De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samen op weg: Ook met Rome? (slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samen op weg: Ook met Rome? (slot)

8 minuten leestijd

Roept de openbaring, de verkondiging ons niet weg uit onze al dan niet religieuze werkelijkheidsbelevingen?

Openbaring en ervaring

Vorige keer gaven we een verslag van de lezing van prof. dr. Luchesius Smit met daarbij in hoofdzaak enkele vragen naar onszelf toe. In de discussiegroep, waarin ik zat en ook in de plenaire middagvergadering is nogal uitvoerig aandacht gegeven aan de verhouding openbaring-ervaring. De vraag luidt dan: Gaat in het denken van Smit (en in dat van veel moderne R.K. theologen) de ervaring (is: de manier waarop de mens van vandaag de wereldwerkelijkheid beleeft) niet een dermate overheersende rol spelen, dat er van het tegenover van de openbaring niets overblijft? De openbaring gaat wel in in de werkelijkheid. Dat maakt ook de beschouwing van Smit boeiend. We hebben er allemaal mee te maken. Maar de openbaring komt toch niet op uit de werkelijkheid?

Van de vier verschillende wereldervaringen (zie vorige artikel) zegt Smit, dat gelovigen en ongelovigen deze met elkaar gemeen hebben. Alleen, als gelovige geef ik een goddelijke verdieping aan de door mij ervaren werkelijkheid. In de discussie werd echter de vraag gesteld: Roept de openbaring, de verkondiging ons niet weg uit onze al dan niet religieuze werkelijkheidsbelevingen? M.a.w. openbaring is toch altijd iets, dat van de andere kant komt en ervaring - hoe diep religieus misschien ook - is toch altijd iets van beneden, van deze kant?

Een tegenstelling?

In zijn beantwoording van bovengestelde vragen, ontkende Smit, dat er een tegenstelling is tussen openbaring en ervaring. Daarbij ging hij uit van de volgende redenering. Ervaring is niet alleen maar waarneming, maar ook interpretatie van deze waarneming. We komen dat elke dag in het leven tegen: twee mensen nemen precies hetzelfde waar, maar wat de een als adembenemend ervaart, dat doet een ander soms niets. Wanneer nu datgene wat waargenomen wordt, geïnterpreteerd wordt vanuit God en zijn daden (op grond van een diep religieuze overtuiging), dan spreken we van openbaring. Openbaring staat dus niet tegenover ervaring. Openbaring is slechts een bijzondere wijze van werkelijkheidservaring. In het boekje, dat aan deze studiedag ten grondslag lag (zie eerste artikel), is ook een paragraaf gewijd aan openbaring en ervaring (blz. 41-46). Er wordt gesignaleerd, dat hier een knelpunt ligt in het gesprek Rome-Reformatie. Anderzijds wordt gesteld, dat zowel bij Rome als de Reformatie de scherpe kantjes wat van deze tegenstelling zijn afgegaan. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft meer aandacht voor de Schrift als unieke overlevering en anderzijds is er binnen het protestantisme de groeiende overtuiging, dat er een wederkerigheid is tussen openbaring en ervaring. In dit verband wordt verwezen naar het rapport over het Schriftgezag, dat binnen de Gereformeerde Kerken verscheen: God met ons.

Toch liggen hier nog wel wat problemen, zegt het boekje, maar één voordeel hebben we dan toch: Het vraagstuk van openbaring en ervaring is een gemeenschappelijk vraagstuk geworden. Tussen twee haakjes: dat is toch wel het teleurstellende van boekjes als deze. Er wordt eindeloos in-en uitgepraat. Als momentopname van de stand van het gesprek is het wel interessant, maar slechts zelden wordt een keuze gemaakt.

Overbrugbaar?

Is het nu inderdaad waar, wat Smit stelt en wat het boekje min of meer suggereert, dat de tegenstelling openbaring-ervaring een schijntegenstelling is? Benadert men dit vraagstuk godsdienstfilosofisch of fenomenologisch, dan heeft Srnit ongetwijfeld gelijk. Wanneer mensen zeggen, dat iets voor hen een openbaring geweest is, dan kunnen we dit inderdaad alleen maar duiden als waarneming, als religieuze interpretatie. Dus openbaring is niet anders dan een bijzonder exemplaar van de algemene soort ervaring. Maar: aan heel deze kijk op openbaring en ervaring gaat een keuze vooraf. Namelijk de keuze om het bijzondere verschijnsel openbaring te benaderen vanuit het algemeen bekende verschijnsel religieuze ervaring. Maar is de openbaring, waarvan de H. Schrift getuigenis aflegt, niet zó uniek, dat zij niet past in onze interpretatie schema' s? Moeten we niet vanuit het bijzondere van deze openbaring beginnen, om van daaruit alle menselijke religieuze en niet-religieuze ervaring te toetsen? Zal dan ook niet blijken, dat de openbaring zichzelf een eigen ervaringswerkelijkheid schept, die wel verband houdt met de wereldervaring van een bepaalde tijd, maar die deze tegelijk overstijgt?

Oude tegenstellingen overwonnen?

Het verhaal, dat Smit hield op de studiedag, staat niet op zichzelf. Om het boekje te citeren: 'Aanknopend bij een lang en rijk verleden schrijven hedendaagse rooms-katholieke auteurs , dat zij in hun theologie uit twee bronnen putten, die op kritische wijze voortdurend met elkaar in kontakt dienen te zijn. Deze twee bronnen zijn: a. De ervaringstraditie van de grote joods-christelijke beweging en b. de hedendaagse nieuw menselijke ervaringen van christenen en niet-christenen' (pag. 42). Welke mooie woorden het boekje nu verder nog aan deze zaak wijdt, mij bevestigt het alleen maar in de gedachte, dat hier tussen Rome-Reformatie een onoverbrugbare tegenstelling ligt. Dat dit vandaag binnen de reformatie niet meer zo aangevoeld wordt, zegt weinig van veranderingen bij Rome, maar des te meer van veranderingen binnen de reformatorische kerken. Ik kan mij steeds minder aan de indruk onttrekken, dat we in deze 20e eeuw bezig zijn heel de 18e en 19e eeuw op dit punt nog een keer over te doen. Waarom willen we niet van het fiasco van de 19e eeuwse theologie leren? Heel de Kerkgeschiedenis is trouwens één groot bewijs daarvan, dat overal waar twee bronnen van Godskennis worden gehanteerd: natuur én genade. Schrift én traditie, Openbaring én rede, openbaring én gevoel etc. etc, altijd Schrift en openbaring het loodje leggen ten gunste van de tweede component. Het einde is dan ook altijd weer, dat de mens, die eerst zoveel inspraak wilde naast de openbaring, eenzaam achterblijft, omdat er van openbaring in feite geen sprake meer is.

Reaktie

Hoezeer de problematiek openbaring-ervaring een problematiek is, die alle eeuwen door gespeeld heeft, toch is er in de hedendaagse nadruk op ervaring ook duidelijk sprake van een reaktie. Waarom ligt juist in de R.K. kerk de laatste jaren alle nadruk op de menselijke ervaring? Dat werd mij opnieuw duidelijk in de felle reakties van.R.K. zijde, toen ik 's middags in de discussie een pleidooi voerde voor openbaringstheologie. Rooms-katholieken krijgen bij het woord openbaringstheologie alle schrikbeelden weer voor ogen van een kerk, die je wel eens precies voor zal schrijven, wat je moet geloven. Scholastieke theologie en autoritaire structuren zijn één grote nachtmerrie voor hen geworden. Ze beleven in de moderne ervaringstheologie een bevrijding en ze reageren heel emotioneel, wanneer ze het gevoel krijgen, dat iemand hen deze bevrijding weer wil afnemen door over openbaring als iets van de andere kant te gaan spreken.

Gereformeerden (ik bedoel nu leden van de Gereformeerde Kerken) hebben dit minder, maar toch ook eniger mate. Zij zijn opgevoed met een zeer formele Schriftleer en een vaak meer wettische dan bevindelijke binding aan de belijdenis (althans: zo hebben velen het ervaren). Vandaar, dat ook hier door velen de moderne ervaringstheologie (Kuitert c.s.) als een bevrijding wordt beleefd. Hier zou ook wel eens één van de achtergronden kunnen liggen van herkenning tussen Rooms-Katholieken en Gereformeerden, die soms opmerkelijk is, als je deze vergelijkt met de herkenning tussen Rooms-Katholieken en leden van andere protestantse kerken. Hoe het ook zij, dat er bij beiden van een reaktie sprake is, is duidelijk.

Sleutelpositie voor Hervormden

Bezien we nu het bovenstaande, dan moeten we zeggen, dat de Hervormde Kerk de meeste ervaring heeft opgedaan in haar kerkelijk leven met bovenstaande problematiek. Heel de 18e en 19e eeuwse ervaringstheologie heeft ze verwerkt, toen de R.K. kerk nog hermetisch gesloten was en de Gereformeerde Kerken nog niet bestonden. Welke bijdrage kan de Hervormde Kerk nu leveren in het hedendaagse gesprek over openbaring en ervaring, uitgaande van de kennis, die ze in haar eigen geschiedenis heeft opgedaan? M.i. alleen deze bijdrage, dat ze ernstig waarschuwt voor overschatting van de component ervaring. Want met de stukken is aan te tonen, dat de Ned. Hervormde Kerk alleen nog bestaat doordat toch elke keer de openbaring het weer won van de ervaring. Beter gezegd: doordat de levende Christus in de opening van de Schriften (vgl. de Emmaüsgangers) telkens weer opstond in zijn vervallen kerk, bestaat onze kerk nog. Als de 18e en 19e eeuwse ervaringstheologen hun zin gekregen hadden, was er van onze kerk vandaag niets anders overgebleven dan een religieus-humanistisch genootschap. Wie dat beseft kan niet anders dan krachtig waarschuwen tegen de hedendaagse mode van de ervaringstheologie. Een mode, die men dan n.b. ook nog wil benutten om de kerken samen op weg te laten gaan. Het zorgelijke is, dat in het midden van onze kerk de echt reformatorische stemmen in de ontmoeting met Rome steeds zwakker worden. De tijd, dat Noordmans, van Ruler en Barth hun diepgaande reformatorische opmerkingen maakten in het gesprek met Rome lijkt voorbij. Leerlingen van genoemde theologen misbruiken respektievelijk hun pneumatologie en christologie, door de rijkwijdte van Christus en de Geest zo universeel te maken, dat dit wonderwel aansluit bij allerlei vormen van natuurlijke (ervarings)theologie. Misschien wordt het tijd, dat vanuit onze gelederen mensen zich in deze zaken gaan verdiepen om zo een werkelijk reformatorische bijdrage te kunnen leveren aan het gesprek met Rome.

Voorwaarde daartoe is, denk ik, wél, dat we solidair zijn met onze gesprekspartners in het aanvoelen van de problematiek, waarin we (ook cultureel gezien) terechtgekomen zijn. Dan pas zullen onze opmerkingen hout snijden. Wat natuurlijk nog weer wat anders is dan dat ze met applaus ontvangen worden. Daar moeten we maar niet teveel op rekenen. Per slot van rekening is de reformatorische prediking een ergenis voor ons allen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Samen op weg: Ook met Rome? (slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's