De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

11 minuten leestijd

M. K. Drost, De waarheid boven alles, 45 blz. ƒ 9, 75. De Vuurbaak, Groningen 1982. R. L. Krans, Reactie op liet rapport van de Synode der Gereformeerde Kerken 'God met ons' Prijs ƒ 10, - . Uitgave Postbus 361, 3720 AJ Bilthoven.

De stroom reacties op het rapport over het Schriftgezag houdt nog steeds aan. Geen wonder, want we raken hier immers aan een belangrijk stuk van het gereformeerde belijden. Drost geeft een zeer kritische bespreking waarbij hij wijst op de afbuiging van de Ned. Geloofsbelijdenis in dit geschrift, op het feit dat deze ommezwaai niet ineens gekomen is, maar zich reeds in de zestiger jaren aankondigde (Kuitert e.a.), en op de consequenties voor kerkelijk leven en handelen. De auteur doet een dringend beroep op verontrusten om de waarheid boven alles te laten gaan. De tweede publicatie is een zeer persoonlijke reactie van een gemeente lid die rekenschap geeft van zijn geloofsontwikkeling en daarbij dit geschrift op zijn weg ontmoet. Ook hij schrijft zeer kritisch over dit rapport. Hij ziet in dit rapport een herleving van de oude ethische theologie waartegen Kuyper e.a. zich zo afgezet hebben. Toch is de eigen visie van de auteur me niet helder. Dat komt omdat in kort bestek teveel overhoop gehaald wordt. De betoogtrant is niettemin sympathiek. Helaas mist mijn exemplaar enkele bladzijden.

C. P. Plooy, Brief van Petrus, Paas-en doopbrief aan de lijdende kerk, (Zicht op de Bijbel 25) Buijten en Schipperheijn 1982, Prijs ƒ 8.90.

Met grote vreugde kondig ik dit werkje aan van mijn Edese collega, die een meditatieve en pastorale verklaring geeft van deze prachtige Ie Petrus brief. De ondertitel verklaart al hoe Plooy de brief opvat. Het is een Paasgetuigenis, een doopbrief en een pastoraal schrijven aan christenen in verdrukking. Dat lijken me stuk voor stuk belangrijke uitgangspunten. Vele exegeten leggen immers verbinding met de doop. Ten aanzien van het adres volgt de schrijver de visie van hen die denken aan tot het geloof in Christus gekomen Godvrezenden, randbewoners bij de synagogen in de Joodse verstrooiing. Het is een eenvoudig geschreven boekje. Maar er zit veel studie achter. Hoezeer de schrijver zich rekenschap gegeven heeft van de problemen blijkt o.a. uit de opmerkingen over de moeilijke teksten 1 Petr. 3 : 18-19. - 19. Plooy denkt aan een heengaan van Christus bij de nederdaling in het rijk van de doden bij zijn sterven, terwijl het feit van zijn opstanding de proclamatie is in het dodenrijk. Een verklaring waar veel voor te zeggen valt, al zal het laatste woord over deze passage daarmee niet gezegd zijn. Maar zeer terecht wijst de schrijver de aan deze tekst opgehangen algemene verzoeningsleer af, en waarschuwt hij voor een isoleren van deze verzen uit het verband. De verklaring zal in elk geval niet losgemaakt mogen worden van de omgeving: e bemoediging van christenen in verdrukking. Van Harte aanbevolen.

A. N.

S. Braaksma, Zeg ons, wanneer zal dat geschieden? Christus' rede in Mattheüs 24, 148 blz. ƒ 21, 50. De Vuurbaak, Groningen 1982.

De rede over de laatste dingen uit de Evangeliën heeft altijd weer de aandacht getrokken van exegeten en dogmatici. Vele zijn de uitlegkundige problemen, aan deze hoofdstukken verbonden. Belangrijke theologische vragen met betrekking tot de tekenen der tijden, de wederkomst, het lot van Jeruzalem komen dan aan de orde.

In dit boek onderneemt de auteur een poging tot nieuwe verklaring, waarbij hij zich verzet tegen de door Ridderbos e.a. gegeven uitleg als zou de beschrijving van Jeruzalem's val ineen vloeien met de aankondiging van het eindgericht. Met het 'einde' in VS 6, en 14 is volgens Br. bedoeld het einde van de tempel en van Jeruzalem. Vs. 4-28 zouden handelen over de dag des Heeren over Israël/Jeruzalem en de vs. 29-51 over de laatste dag des Heeren. De auteur is consequentie en scherpzinnigheid niet te ontzeggen. Toch heeft hij mij niet overtuigd. De exegese van vs. 14 vind ik gekunsteld. Ook moet de schrijver er toe komen Luc. 17 te betrekken op Jeruzalem's einde. Terwijl hij ook gedwongen is allerlei trekken uit Matth 24 die boven de val van Jeruzalem uitgaan op die val te betrekken. Theologisch roept zijn stelligname ook vragen op. Heb ik de auteur goed begrepen dan gaat hij toch uit van de veronderstelling dat de kerk in de plaats van Israël gekomen is. Vragen rijzen bij mij ook ten aanzien van de toepassing van parallellen uit Marcus en Lucas. Ik deel schrijvers uitgangspunt inzake zijn visie op de Schrift. Maar ik vraag me af of hij toch niet te weinig ernst maakt met de eigen accenten die elk van de evangelisten aanbrengt. Behoort juist dat niet tot de veelkleurige wijsheidGods ook in de inspiratie van de Bijbelschrijvers dat elk van de evangelisten in het kader van de bedoeling van elk Evangelie de woorden van Christus heeft overgeleverd en geredigeerd? Te weinig is m.i. Matth. 24 geplaatst jn het kader van het geheel van het eerste Evangelie. Niettemin wensen we deze studie waarvan een tweede druk verscheen een royale lezerskring toe. Het is geen betoog dat zich snel laat lezen. Maar daar staat tegenover dat de schrijver de lezer dwingt met hem mee te denken in het proces van uitleg en vertolking.

A. N.

Dietrich Bonhoeffer, Christologie, met een nawoord van E. Bethge en O. Dudzus, 104 blz. ƒ 14, 50. Ten Have, Baarn 1982

In 1933 gaf Bonhoeffer een aantal colleges aan de universiteit van Berlijn. Het manuscript is verloren gegaan. Uit aantekeningen van studenten van toen is de tekst gereconstrueerd, en nu in ons land opnieuw in vertaling uit gegeven. Achtereenvolgens komen ter sprake de aanwezige Christus, het Pro me (voor mij), de gestalte van Christus (woord, sacrament en gemeente), de plaats van Christus als middelpunt van ons bestaan, de geschiedenis en de schepping). Voorts een overzicht van ontwikkelingen met betrekking tot het christologisch dogma. Bonhoeffer ziet de uitspraak van Chalcedon als een kritische christologie die ons met de neus drukt op de grenzen van elke uitspraak over Christus. De hoe-vraag van het geheimenis van het 'Waarlijk God en waarlijk mens' is niet te beantwoorden. Het gaat om het positieve antwoord op de vraag: ie zijt Gij? Scherp is de afwijzing van elke vorm van docetisme. Dan blijft Christus de verschijning van ideeën die boven de geschiedenis staan. Bonhoeffer ziet dit gevaar niet alleen in de oude kerk, maar ook in de vrijzinnige I9e eeuwse theologie. Terecht schrijven de uitgevers: Aan de volledige en paradoxale incarnatie hing zowel zijn existentieel geloof als ook zijn handelen, zelfs wat de politiek betreft'. Bonhoeffer blijkt vooral gegrepen door Joh. 1 : 14: e heerlijkheid Gods in het vlees geworden Woord. Zijn uitspraken over 'in gelijkheid van het zondige vlees' doen denken aan Luther en Kohlbrugge. Ook Bonhoeffer is ervan overtuigd dat men Christus niet te diep in het vlees kan trekken. Omdat Christus in verzoeking verkeert, zijn wij daaruit gered. Als drager van onze zonden is Hij de zondeloze, de heilige, zegt Bonhoeffer op paradoxale wijze.

Boeiend is dit boekje om kennis te nemen van Bonhoeffer's (Lutherse) denken en na te gaan in hoeverre er verbindingslijnen lopen naar de gevangenschapsbrieven die door de moderne theologie voor mijn gevoel vaak zo misbruikt zijn. We leren hier een andere Bonhoeffer kennen, al treffen we ten aanzien van Christus en de gemeente gedachten aan die we ook in zijn laatste publicaties vinden. Er staan bovendien treffende uitspraken in, waar ik al lezend een uitroepteken bij gezet heb. Uitspraken om over na te denken, te mediteren, en vruchtbaar te maken voor de prediking. Een paar voorbeelden: 'De ontmoeting met Jezus heeft een andere oorzaak dan die met Sokrates en Goethe. Langs Jezus' persoon kunnen we niet heen, omdat Hij leeft. Langs de persoon van Goethe kunnen we desnoods heen, omdat hij dood is'. 'Er bestaan eigenlijk maar twee mogelijkheden bij een ontmoeting met Jezus: de mens moet dood, of de mens doodt Jezus', 'Bij het begrip belijdenis behoort noodzakelijk en onvermijdelijk het begrip ketterij'. 'Wondergeloof is geloof aan een zichtbare epifanie (is verschijning)... Maar geloof hebben we, wanneer we ons aan de vernederde Godmens uitleveren en ons leven op Hem bouwen'. Hopelijk maken deze citaten u nieuwsgierig dit dogmatische werkje te bestuderen. Het is geen makkelijk geschrift, maar het boort wel diep. Ook daar waar de gereformeerde theologie andere accenten legt is het de moeite waard eigen erfenis te confronteren met deze colleges uit de dertiger jaren.

A. N.

G. H. ter Schegget, Theologie en ideologie, 237 blz. ƒ 29, 50. Ten Have, Baarn 1981

De ondertitel van dit zeker niet eenvoudig geschreven boek is: een aanzet tot verantwoord theologiseren onder vervreemdende maatschappelijke verhoudingen. De rechte theologie kiest voor de ontrechten en verdrukten, in wie God ons aanziet, is dus bevrijdingstheologie. Haar taak is alle uitbuiting van machtsmisbruik en vrome ideologie te ontmaskeren. Invloed van de Barthiaanse openbaringsleer en de Marxistische maatschappijanalyse gaan hier hand ^in hand in dit theologische ontwerp.

In de eerste hoofdstukken komt de religiekritiek van Marx uitvoerig aan de orde. Dat wordt dan verbonden met de Barthiaanse tegenstelling tussen religie en geloof. Het rechte theologische spreken over God is ontreligioniserend en dus bevrijdend. De God van de Bijbel is volgens Ter Schegget de God van de armen die God gebleken is midden in het woeden van de klassestrijd. Vanuit dit gegeven wordt de Schrift gelezen. Het Johannesche 'God is liefde' betekent dat God partij kiest voor de armen. Bij deze dogmatiek past dan ook een ethiek van de armen. Hoofdstuk 5 gaat in op de relatie en het verschil tussen wijsgerige en theologische ethiek. Hoofdstuk 6 handelt over ethische vragen van en aan het maatschappelijk protest. Hier komen zaken ter sprake als overheidgezag, democratisering en burgerlijke ongehoorzaamheid. Ik heb toch wel vragen bij de wijze waarop de auteur gehoorzaamheid en liefde haast tegenover elkaar stelt.

In de epiloog verantwoordt de schrijver zijn keus voor zijn wijze van theologiseren van uit Marx en het Neo-Marxisme. De schrijver stelt ook Marx onder kritiek. Toch vraag ik me af of hij Marx terecht interpreteert. Kan men zo zonder meer stellen dat het atheïsme als lastering van de Naam kennelijk het gevolg is van christelijk gedrag? Wordt daarmee Marx religie kritiek verklaard? Te gemakkelijk verbindt Ter Schegget hier naar mijn mening Barth en Marx.

Het boek is, zoals ik al schreef nogal duister geschreven. Het heeft me eerlijk gezegd niet kunnen boeien. Niet alleen vanwege de ondoorzichtige schrijftrant, maar ook omdat de Schrift van meetaf aan gelezen wordt door een bepaalde bril. Stellig is er in de Schrift aandacht voor de armen en de verdrukten. Stellig zal de gemeente, zich dat agn moeten trekken. Maar de wijze waarop hier over het partijgangerschap der armen gesproken wordt is m.i. ook een ideologie die nodig ontmaskerd moet worden. Heeft Paulus in Fil. 2 onder de dienstknechtsgestalte toch niet iets anders verstaan dan Ter Schegget wanneer hij over de slaaf spreekt, met wie God zich heeft vereenzelvigd (blz. 182)? Wie kennis wil nemen van Ter Schegget's gedachtengang kan hier terecht. En de lezer oordele zelf of hij dit verantwoord theologiseren vindt.

A. N.

E. Moltmann-Wendel, bij Jezus tellen vrouwen mee, 150 blz. ƒ 19, 75; Ten Have Baarn, 1982.

Dit uit het duits vertaalde boek behandelt de vrouwen rondom Jezus, n.l. Martha, Maria van Bethanië, Maria Magdalena, de onbekende die Jezus zalfde, de vrouwengroep bij Marcus (15-16), Mattheüs en de moeders, Johanna. De schrijfster gaat na wat het N.T. zegt, maar vooral hoe de tradities doorgewerkt hebben in de (vroege) kerkgeschiedenis, en welke beeldvorming dit heeft opgeleverd.

Het is een typisch voorbeeld van feministische exegese, waarbij de ervaring toch wel de toon aangeeft. Hinderlijk blijf ik dan ook vinden het concurrentieschema 'man-vrouw' van waaruit alles belicht wordt. Toch zou het niet goed zijn het daarmee af te doen. Het is bijzonder knap en boeiend geschreven. De uiteenzettingen over de verwerking van allerlei bijbelverhalen in de kerkgeschiedenis is waardevol en kan ons leren hoe licht we bevooroordeeld de Schrift onderzoeken. Dat meVr. Moltmann daartegen protesteert is terecht. Wat is er b.v. veel gefantaseerd over Maria Magdalena, en wat is er veel ingelezen in allerlei Schriftgegevens!

Maar ik vrees dat de schrijfster door haar kritische uitgangspunt ook tot bevooroordeeld lezen raakt. De bijbel wordt tot cultuur product gemaakt. Wat blijft er op die manier over van het gezag? Hooguit wordt de Schrift gesprekspartner naast andere tradities. Dat acht ik een onoverkomelijk bezwaar in deze theologie. Gaan bovendien fantasie en gevoel niet heersen over de Schrift? Met name stuitte ik daarop bij wat gezegd wordt over Jezus en Maria Magdalena (blz. 87 vv). Merkwaardig is ook wat de schrijfster opmerkt over Lucas die zich ook aangepast zou hebben aan een bepaalde sociale structuur en mitsdien de rol van de vrouw zou hebben teruggedrongen. Maar dit is naar mijn mening in strijd met de duidelijke gegevens van de Schrift. Juist Lucas is immers wel de 'evangelist der vrouwen' genoemd. Het boekje i^ fraai uitgegeven. Een aantal illustraties uit de kerkelijke kunst verfraaien de uitgave. Ook wie het standpunt van de schrijfster niet deelt, kan er toch het een en ander van opsteken. In ieder geval stelt het boekje ons voor de vraag: Lezen we echt wat er staat? En dat is en blijft voor elke bijbellezer een aangelegen vraag.

A. N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's