Christelijke levensstijl
en ambtelijke verantwoordelijkheid (2)
Bedenken we dan vooral dat een christelijke levensstijl, het 'anders-zijn dan de wereld' niet bestaat in een aantal uitwendigheden.
Nadat we in ons vorige artikel onder bovenstaande titel nadachten over wat de Bijbel ons zegt met betrekking tot een christelijke stijl van leven, trekken we nu een aantal conclusies en we doen dat in het bijzonder met het oog op de ambtelijke verantwoordelijkheid, die rust op onze kerkeraden.
Leven om jaloers op te zijn
Bedenken we dan vooral dat een christelijke levensstijl, het 'anders-zijn dan de wereld' niet bestaat in een aantal uitwendigheden. Ik vind het heerlijk dat mijn kinderen tweemaal per zondag naar de kerk gaan en dat de meisjes dan een hoed dragen. Van mij mag het gerust dat men hen op school laat weten, dat zij daar niet met de lange broek aan verwacht worden. Maar er is oneindig veel meer aan de hand als het gaat om een christelijke stijl van leven. De eerste christenen maakten de buitenwacht jaloers. Van hen kon niet gezegd worden wat Nietzsche eens zei van de christenen: 'Ik kan niet in de Verlosser geloven, zolang de verlosten er zo onverlost uitzien'. Zij leefden maar niet God-gewijd, zij waren God-gewijd. De glans van Godsontmoetingen overstraalde hun bestaan. Daar zoek ik naar. Voor mijzelf, voor mijn kinderen, voor mijn gemeente. Leven uit het wonder van de vrijspraak. En dan niet meer noodgedwongen domweg allerlei dingen doen die mijn ouders ook deden. Maar staan in de vrijheid van het kindschap Gods (Gal. 5 ; 1, 13). En dan zo, vrijwillig, gebonden zijn aan Gods gebod. Het is zeer wijd. Niet alles meer om mezelf laten draaien. Een gevend leven. Een gunnend leven. Bidden om de bekering van Israël. Ja, maar tegelijk Israël jaloers maken. Israël en de wereld rondom. Wat een leven! Een leven met uitzicht. Er is hoop. Donald Cargill (een Schotse predikant ten tijde van vervolgingen) was veroordeeld tot de strop. Toen hij de ladder opging, zei hij: 'Ik ga deze ladder met minder vrees en gemoedsverstoring op dan ik ooit de kansel beklom om te prediken'.
Temidden van de machten
Hoe kwetsbaar is zo'n leven. We leven niet in een ghetto, niet op een eiland. Hoe bedreigd is ons bestaan! Ik som een aantal dingen op waar wij (persoonlijk, in onze gezinnen, ambtelijk) mee te maken krijgen. Een christelijke levensstijl als zojuist aangegeven, is in onze dagen een zeer aangevochten zaak. Het is een zaak van strijden en lijden. Steeds eigemachtiger wordt de mens van onze tijd. Steeds meer in de greep een worgende greep van zijn eigen kennen en kunnen. Een God boven wolken en sterren lijkt een hersenschim. De mondige mens heeft alle lessen van het voorgeslacht op de brandstapel van verouderd normbesef gebracht. Goed heet wat ons pleiziert. Wij moeten onszelf zijn, vrij om te menen wat we menen en te zeggen wat we menen. Volstrekt gelijk aan ieder ander bovendien. Geen heer, geen meester. De man heeft zijn onderworpenheid aan God doorgekruist, de vrouw haar onderworpenheid aan de man. Een man - een vrouw. Vandaar homofilie, homosexualiteit en een wetsontwerp gelijke behandeling. De mens neemt het lot klaar bewust in eigen handen. Hij bepaalt zijn eigen dood, in de moederschoot (als hij ongewenst heet), op zijn oude dag (als hij dement wordt). U voelt toch zeker wel, dat als dit nog even doorgaat, een christenmens, een christelijke gemeente, in vrijheid gebonden aan het hoogste gezag van Gods Woord en wet, niet langer geduld wordt? Nee, nu nog geen vervolgingen zoals in Rusland. Maar we worden inmiddels wel geïndoktrineerd door de feestelijke boosheid van een atheïstisch-materialistisch systeem dat voor het marxistische niet onderdoet. Dat hoeft wellicht met Russische kernwapenen niet verbreid te worden. De (theologische) hoogleraren, de onderwijzers en leraren, de programmamakers van radio en t.v. zullen het wel doen.
En zijn wij klaar voor de strijd? Klaar voor het lijden ook? In die steeds chaotischer wordende wereld? Christelijke levensstijl en ambtelijke verantwoordelijkheid. Wij in het bijzonder, mannen broeders, wij ambtsdragers, hebben wij het antwoord? Kunnen wij ons verantwoorden? Wij zijn geroepen tot de heiliging van Gods Naam. Beginnen wij daarbij toch vooral bij onszelf. Er wordt naar ons gekeken. Zit hij voor in de kerk? Onze vrouwen weten het, voelen het beter aan dan menigeen, wat we voorstellen. Alleen maar ambtelijke zwaarwichtigheid of daadwerkelijk godsvrucht? Onze kinderen zullen het ons (later) vertellen, of wij werkelijk biddende, luisterende ambtsdragers zijn geweest. Wij moeten toch vooral ook voor hen hebben gebeden en naar hen hebben geluisterd? Ambtelijke strijdvaardigheid (geen strijdlust) wordt geboren in de worstelkamer van het gebed. En zo, in de volle wapenrusting, het schild des geloofs in de ene hand, het zwaard des Geestes, Gods Woord in de andere, er op uittrekken.
Walien over zielen
Waken over de zielen. De pastor in het gesprek met het bruidspaar zei: 'Zal jullie huwelijk heel blijven? Torn dan op tegen de verrotte sexuele moraal van onze tijd; maak er een gewoonte van om samen (hardop) te bidden, als je slapen gaat'. De ouderling op huisbezoek. Hoeveel kratten bier gaan er door diezelfde deur naar binnen als die ouderling? Het alcoholmisbruik is schrikbarend. Of dat stel dat samenwoont. Het huwelijk als instelling van God wordt in onze dagen met voeten getreden. Kunnen we het hen uitleggen (niet alleen maar met beroep op een eeuwenlange traditie) dat het huwelijk een kostbaar geschenk is! In Californië woont men niet eens meer samen; iedere partner heeft zijn eigen flat, een paar straten van elkaar vandaan; en kinderen krijgen is uit de tijd. Ambtelijke verantwoordelijkheid. Op de kerkeraadsvergadering waar we ons samen hebben te buigen over de vraag of we het nog langer kunnen aanzien (en doen alsof onze neus bloedt), dat bruidsparen op hun trouwdag 's middags in de kerk eerbiedig voor God knielen en 's avonds op hun feestavond er een dansfestijn van maken met het 'bandje' van wereldse huurlingen? Of als we voor de zoveelste keer weer praten moeten over twee gezinnen, die samen aan het Avondmaal komen, maar overhoop liggen met elkaar om 'k weet niet wat voor kleinigheden? Er lopen in onze gemeenten (helaas, het is ten hemel schreiend) tientallen kleine vossen rond, die de wijngaard verderven. Dit... en zoveel meer. Hoe staan wij tegenover een evangeliserende jongerengroep in onze gemeente (Dabar of anderszins) met hun electrische gitaren en hun pop-genre-achtige liederen: 'Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart...'. En hoe doen we, als een kind ons ter doop wordt aangeboden, geboren uit een zgn. bom-(bewust ongehuwde) moeder? En (meer op diakonaal niveau): hoe zit ons kollekterooster in elkaar? Hoeveel procent van de gelden, die binnenkomen, gaat de deur uit voor hulp aan de (verre) naaste? Anderzijds: wat voor man of-vrouw zoeken we, die door de diakonale stichting voor maatschappelijk en gezinswerk als hoofd moet worden aangesteld? Hoe kijkt hij of zij naar de mensen? Is het een vakman, is het een mens Gods? Idem wat betreft de benoeming van onderwijzend personeel op de scholen. Dit alles en zoveel meer. En zou het niet het allervoornaamste zijn, dat wij in prediking, jongerenonderricht, kringwerk en pastoraat pogen om de machten, - die ons omspannen in het vizier te krijgen en te ontmaskeren, te ontzenuwen? Om een vijand te kunnen bestrijden, moeten we niet de kop in het zand steken. We moeten hem eerst goed zien. Hoe nodig dan dat wij onszelf als ambtsdragers ook oefenen in het kennen van de almachtige en alwijze God en in het leren kennen van de mens van onze tijd? Onze ambtelijke verantwoordelijkheid is zwaar, zwaarder dan ooit.
'Ik kom' - 'Kom'
Maar (en laat dat het laatste zijn) we behoeven er niet overspannen van te worden. Onze God is almachtig en getrouw. Hij stuurt ons toch zeker niet met lege handen de deur uit? En Hij zegt toch niet: Misschien wint u het wel in de strijd tegen de machten? ' Hoor wat Hij zegt: Ik kom ten gerichte: het einde aller dingen is nabij'. Hoor wat Christus zegt: Hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16 : 33). Mij is gegeven alle macht' (Matt. 28 : 18). Dat is geen loos gerucht. En naarmate het leven benauwder wordt, naar die mate zucht in ons de Geest naar de volle openbaring van het kindschap Gods. Hoor Christus roepen: 'Ik kom'. En op de klankbodem van onze ziel heet het: 'Kom'. Eén woord. Niet meer. Om eeuwig te (kunnen) leven jn de stijl van onze getrouwe Zaligmaker Jezus Christus. 'Leven, leven, eeuwig leven' (John Bunyan).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's