Ambt en Avondmaal
Het recenseren van boeken is een aparte zorg voor elke redactie van kerkelijke organen. Bepaalde boeken worden eens omgekeerd en nóg eens omgekeerd.
Sommige boeken zijn lastige stenen in de vijver, omgeven met veel gevoeligheden, al wordt dat dan ook weer bepaald door de kring, waarvoor de recensie (of het boek zelf) is bedoeld.
Terzake! Voor ons ligt het boek van B. Wallet 'Ambt en avondmaalsmijding'. De ondertitel is 'Een reformatorisch appèl'. Het is een lijvig boek over een praktijk in gemeenten binnen de Gereformeerde Gezindte, dat ambtsdragers soms niet deelnemen aan het Heilig Avondmaal. De heer Wallet is daar in zijn kerk - de Gereformeerde Gemeenten - tegen op gaan tornen en heeft bezwaarschriften gestuurd aan kerkeraad, classis en generale synode van zijn kerk. Alles wat daaromtrent los kwam aan brieven, antwoorden, uitlatingen en verweerschriften is in dit boek opgenomen. De 'vuile was', zoals dat heet, wordt buiten gehangen. In welke (kerkelijke) kring zou men blij zijn als dat gebeurt? Als datgene wat achter gesloten deuren behandeld wordt op Askelons straten komt? De heer Wallet deed het en staaft verder met een veelvoud van citaten uit de Schrift, de Reformatoren en Oude Schrijvers het ontoelaatbare van een praktijk, waarbij amtsdragers het avondmaal mijden. Hij gispt, dat het ongeoorloofde 'geoorloofd' wordt geacht. Hij keert zich intussen vooral tegen wat hij noemt het 'systeem' wat betreft de leer.
Nederlands Dagblad
Het Nederlands Dagblad signaleerde in een uitvoerig artikel over dit boek dat er 'behalve enkele recensies' in de pers vrijwel niets over verschijnt. De pers van de Gereformeerde Gemeenten zwijgt het dood. Nogmaals gezegd: in welke kring gebeurt dat niet, dat kritisch naar-binnen-gerichte publicaties worden doodgezwegen? Waarmee ik niet zeggen wil dat dit de juiste manier is. Ook fundamentele verschillen kunnen beter bespreekbaar blijven om oplading, met gevaar van ontlading te voorkomen. Maar feit is, we gaan niet zo gemakkelijk om met naar binnen gerichte kritiek. Intussen kan het Nederlands Dagblad vrij onbekommerd over een boek als het onderhavige schrijven. De problematiek van de avondmaalsmijding kent men daar, in de kring van de vrijgemaakte gereformeerden niet. De belijdende gemeente als avondmaalsgemeente wordt daar als vrij spanningsloos ervaren. In kringen, waar het bevindelijke element spaarzamelijk is, is avondmaalsschroom meestal afwezig. Me dunkt dat men in die kringen ook moeilijk echt feeling heeft voor de problematiek, die hier ligt, en voor de voorzichtigheid die geboden is wanneer deze zaken aan de orde komen. De avondmaalsgang is nu eenmaal niet af te dwingen. Ook daarin gaat het om de aandrang en overtuiging des Geestes. Niets in het Koninkrijk Gods is immers automatisch. Maar intussen blijft de vraag wel recht overeind: is het wettig, bijbels-wettig om ambt en avondmaal te ontkoppelen?
Reacties
Hoewel het Nederlands Dagblad stelde dat er in de pers vrijwel niets over dit boek verschijnt is het intussen wél zo dat er in diverse besprekingen op is gereageerd, zij het nogal verschillend. Eén van de eersten, die er zich over uitliet, was ds. J. H. Velema (Chr. Geref.), die bij alle waardering voor de zaak, die aan de orde gesteld werd, de methode laakte. Men moet, was zijn oordeel, op deze wijze binnenkerkelijke problemen niet publiek maken. Prof. dr. W. van 't Spijker - eveneens Chr. Geref. - liet evenwel in een korte recensie weten dat aan de orde gestelde problematiek eigenlijk geen probleem mocht zijn. Prof. dr. W. H. Velema - in een recensie in Theologia Reformata - zit er kennelijk mee. Hij schrijft:
'De zaak die aan de orde komt is een droevige zaak. Terecht tornt de schrijver op tegen "geoorloofde" Avondmaalsmijding. Zou de zaak echter niet beter gediend zijn, als de materiële inhoud van het boek in zulk een vorm gegoten was, dat de kerkrechtelijke kant eruit weggelaten was? Dat zou het boek beter leesbaar hebben gemaakt. Dat zou ook een recensent niet voor het dilemma plaatsen: óf geen beoordeling van het boek geven; óf in een kerkelijke appèlzaak partij-kiezen - het dilemma wordt de recensent nu opgedrongen. Hij kiest voor het eerste er bijvoegend dat het ter tafel gebrachte materiaal voor het probleem van de Avondmaalsmijding belangrijk is.'
En tenslotte, in het Reformatorisch Dagblad heeft ds. L. H. Oosten het boek besproken. Deze merkte op dat de problematiek ook in hervormde gemeenten speelt, waar geen sprake is van dat 'leersysteem' waartegen Wallet in zijn eigen kerkelijke kring opponeert. Ds. Oosten laat begrip doorkomen in zijn artikel - terecht - voor diegenen, die werkelijk innerlijk hun problemen hebben met de gang naar het avondmaal. Of hij daarbij zover mag gaan, dat hij Calvijn tot getuige neemt voor een zekere legitimering van scheiding van ambt en avondmaal, is voor mij de vraag. Op een samenkomst van het COGG, waar over de avondmaalspraktijk in de Gereformeerde Gezindte gesproken werd, gaf ds. C. den Boer in zijn inleiding het volgende citaat door van Calvijn:
'Hoe moet men oordelen over één die aan de sacramenten niet wil deelnemen? Dat zou inderdaad een verloochening van Christus zijn. Men kan hem niet voor een christen houden, die, door zich zo te gedragen, weigert zich als een christen te openbaren.'
Ook dit is maar één facet uit Calvijns' werk, maar niet onduidelijk.
In breder kring
De kwestie van de avondmaalsmijding is niet een zaak, die één kerk aangaat. In 1953 publiceerde drs. D. Broeren, toen nog ouderling van de hervormde gemeente te Ridderkerk een boekje, getiteld 'Van het Avondmaal des Heeren'. (uitgave Boekencentrum 's Gravenhage.) Naast een behandeling van de bijbelse gegevens, de belijdenisgeschriften en de formulieren, bevat dit boekje ook een overzicht van de avondmaalspraktijk in de Hervormde Kerk. De gegevens van de provincie Zuid-Holland zijn per classis opgenomen in het boekje. Hieruit blijkt dat in geen enkele classis het percentage lidmaten, dat deelnam aan het Heilig Avondmaal, hoger was dan ongeveer 20 procent ('s Gravenhage 10%, Rotterdam-Noord 11, 4%, Rotterdam-Zuid 19, 5%, Delft 18, 8%, Schiedam 20, 3%, Leiden 16%, Dordrecht 21, 2%, Gouda 9, 4%, Gorinchem 10, 3%, Brielle 14, 8%). Voor het gehéél van de provincie Zuid-Holland was het percentage 14, 43%.
Het is duidelijk dat in een dergelijk overzicht de onkerkelijkheid, de ontkerkelijking onder lidmaten, een rol speelt, terwijl er ook sprake is van velen in de gemeenten, die min of meer 'onverschillig' langs het avondmaal heenleven. Maar duidelijk is óók dat in deze cijfers de avondmaalsschroom, de avondmaalsmijding tengevolge van het besef dat men (nog) niet deel kan of mag nemen, ook een rol speelt. Met name in die gemeenten, waar de Gereformeerde Bond de signatuur bepaalt, is dit laatste het geval, al zijn de overgangen vloeiend.
In de Hervormde Kerk is avondmaalsgang, om welke reden dan ook, veel minder vanzelfsprekend dan b.v. in de Gereformeerde Kerken. Hoewel in dit boekje geen concrete gegevens over de kwestie ambt en avondmaal voorkomen, blijkt dat in een bespreking over één en ander in een vergadering van de Provinciale Kerkvergadering van Zuid-Holland op 17 april 1952, de vergadering algemeen
uitsprak dat de vraag of iemand, die het Heilig Avondmaal verwaarloost, wel ambtsdrager kan zijn met 'neen' moet worden beantwoord.
Pastoraal
Intussen is dit laatste ook bepaald een pastorale kwestie, die met geen dwang is op te lossen. Ik laat nu buiten beschouwing, dat er een prediking is, die de problematiek eerder voedt dan pastoraal oplost. Wanneer altijd maar alleen afgemaand wordt van het avondmaal en de lokkende stem van de Meester, die roept en nodigt, niet wordt vernomen dan kan ongezonde mijding worden gevoed, omdat geen geestelijk leven meer wordt gewekt. Ook komt het voor dat kerkeraden ten deze zelf ongeestelijk beleid voeren. En, hoe zouden ouderlingen toezicht houden op de tafel des Heeren als ze zelf zich van de tafel des Heeren moeten onthouden.
In De Saambinder, het orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, ging ds. C. Harink positief in op de reactie van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond inzake de brief, die aan kerkeraden over ambt en avondmaal werd gezonden. Hij schrijft: 'Ik kan wel verstaan dat een ouderling zoveel innerlijke strijd heeft en zijn genadestaat zo aangevochten wordt, dat hij de vrijmoedigheid om ten Avondmaal te gaan mist. Maar aan de andere zijde, hoe kan men ouderling zijn zonder iets te weten van het toevluchtnemende tot Christus als een veroordeelde en schuldige? '
Hij citeert Calvijn, die n.a.v. 1 Joh. 1 : 1-3 (over ambtsdragers) opmerkt: Zij hebben van Christus geleerd wat de bron des levens is, nl. de wedergeboorte, waarover Christus met Nicodemus spreekt'. In dat verband acht hij de vraag, die door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond gesteld werd terecht, namelijk of men wel een 'goddelijk recht' tot het ambt heeft als men dit 'goddelijk recht' niet heeft om aan het Heilig Avondmaal te gaan. Ik meen dat ds. C. Harink in dit artikel trouwens een gezonde basis legt voor een grondige doordenking van wat de heer Wallet in zijn boek zakelijk aan de orde stelt ten aanzien van de kerk waartoe hij behoort; een zaak intussen die ons allen aangaat. En laat de methode dan de methode maar. Het gaat om de zaak zélf. In dat verband moet ik zeggen dat het boek van de heer Wallet een sprekend stuk bevat van ds. W. C. Lamain, overgenomen uit diens boek 'Rondom het kerkelijk leven'. Ik citeer daaruit een paar gedeelten:
'Voordat de vergadering begon, is er een gedeelte uit Gods Woord gelezen. Maar wat is nu de praktijk?
Dat Woord spreekt niet twijfelachtig over de vereisten van een ambtsdrager in Gods Kerk. Neen, zeer duidelijk wordt gezegd wat nodig is om straks één van de ambten van Christus in de kerk waar te nemen en te bedienen. Doch wat is nu het eindresultaat? Niemand durft in te gaan tegen hetgeen Gods Woord vereist voor een ambtsdrager. Maar ja, er wordt terloops wel opgemerkt dat, als wij naar Gods Woord moeten handelen, wij dan niet klaar komen. Ja, het is maar een moeilijk probleem. Wij zouden wel naar het Woord moeten luisteren, maar ja, dan zouden wij maar moeten afzien van het stellen van kandidaten. Maar hoe het staat met degenen die nu over die gewichtige zaken moeten oordelen, daar wordt de meeste tijd maar overheen gewerkt. Och, konden wij maar eens recht in de schuld komen.
De één zegt: de kerk moet gediend worden. Soms is er nog een arme stumper, die het er benauwd onder heeft, maar helaas, de meesten hebben het er niet eens benauwd mee. Wat wordt er vaak ondoordacht gehandeld. De dood moet over het leven oordelen (!).
'Hoe zullen wij een ambt zonder persoonlijke genade in Gods kerk kunnen uitdienen? En zelfs met bewuste genade moest Paulus er nog van uitroepen: Wie is tot deze dingen bekwaam? " De Heere Jezus heeft Zelf getuigd in Joh. 15 : 5: 'Zonder Mij kunt gij niets doen''. En dat heeft Hij persoonlijk tot Zijn discipelen gezegd. Maar aan de andere zijde, Paulus schreef aan de gemeente van de Filippenzen: 'Ik vermag alle dingen door Christus Die mij kracht geeft". Alleen door de kracht van de grote Ambtsdrager Christus Jezus, is het mogelijk om ambtsdrager te kunnen zijn.
Wanneer wij de formulieren lezen tot bevestiging van leraars, ouderlingen en diakenen, dan wordt daarin duidelijk aangewezen op grond van Gods eeuwig Woord, wat de ambten inhouden. Voor onze dwaze bevattingen is een leraarsambt het voornaamste, dan volgt ouderling, en een diaken staat voor ons meestal op de achtergrond. Maar elk der ambtdragers draagt een ambt van Christus en wordt geroepen om dat ambt uit te voeren en te bedienen.'
'Degenen die het ambt zelf opnemen zonder door God geroepen te zijn, zijn te beklagen. Zij kunnen wel een gerucht gehoord hebben, maar zij missen een boodschap. Zij hebben de zalving van Gods Geest niet en spreken soms nog wel over de waarheid, maar niet uit de waarheid. Als wij niet geroepen zijn door de Heere, dan moeten wij onszelf maar behelpen, maar die in de rechte weg tot het ambt en tot de bediening zijn gekomen, die liggen voor Gods rekening. God helpt ze keer op keer, al moet het zeer verschillend uitgeleefd worden.'
Ongewijfeld speelt in de beoordeling bij ieder, die hierover schrijft (ook bij ds. Lamain) de vraag: wat is een waarachtig geloof? Hier scheiden op zich de wegen nogal eens. Maar geldt dan niet de reformatorische stelregel dat de kerk niet over het innerlijk oordelen kan, maar slechts belijdenis en wandel beoordelen moet? En is het dan niet zo, dat waar geen waarachtige behoefte aan de dis des Heeren wordt gevonden de leiding der gemeente, juist in geestelijk opzicht in verkeerde handen is?
Hoe te handelen?
De kwestie 'ambt en avondmaal' is intussen niet in een artikel af te doen, niet in een boek te regelen en niet langs juridische weg op te lossen, al kan het nodig zijn dat, vanwege vastgelopen gemeentelijke situaties, er wel eens kerkrechtelijk geoordeeld moét worden. Maar het pastorale moet de boventoon hebben. Wanneer we rondom tere zaken als het Heilig Avondmaal met botte bijlen gaan zwaaien en kerkelijke ruzies oproepen dan is er gemeentelijk wél iets mis. Het ware geloof zal ook hier de liefde kennen.
In dat verband neem ik hier over wat in het genoemde boek van drs. D. Broeren óók staat inzake de kwestie ambt en avondmaal, omdat het op de praktijk is gericht:
'Thans de vraag: "mogen we tot kerkeraadsleden bevestigen lidmaten, die in de praktijk bewezen hebben geen Avondmaalsgangers te zijn en dit, ook nu ze tot ambtsdragers gekozen zijn, toch beslist niet willen worden? "
Allereerst dit: als de gemeente de bevoegdheid tot candidaatsstelling en verkiezing van ambtsdragers geheel aan zich heeft getrokken, vlgs Ord. 3, art. 5 der K.O., kan de kerkeraad zulk een verkozene alleen weren conform Ord. 11 over het Opzicht, en komt men dus in de moeilijkste weg. Is de kerkeraad van oordeel, dat zulk één geen ambtsdrager mag zijn, dan mag hij voor deze moeilijke weg ook niet terugdeinzen, doch moet hij die gaan om des gewetens wil.
Is de kerkeraad gedeeltelijk of geheel gemachtigd bij de verkiezing, zoals bepaald in Ord. 3, art. 8, rasp. art. 9 der K.O., dan stelle hij niet candidaat, resp. verkieze hij geen personen, die - blijkens een voorafgaand gesprek - beslist, niet ten Avondmaal willen komen, om welke reden dan ook. Dat is mijn mening.
Ambtsdragers, die er niet over denken om deel te nemen aan het Heilig Avondmaal, kunnen hierover naar mijn overtuiging onmogelijk het pastoraal gesprek voeren met de gemeenteleden op het huisbezoek. Want hoe moet zo'n gesprek verlopen, als bij een lidmaat, die niet durft of wil aangaan aan het Heilig Avondmaal, twee ouderlingen op bezoek komen, van wie de één er precies zo over denkt? Dan maar zwijgen over het Heilig Avondmaal? Niemand zal dat verantwoord achten.
Iets anders is, dat we de namen van hen, die als candidaat-ambtsdragers worden opgegeven, niet zó maar moeten afvoeren, "omdat zij niet ten Avondmaal komen". Indien zij overigens geschikte candidaten zouden zijn, acht ik het noodzakelijk, dat met hen hierover eerst pastoraal gesproken wordt. Er zijn mij gevallen uit de praktijk bekend van mensen, die vóór hun verkiezing uit bezwaardheid zich van het Heilig Avondmaal onthielden, doch die juist door hun ambt Avondmaalsgangers werden en daarvan nu de zegen mogen ondervinden. (En zij betreuren het nu alleen maar, dat zij vroeger niet kwamen.) Dwang is ook hier verkeerd, en ik meen, dat het hierboven geciteerde antwoord van ds. Kijftenbelt mutatis'mutandis goeddeels van toepassing is, in die zin, dat naar mijn mening een candidaat-kerkeraadslid, van wie met recht mag worden verwacht, dat hij deze zaak in zeer ernstige overweging wil nemen en van wie gehoopt kan worden, dat hij wel zal gaan deelnemen aan het Heilig Avondmaal, zomaar niet terzijde mag worden geschoven. Want zij konden nog wel eens de beste herders worden voor de waarlijk bezwaarden.
Maar indien iemand wél bereid is een eventuele benoeming te aanvaarden, doch tegelijk zegt, dat hij beslist niét zal gaan deelnemen aan het Heilig Avondmaal, dan moet de Kerkeraad hem zeggen, dat hij hem dan onmogelijk candidaat kan stellen. Want als iemand meent wél te kunnen dienen, hetzij als ouderling, diaken of kerkvoogd, doch zich van het Heilig Avondmaal wil (blijven) onthouden, die staat - zeker als ambtsdrager - nog niet in de rechte verhouding tot God den Heere, die het Sacrament als "panden van zijn goedwilligheid en genade te onswaarts" gaf. (...)
En tenslotte - doch ik heb daarmee gewacht tot het einde, om de schijn van wetsdwang vooral geheel te vermijden - hoé denkt zo'n candidaat-ouderling, die van te voren al beslist afwijzend tegenover de vraag van eigen deelneming aan het Heilig Avondmaal blijft staan, zich zijn positie in, wanneer hij de dienst zou moeten vervullen als één der "tenminste twee ouderlingen", die vlgs. Ord. 10, art. 4, sub 2 der K.O., moeten "toezien, dat niet tot de dis des Heeren toegaat, die daarvan geweerd moet worden? '' En de candidaat-diaken, is hij volgens ditzelfde art. der K.O. wél bereid - zoals iemand eens ad rem opmerkte - om 's Konings tafel te dienen, maar niét geneigd van 's Konings tafel te eten en te drinken? En dat, terwijl die Koning hem daartoe nadrukkelijk uitnodigt?
Zouden zulke candidaat-ouderlingen en - diakenen van te voren om ontheffing van deze diensten kunnen vragen? Mijns inziens niet; trouwens, de K.O. stel - vanzelfsprekend, zou ik menen - niet eens de mogelijkheid van dispensatie op deze grond. Het wil mij voorkomen, dat ook de Kerkorde uitgaat van de gedachte; van wie ambtsdrager is of wordt, dient te worden verwacht, dat hij ook deelneemt aan het Heilig Avondmaal, behoudens natuurlijk een zeer incidentele uitzondering, welke bij ieder ambtsdrager wel eens kan voorkomen.'
Tenslotte
In dit artikel gaf ik niet zozeer een beoordeling van het boek van de heer Wallet als wel een aanduiding van de kwestie waarom het gaat, waartoe dit boek alle aanleiding geeft. In dit verband herinner ik overigens aan wat het hoofdbestuur in het eerder genoemde stukje schreef, namelijk dat de kwestie van het goddelijk recht tot het ambt en tot het avondmaal grondige bespreking behoeft. Ook op kerkeraadsniveau en dan nog misschien het best los van concrete gevallen, in casu candidaatstellingen. Het gaat om een geestelijke zaak, die een geestelijke benadering behoeft. Het gaat immers niet aan om te zeggen: gij zult of gij zult niet (eten en drinken). Maar om de nodiging: 'doe dat tot Mijn gedachtenis'. Bij die gedachtenis aan de dood des Heeren past geen strijd maar ootmoedige verwondering.
N.a.v. B. Wallet: Ambt en avondmaalsmijding, uitgave J. H. Kok, Kampen, 261 pag., ƒ 31, 50.
Rectifictie
De lezers zullen bemerkt hebben dat de advertentie van het Werelddiakonaat, waarnaar in het begin van mijn artikel 'Honger is onrecht? ' verwezen werd, niet in het nummer van vorige week te vinden was. Door een misverstand werd deze advertentie niet opgenomen: Thans staat deze advertentie wel in ons blad. Het artikel van vorige week verwijst naar deze advertentie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's