en bidvertrek worden als hij dat niet of veel te weinig meer is.
Opbouw van de gemeente
Door de rechte prediking zal de gemeente gebouwd worden. Door haar ook alleen. Geloven wij zelf nog in de kracht van de prediking? Als wij het niet of maar zwak doen, is dat dan soms omdat wij de kracht van het goddelijk Woord aan ons eigen hart niet of niet meer ervaren? Is dat dan soms, omdat wij zelf niet meer stil worden, om te luisteren naar hetgeen de Heere tot ons zelf te zeggen heeft? Is dat dan soms, omdat wij al te lang van en met allerlei waarheden leefden, maar wij langzaam aan vervreemdden van Hem die de Waarheid is? Op grond van de belofte van de Heere God ben ik overtuigd van de wervende kracht van de prediking ook voor het einde van de 20e eeuw, mits zij het Woord Gods in zijn hoogte en diepte, in zijn lengte en breedte zoveel als ons maar mogelijk is recht doet. En mits zij is ingebed in het geheel van een dienst die een veel meer verzorgd en eerbiedig karakter behoort te dragen, dan naar ik waarneem veelal het geval is. Maar daarover hoop ik bij een andere gelegenheid nog eens te handelen.
Welke prioriteiten stellen wij? Uitgaande van de prediking mét de gebeden en bediening van de sacramenten, lijkt het mij geheel verantwoord om hierna het pastoraat te noemen: het herderlijk gesprek, waarbij de omstandigheden van het leven van het bezochte gemeentelid worden gesteld in het licht van het vermanend en vertroostend Gods Woord. Hierna denk ik aan de geestelijke vorming van de jeugd der gemeente, opdat zij het Woord leert verstaan en in geloof en gebed gaat leven.
Suggesties
En al die andere dingen dan, die onze agenda vullen? Ik wilde wel, dat ik het u kant en klaar kon zeggen. Misschien was u ermee geholpen. In elk geval was ik het dan zelf. Maar ik weet het ook niet precies. Toch geef ik nog enkele suggesties.
1. Gaat voor uzelf na, of die overvolle agenda u drukt. Mocht dat niet het geval zijn, dan hebt u zich in het begin van mijn verhaal niet herkend. Nu, dan heb ik mij vergist en prijs ik u gelukkig.
2. Zegt u: ja, mijn werk wordt inderdaad gekenmerkt door veel te veel gehaast en gevlieg, en op deze wijze geeft het mij steeds minder bevrediging; zo gaat het niet goed - ga dan eens na of u wel echt bereid bent het op een andere manier te doen. Bent u bereid bepaalde dingen los te laten. Soms kunnen wij ook maar heel moeilijk iets uit handen geven. En zijn we soms ook niet eens te bang om nee te zeggen.
3. Het zou kunnen zijn, dat u wel weet van een overvolle agenda en soms daaronder zucht, maar helemaal niet door hebt, hoe de kwaliteit van het werk daaronder lijdt, doordat u eigenlijk permanent voor uzelf op de vlucht bent. En deze situatie acht ik al heel gevaarlijk.
4. Bespreek een en ander eens in uw gezin: hoe wordt daar de situatie die in de loop van de langere of kortere jaren van uw ambtelijk werk zo is gegroeid, ervaren?
5. Doe hetzelfde in uw kerkeraad. Dat kan vast en zeker wel lijden. De broeders zijn wellicht bereid u veel meer terwille te zijn dan u denkt, als zij maar wat meer inzicht hebben gekregen in al die dingen die op ons afkomen. In elk geval hebt u een 'handvat' in deze toespraak die zij volgende week in 'de Waarheidsvriend' kunnen lezen.
6. Mogelijk zijn er in kerkeraad en gemeente krachten te mobiliseren, die u een aantal dingen uit handen nemen. Dat deel van de gemeente dat de dingen des Heeren verstaat en daaruit leeft, zal het zeker alleen maar waarderen, als men u wat minder van het één naar het ander ziet jakkeren, maar uw primaire werk wint aan gehalte, diepte en godsvrucht.
En wat de klagers en murmureerders aangaat - deze zijn toch nooit tevreden te stellen.
Heilige dienst
Eerder sprak ik over onze heilige dienst. Dat is een aanhaling uit het bevestigingsformulier. Wanneer onze confessie de gereformeerde is, dan hoort daar ook bij, dat wij onze dienst als een heilige beschouwen, dat wil zeggen, als een dienst aan de heerlijke en heilige God, die mensen wil gebruiken. Dat vergt dan ook van ons, dat wij bereid zijn ons werk kritisch te bezien en te bespreken, opdat het zo vruchtbaar mogelijk zal zijn voor onze God, naar de gaven die Hij ons heeft toevertrouwd. Ik heb deze dingen in uw midden neergelegd, niet in de mening het verlossende woord te hebben kunnen spreken, maar wel in de hoop, dat het gezegde bijdragen zal tot zelfonderzoek én verlichting van hetgeen te zwaar is geworden of dreigt te worden.
Zou dit laatste het geval zijn, dan vatten wij ook weer moed voor dat 'heerlijke werk', waardoor nog altijd 'grote dingen uitgericht worden'. Zeker, het gebeurt in zwakheid en met gebrek.
En er blijven teleurstellingen en verdrietelijkheden te over, die ons eraan herinneren, dat onze heilige dienst die wij verrichten sub specie aeternitatis altijd geschiedt onder het kruis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's