Luther, de trooster van aangevochtenen (2)
Luther heeft geweten hoe vertroostend het kan zijn om te bemerken dat je niet de enige bent die zo onder vuur ligt.
Omdat Luther zelf in het vuur van de aanvechtingen gelouterd is, kan hij voor anderen, die in dezelfde strijd verkeren, een begrijpende trooster zijn. Luther heeft over zijn eigen aanvechtingen niet gezwegen. Integendeel, hij heeft geweten hoe vertroostend het kan zijn om te bemerken dat je niet de enige bent die zo onder vuur ligt. Daarom schrijft hij aan een vrouw die erg aangevochten werd vanwege de eeuwige voorzienigheid: 'Want ik ken deze krankheid goed en heb tot op de eeuwige dood in dit hospitaal gelegen. Nu wilde ik u boven mijn gebed uit u raad geven en troosten. Weliswaar is mijn brief in zulk een zaak een zwak ding, maar zoveel ik kan zal ik het niet nalaten, voor, zover God daarvoor genade geven wil. En ik wil u laten zien hoe God mij er vanaf geholpen heeft en met welke kunst ik mezelf nog dagelijks daartegen overeind houd'. Wie aangevochten wordt, vreest vaak dat hij de enige is, die zo'n zielestrijd kent. Daarom zegt Luther in zijn 'Troost voor een mens in grote aanvechtingen' al direct aan het begin: 'Ten tweede moet hij (de aangevochtene) niet denken dat hij het alleen is die zo'n aanvechting vanwege de zaligheid heeft, maar veel meer lijden her en der in de wereld hetzelfde'.
Indeling van aanvechtingen
Luther heeft geen systematische leer van de aanvechtingen opgebouwd. Het is immers niet mogelijk om zoiets als aanvechtingen in een systeem in kaart te brengen. Wel zien we dat Luther onderscheiden heeft tussen verschillende soorten van aanvechtingen. De belangrijkste onderscheiding is die van lage en hoge aanvechtingen. De lage aanvechtingen zijn die aanvechtingen die wij beter verzoeking kunnen noemen, zoals die er zijn in tegenspoed en voorspoed van het leven. De hoge aanvechtingen zijn de geestelijke aanvechtingen, de aanvechtingen van het geloof en van de zekerheid van het heil, die tot gevolg hebben dat men vreest niet zalig te kunnen worden. Er is ook een onderscheiding tussen zware en zwaarste aanvechtingen, al wil dat niet zeggen dat er een duidelijke indeling naar ernst van de aanvechtingen bestaat. In het heetst van de strijd is elke aanvechting de zwaarste. De duivel kan de gelovigen met verschillende wapenen in zware strijd brengen, een strijd op leven en dood, geloof en vertwijfeling.
Het vlees
Eén van de wapenen van de aanvechter is het vlees. Wij moeten bij de vleselijke aanvechtingen niet denken aan sexuele verleiding en verzoekingen die bijzonder met het lichamelijke te maken hebben. Vlees is de mens zoals hij is in zichzelf, in zijn ijdel zelfvertrouwen. 'De vleselijke aanvechtingen betekenen de verzoeking zich op zichzelf te verlaten en in plaats van in het geloof in de werkgerechtigheid te leven. De aanval op het geloof geschiedt daarbij van de kant van het vlees, vanuit de werkelijkheid: de mens moet aan de heerschappij van God onttrokken worden en alleen voor het "Diesseits" gesteld worden. Met het lichaam of sexuele begeerte hebben deze aanvechtingen niets te maken; ze zijn een geestelijke strijd waarin het om de ganse existentie van de mens gaat en niet slechts om eigenschappen of fouten aan hem. De Gode vijandige macht van de satan werkt daarin door, die het op de vernietiging van het geloof voorzien heeft', (Paul Bühler, Die Anfechtung bei Luther, 34).
De wereld
Ook de wereld kan een instrument van de aanvechter worden om de aanval op het geloof uit te voeren. Het gaat dan hierbij om de vragen en aanvechtingen die er zijn vanwege het raadselachtige van het Godsbestuur in het persoonlijke leven en op het terrein van Gods wereldregering. Vele dingen zijn er waardoor de mens verzocht wordt tot ontevredenheid en opstand, tot moedeloosheid en wanhoop aan Gods leiding. En de satan maakt er gretig gebruik van om de gelovige te laten denken dat God hem vergeten is, of dat Hij toornig op hem is, en dat hij daarom zo in uiterlijke nood verkeert. Het kan de gelovige bang om het hart zijn als hij zoveel om zich heen ziet, in deze wereld, dat met Gods bestuur strijdig lijkt te zijn, dat de angstige vraag in het hart klinkt: Regeert God wel? De aangevochten vraag wordt: waarom gaat het in de wereld toch zoals het gaat? Waarom zit het de slechten vaak alles mee en hebben de vromen het zo vaak slecht? Vaak is er ook sprake van ontevredenheid met het leven zoals het is, onder Gods leiding. Een ontevredenheid die altijd meer wil en niet tevreden is met de gegeven plaats in deze wereld. 'Alle aanvechting is het vergeten van het tegenwoordige en de begeerte naar het toekomende, zoals Eva in het paradijs.' Er is de verleiding om te denken dat God de wereld niet recht gemaakt heeft en bestuurt, ja de verzoeking om zo over God te denken dat Hij niet anders is als de mens Hem ziet. 'Daarom menen zij dat God is zoals Hij hun en hun onvolkomen ogen schijnt te zijn: ze hebben blauwe brillen voor de ogen en door die brillen kijken zij naar God, als was Hij ook zo, en ze kunnen Hem niet anders zien.' In plaats van eenvoudig op God te vertrouwen begint men over Hem te speculeren en vervolgens te twijfelen. Zulk zoeken naar de grond van goed en slecht behoort tot de zwaarste aanvechtingen. 'Maar er is er toch geen onder de heiligen geweest, die niet gekweld geworden is met dit waarom, waarom?'
De Zonde
De duivel is daar in het bijzonder in zijn element waar hij met zonde aanvecht, waar hij de mens door verleiding tot zonde van God kan vervreemden. Maar niet alleen verleidt de duivel, hij kan ook, met het Woord zelfs, de zonde aanwijzen, opdat de zondaar tot wanhoop zou geraken. De zonde is immers het boze dat de verhouding tussen God en de mens grondig verstoort. Daarom probeert de aanvechter alles om tot zonde te brengen en daarin gevangen te houden. Hij bereikt zijn doel als daarbij ook nog alle zicht op de vergevende barmhartigheid Gods ontnomen wordt. Daarom zijn juist de aanvechtingen met de zonde een zeer groot en bitter gevaar voor de gelovige.
De grote bestrijder gaat listig te werk. Eerst verleidt hij tot zonde, om vervolgens tot vertwijfeling te brengen zodat de mens van God weg vlucht, als Adam in het paradijs. 'Heeft de zonde eenmaal macht gekregen over iemand, dan zal zij die ook uitoefenen, en dat betekent: ze zal aanklagen, teneerslaan, veroordelen en het geweten bijten, dag en nacht en niet ophouden om hel, razernij en toorn Gods voor te houden.'
De ontdekking van de duivel
Het eerste wat de mens in deze situatie doet, is dat hij voortaan probeert er zelf voor te zorgen dat de zonde geen gelegenheid meer heeft om hem aan te klagen. Hij probeert nu zelf zijn zonden te boven te komen in de weg van de werkgerechtigheid, door nauwgezette wetsbetrachting. Deze weg leidt echter nog dieper de afgrond in. Want nu zorgt de duivel er wel voor dat de kleinst overgebleven zonde als monsterlijk groot voor ogen wordt gesteld. Hij maakt van een luis een kameel en hij doet er alles aan om maar te doen geloven dat er nu geen weg meer is om ooit nog van de zonde af te komen en met God in het reine te komen. Hij doet alles om de hoop op vergeving te ontnemen en de mens door de zonde tot wanhoop te brengen. Het is daarom ook levensgevaarlijk, vindt Luther, om met de duivel te gaan argumenteren. 'Als je met de duivel over de wet disputeert, ben je overwonnen; als je over het Evangelie disputeert dan heb je gewonnen. Daarom moet met de duivel niemand over wet en zonde disputeren.' De duivel gebruikt graag de volgende sluitende redenering: Je hebt gezondigd; God toornt over zondaren - dus vertwijfel!
Een toornend God
Het laatste in de aanvechting met de zonde is dat het zicht op de vergevende genade in Christus ontnomen wordt en alleen oog blijft voor een rechtvaardig toornend God. 'Als de satan iemand de toorn Gods laat zien dan begint het echte werk pas.' De aanvechter beneemt de verschrikte zondaar alle zicht op Christus en de verzoening des kruises. De ellende van deze aanvechting is juist dat wij Christus verlaten en alleen zien op ons leven en onze daden. Zo gauw de blik daarop gericht is heeft de duivel het gewonnen. De duivel doet er alles aan om Christus uit het oog weg te nemen. Immers, wie Christus recht kent, en looft en groot maakt, als Heere en Heiland, die heeft alle strijd gewonnen. Maar dat is nu juist het moeilijkste wat er is in de aanvechtingen! Hoe gevaarlijk en listig is de duivel, want zelfs daar waar hij de naam van Christus niet kan wegwerken weet hij nog raad. Hij kan de bestredene zelfs verschrikken met Christus. Als hij de woorden van de Zaligmaker verdraait tot tot dreig woorden. De duivel toont ons Christus vooral als toornende Richter opdat wij Hem maar niet zouden zien als barmhartige Zaligmaker, zodat wij van Hem wegvluchten met onze zonden in plaats van naar Hem toe. Daarom zegt Luther ergens: 'Dit is de doodslag en de hardste stoot, als men denkt: Hij is weliswaar de genadige God, maar wie weet of Hij mij wel redden wil?'. Door de genade Gods te verduisteren tracht Hij in het hart van de gelovige hopeloosheid op te wekken, maar ook haat jegens God. De duivel laat iemand niet de eigenlijke God zien, Die Zich in Christus geopenbaard heeft als de genadige God voor zondaren, maar hij tovert een andere God voor ogen, die een schrikkelijk rechter is. Dit is een masker waarachter de duivel zelf steekt, maar de aangevochtene herkent dit niet, en daarom wekt dit haat van God in plaats van geloof.
Wet en evangelie
Het enige wat in deze aanvechtingen helpt is dat men de dreiging en de belofte, Wet en Evangelie zuiver leert onderscheiden en dat men zich alleen op het Evangelie verlaat. Dat is de kunst des geloofs. Maar de kunst van de duivel is steeds weer om van Evangelie wet te maken, en ziedaar de strijd. Het gaat in deze strijd dus ten diepste om het rechte verstaan van de rechtvaardiging. Daarin gaat het erom dat de wet op de rechte plaats blijft als tuchtmeester tot Christus. 'De wet is wat wij mensen doen moeten; Evangelie handelt van God, wat God geven wil. Het eerste kunnen wij niet vervullen, het tweede kunnen wij aannemen, nl. in geloof. Maar in de praktijk blijkt de verkeerdheid der mensen: het eerste wat ze niet kunnen, willen ze doen; en wat ze slechts moesten aannemen, dat willen ze niet geloven.' Maar de opgave van de wet is dat wij daardoor worden neergeslagen en onze zonde kennen, en dat geschiedt met het oog op het geloof. Onder de wet is de aangevochtene in een kerker waar hij niet uit kan. Maar het blijft daar niet bij. Anders zou de duivel het laatste woord hebben. Het rechte doel van de wet is niet de wanhoop, maar Christus, voor wie de deur van de kerker geopend wordt. Daarom sloot de wet gevangen, om niet anders vrij te laten dan bij Christus, Die de vervulling is van de wet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's