Waarom tóch een christelijke universiteit?
Met belangstelling heb ik kennis genomen van wat de heer Van der Graaf in de Waarheidsvriend van 6 januari jl. schreef over het al dan niet wenselijke van een christelijke universiteit.
Met belangstelling heb ik kennis genomen van wat de heer Van der Graaf in de Waarheidsvriend van 6 januari jl. schreef over het al dan niet wenselijke van een christelijke universiteit. Er zitten in wat hij schrijft zoveel aanknopingspunten voor gesprek, dat ik liever een dag met hem over de zaak zou doorspreken dan hier slechts enkele zaken aanroeren. Maar omdat het niet alleen over hem en mij gaat, doch over vele anderen, onder wie het lezerspubliek van dit blad, wil ik graag de mogelijkheid aangrijpen om wat hij geschreven heeft, van enkele kanttekeningen te voorzien.
Praktijk
Ik wil beginnen met wat ik als gewenste praktijk zie bij een christelijke universiteit, om te eindigen met de visie, die tot dit alles moet leiden, volgens de initiatiefnemers van de ICU. Ik hoop althans dat zij hun mening in de mijne terugvinden. Onder het kopje Fundamentalisme spreekt hij zijn beduchtheid uit voor de confessionele kanten aan het wetenschappelijk samengaan van gereformeerden en evangelischen, en hij eindigt dit deel van zijn artikel met de bekentenis; 'Voor mij zitten in de creationistische opvattingen, zoals bv. het boek van Rehwinkel over de Zondvloed, net zo veel onwetenschappelijke vooronderstellingen als in de evolutietheorie'. Ik ben blij met deze uitspraak. Niet omwille van wat hier gezegd wordt, maar omdat het zo' n uitstekend aanknopingspunt is voor wat ik er tegenover stellen wil. In de eerste plaats wekt deze uitspraak misverstanden. Het ging Van der Graaf om de confessionele bepaaldheid van zo'n ICU. Hij stapt vervolgens over naar het fundamentalisme, 1) en illustreert het gevaar daarvan met het creationisme.2) Bovendien heeft hij het dan over onwetenschappelijke vooronderstellingen. Mijns inziens lopen hier de argumenten door elkaar heen.
Tegenover Van der Graaf wil ik stellen, dat ik alleen daarom al dankbaar ben voor de tijd die ik aan de Evangelische Hogeschool heb doorgebracht, omdat ik toen en vooral door het werk in het instituut voor onderzoek, heb geleerd dat Nederland en eigenlijk heel West-Europa de wetenschappelijke doordenking van het creationisme voor verschillende vakgebieden nog in het geheel niet kent. Ik ga nog verder en beweer, dat tot voor enkele jaren de zgn. creationistische literatuur, die dus op een of andere wijze met de historicitieit en wetmatigheid van de schepping en de 'oergeschiedenis' ernst maakt, uit de universiteitsbibliotheken stelselmatig werd geweerd. Alles wat uit die hoek kwam, was bijvoorbaat gedoodverfd als onwetenschappelijk. Dat er een onderscheid is tussen creationisten in methode van Bijbellezen, dat bijvoorbeeld H. M. Morris en J. Scheven niet in alles op dezelfde wijze Gods Woord gebruiken ontgaat de mensen die hierover uitspraken doen, meestal. Dat er een gehele ontwikkeling is geweest in het Amerikaanse creationisme, zo men daarover al als een eenheid kan spreken, schijnt nog steeds niet tot de geesten van West-Europa te zijn doorgedrongen, uitzonderingen daargelaten. Dat er weleens net zo veel creationismen zouden kunnen zijn als evolutionismen, schijnt al evenmin bekend te zijn.
Toen A. E. Wilder Smith alweer enige tijd geleden zijn debuut maakte aan de VU, ontstond er een sfeer van welwillendheid, doordat de man geheel anders bleek te werk te gaan en te redeneren, dan de heren van de VU, die voor dat gesprek waren samengekomen, voor mogelijk hadden gehouden. Het beeld bleek lang niet te kloppen! Nu zet Van der Graaf creationistische opvattingen en evolutietheorie wat betreft vooronderstellingen tegenover elkaar en laat hij in dat verband als voorbeeld (ik zeg erbij: weinig aktueel voorbeeld) de naam van Rehwinkel met zijn boek over De zondvloed vallen. Mag ik eens een tegenvraag stellen? Ik mag aannemen dat Van der Graaf evolutietheorie en creationisme niet als gelijkwaardige grootheden ziet? Hij, die zo gaarne over de confessionele invulling van de ICU met ons spreekt, zal toch, het beginsel van de Schepper en de schepping volgens Bijbelse wetmatigheden, boven het ontwikkelingsmodel willen stellen. Ik had hem dat graag ook hier zien uitspreken.3) Het is toch zo klaar als een klontje, dat volgens de beginselen, die de Gereformeerde Bond toegedaan is, het scheppingsbeginsel, ook als wetenschappelijke vooronderstelling, de absolute voorkeur verdient boven dat andere 'beginsel' van Hegel, Darwin, Haeckel en zovele anderen, onder wie naamchristenen ofwel naamgereformeerden, wier naam ik in dit verband niet eens wil noemen! En dan is het toch gemakkelijk in te zien, dat de volgende stap moet zijn: sympathie op z'n minst voor die evangelicals, die proberen onder vallen en opstaan ook in de wetenschapsbeoefening trouw te zijn aan de heilige Schrift, al geschiedt dat soms volgens merkwaardige hermeneutische regels. We bevuilen toch niet 'ons' nest ten overstaan van allerlei neogereformeerden en anderen, die bij het lezen van deze zinnen van de heer Van der Graaf alleen maar gniffelen en zich in de handen wrijven van genoegen: de Gereformeerde Bond heeft óók weer eens een tegenzet gegeven tegen de evangelische beweging.
Maar ik dreig af te dwalen. Dat Rehwinkel nauwelijks model kan staan voor de huidige stand van zaken binnen 'het' creationisme, is één punt. Een veel belangrijker zaak is mijns inziens het feit dat Van der Graaf Werner Kellers boek 'De Bijbel heeft toch gelijk' symptomatisch acht voor amerikaans-fundamentalistisch bezigzijn met de Bijbel. Ik denk dat er wel nauwelijks één evangelische student in de Bijbelwetenschappen vandaag de dag genoegen neemt met de resultaten van Werner Kellers boek. Niet alleen hier, maar ook in de V. S. Ook wat dit betreft, heeft het creationisme - want dat is de rode draad, ook in dit geval - niet stilgezeten. Voor het Nieuwe Testament hebben de onovertroffen F. F. Bruce en Donald Guthrey op allerlei gebied, via kommentaren en monografieën, het beginsel van het creationisme doordacht en de historiciteit van de heilige Schrift serieus genomen. Zonder hun boeken over de betrouwbaarheid van de Nieuwtestamentische geschriften en over de inleiding tot het Nieuwe Testament is ons bezig-zijn met inleidingsvragen rond het Nieuwe Testament nauwelijks denkbaar. Bruce had niet voor niets de beschikking over de aan handschriften rijke Rylands library (een engelse bibliotheek met bijbelhandschriften). Maar ook voor de hermeneutiek (ik denk aan zijn boek over Paulus en aan het prachtige boekje over Nieuwtestamentische ontwikkeling van Oudtestamentische thema's) maken we dankbaar gebruik van zijn werk. Voor het Oude Testament is het net zo gesteld. Nadat door diens plotseling sterven het werk van prof. Benne Holwerda aan de vrijgemaakte hogeschool te Kampen was afgebroken, en zijn eerste aanval op Wellhausen, Kuenen en Graf bekend was geworden, hebben evangelische Amerikanen op hun wijze en vanuit hun achtergrond de hele Oudtestamentische inleidingswetenschap volgens Bijbelgetrouwe beginselen ontgonnen. Ik noem de namen van E. J. Young, R. K. Harrison en G. L. Archer. Wanneer men hun ontwikkelingsgang zou napluizen, dan zou men zien dat er duidelijke verbinding is met de ontwikkeling van het creationisme. En ook dat op een heel andere, veel wetenschappelijker en veel evenwichtiger manier als bij Keiler het gelijk van de Bijbel keer op keer naar voren komt. Voor de archeologie zouden er andere namen te - noemen zijn. Maar ik laat het hierbij. 't Was niet mijn bedoeling om een wetenschappelijk verhaal op te hangen. Slechts wilde ik graag onduidelijkheid aantonen van de argumenten, waarmee de heer Van der Graaf creationisme tegenover evolutietheorie stelt en er een oordeel aan verbindt. Hij suggereert hier teveel en argumenteert te weinig. Op dit punt gekomen, val ik Van Velzen bij, die natuurlijk niets anders heeft willen aantonen dan een geweldige achterstand, die wij hebben in de Bijbelgetrouwe manier van wetenschappelijk bezigzijn. Wat bieden wij op het gebied van Bijbelgetrouwe kommentaren? Wat doen wij voor de creationistische doordenking van de geschiedwetenschap? Of laten wij het maar over aan feminisme en evolutionisme? De vrijgemaakten zijn in feite de enigen onder ons, die vanuit een absolute trouw aan de heilige Schrift en aan de gereformeerde belijdenis leer-en studieboeken voor middelbaar en hoger onderwijs opzetten, de goede uitzonderingen in andere kerken en groepen niet te na gekomen. Zien we dat alles niet? Het alternatief is: trouw aan de staatsuniversiteit. Maar dan moet men ook slikken, methode na methode en afglijding na afglijding. Ons zou ootmoed passen, omdat we zo bitter weinig vanuit onze eigen kring - en ook ik val onder dit oordeel - hebben bijgedragen tot kerstening van middelbaar en hoger onderwijs. De heer Van der Graaf heeft dat, vanuit zijn ervaringen, meen ik ook bij.zijn afscheid aan de G. S. A.de Vijverberg gezegd. Daarom verwacht ik van hem een veel positiever en kompleter geluid, wanneer het gaat om gereformeerde en evangelische mensen, die proberen nu verder te komen in de uitbouw van wat als een bufferjaar en het ingieten van antistoffen begonnen is.
Visie
Aan het meest wezenlijke ben ik echter nog niet toegekomen. De visie achter de ICU is door een van de hoogleraren aan de fakulteit van Aix-en-Provence een keer zo onder woorden gebracht: In Frankrijk bevinden zich duizenden orthodoxe studenten of studenten van orthodoxe huize aan staatsuniversiteiten. Zij worden opgeleid voor een zondagschristendom. 's Maandags hanteren zij hun vak volgens geheel andere normen dan wat ze 's zondags gehoord hebben. Uiteraard was die hoogleraar zich niet bewust van de toepasbaarheid van deze woorden op de nood, waarin de ICU geboren werd en wordt. Ik pas die uitlating, die op de franse kontekst sloeg, toe op wat nu vanuit de EH wordt ondernomen. De westerse universiteit is niet opgezet als onderwijsplaats, maar in de eerste plaats als wetenschappelijk gilde, als ontmoetingspunt tussen geleerden en aankomende geleerden. Dat wil zeggen, dat de universiteit in de hoge Middeleeuwen stond of viel met de gemeenschap van degenen die zich daar bevonden. Dat kon lijden, omdat het christelijk geloof, hoe verschillend ook beleefd, norm was voor allen. Wij leven in een vergevorderd stadium van sekularisatie, ook en vooral in de wetenschap. De botsing van de ideologieën over de hoofden van onze kinderen rechtvaardigt de vraag, of wij hen langer aan deze gifkoker moeten blootstellen. Tot voor kort werd daarvoor in onze kringen als argument het volgende niemendalletje gebruikt: Och, straks komen ze toch in die wereld. En ze moeten er nu eenmaal doorheen. Enzovoort. Nauwelijks iemand nam serieus, in welke gewetensnood de student uit onze kringen bij het aanleren van zijn 'vak' terechtkwam. Het instituut van de studentenpredikant heeft in dezen zo ongeveer totaal gefaald. Thuis vonden velen geen gelegenheid om hun ouders in dezen te raadplegen. Al zouden die ouders het willen, en al gaven ze hun kinderen het beste mee wat ze ook geestelijk te bieden hadden, men kon toch van de meesten van hen geen diskussie over genen of atomaire splitsingen verwachten? ! De studentenverenigingen hebben beurtelings goed en kwaad in dit alles gedaan. De Gereformeerde Bond oriënteerde zich vooral op de nood onder theologanten. Alleen de Stichting voor Calvinistische Wijsbegeerte probeerde er in den brede wat aan te doen.4) En zij doet dat nóg. Men vergeve mij, als ik tezeer generaliseer en enkele goede uitzonderingen ongenoemd laat. Nu de vraag: zou dit alles bij datgene wat Van der Graaf van collega Exalto in de Hervormde Vaan aanhaalt, niet veelmeer dan al dat andere, de teneur hebben moeten zijn van wat hij in zijn nabeschouwing op de CSFR-winterconferentie zeggen wilde? En ik zal er nog iets aan toevoegen: zolang dit niet gezegd wordt, is het voor mij duidelijk, dat we de echte nood nog niet gepeild hebben, noch ervan doordrongen zijn. Zolang de historisch-kritische methode van Bijbelkritiek als verplicht akademisch nummer nog goedgepraat kan worden met een redenering als: het is wel goed voor al die vrome jongens om daardoor heen te gaan, vind ik dat die dat zeggen zich moeten schamen om gereformeerd te heten.
Ik weet wat het is om aan een rijksuniversiteit te werken. Ik weet ook wat het is om die rijksuniversiteit de rug toe te keren. Ik weet dat een aanhanger van de volkskerk en van de theokratie alleen maar met pijn en koorts kan staan naar een eigen christelijk opleidingsinstituut. Maar ik geloof dat de tijd gekomen is om het toch zo te doen, dan praat ik nog niet over andere zaken. Over het nut van zo'n instelling voor de 'derde wereld'. Mits gegoten in een bepaalde vorm, kan het materiaal van de ICU van nut zijn voor afstandsonderwijs in de ontwikkelingslanden en achter het 'IJzeren' Gordijn (via de media). Er heersen meer vragen dan antwoorden op dit punt, ook onderwijstechnisch. Maar wéér is het de keiharde werkelijkheid, die ons zal dwingen in die richting. De landen van de derde wereld schreeuwen om goed christelijk (hoger) onderwijsmateriaal. Tot nu toe heeft door Gods wondere voorzienigheid, ik kan het niet anders zien, kommunistische infiltratie (van de CUL in Londen e.d.) weinig resultaat gehad. Zou het niet een van de laatste kansen van het christelijk hoger onderwijs zijn om daar hulp te bieden? Volgende vraag: wie doet dat op een bijbelgetrouwe wijze? Ziedaar, in mijn ogen althans, een van de taken van christenen op akademisch niveau in onze dagen.
Kerkelijk gebonden?
Nu het laatste punt. Geen kerkelijke gebondenheid, zegt Van der Graaf, maar wel confessionele gebondenheid. Hij stelt in dit verband aan de beginnende ICU deze vraag: 'Men zal "school" gaan maken. Gaat het dan om gereformeerd belijden aangaande de Schrift en over de consequenties daarvan in het (natuur)wetenschappelijk bezig zijn? Of gaat het om een fundamentalistische benadering, zoals Kamphuis aanstipt? ' Hij stelt die vraag in verband met de verhouding tussen de theologie en de andere wetenschapppen aan een nieuwe christelijke universiteit. Ik vind dit een theoretische vraag. Ik kan er geen kant mee uit. Het liefst zou ik zeggen: Waarschijnlijk geen van beide. Het fundamentalisme wordt doorbroken, zoals ik al heb vermeld, zodra het op echte wetenschappelijke onderzoekingen en toepassingen aankomt. En bij gereformeerd belijden aangaande de Schrift met zijn konsekwenties voor het wetenschappelijk bezigzijn, zou ik Van der Graaf willen vragen: Zullen dit andere konsekwenties zijn, dan die een strikt Bijbelgebonden wetenschapper van niet-gereformeerde origine trekt voor zijn vakwetenschappelijk bezig-zijn? Iets anders is - maar dat vraagt Van der Graaf niet - dat de visie weleens een hartig woordje mee zou kunnen spreken over de ruimte, die men behoeft om aan die visie gehoorzaam te zijn. En die ruimte kan mij, zoals wel vaker in de geschiedenis vertoond is, dicht in de buurt brengen van een baptist of man van de vergadering der gelovigen, die in zijn geweten minstens zo Schriftgebonden is als een rechtgeaarde gereformeerde. Of kan dat soms niet? Prof. dr. C. Graafland heeft eens over het gesprek met tegenstanders van de kinderdoop gezegd, dat het misschien aanbeveling verdient om niet een gesprek aan te gaan over de inhoud van het klassieke doopformulier, maar over de in dat formulier verwerkte Schriftgegevens. En hij had goede hoop, dat dan toch de helderheid van de Schrift de doorslag zou geven in zaken als bijvoorbeeld de verhouding tussen doop en belijdenis. Met nog meer grond (want het gaat toch niet bij de universiteit om een kerkelijke verstrengeling) pas ik datzelfde beginsel toe op de christelijke, d.w.z. Schriftgebonden ruimte van een nieuwe christelijke universiteit. Aan de EH heb ik Pinkstermensen de Catechismus zien nazoeken en jongeren uit de Gereformeerde Gemeenten opwekkingsliederen horen zingen. Mag dat? Ik heb mensen totaal niet van gereformeerde huize Groen zien bestuderen en anderen uit de Oudgereformeerde Gemeenten chiliastische stromingen onder de loupe zien nemen. Is dat geoorloofd? Ja, maar wat is dan de norm, zult u vragen. Ik heb een tegenvraag: had Guido de Brés een andere norm dan de heilige Schrift zelf? Het gereformeerde geloof is toch geen vooronderstelling bij de Schrift maar vrucht van het werk van Geest en Woord aan ons hoofd en hart.
Besluit
De confessie wordt natuurlijk ook niet in mijn geval door de wenselijke ruimte en armslag beurtelings verwijd of verengd. Ik zie echter aan de hele beweging van de ICU een gunstig bijverschijnsel, namelijk dit: de christenheid wordt erdoor tot haar wortels gedreven in haar verantwoordelijkheid voor (hoger) onderwijs en wetenschapsbeoefening. Dat deze verantwoording zo ruim mogelijk geschiedt, is een zaak van geboden eerlijkheid ten opzichte van de wortels van het gereformeerde belijden in het vroegchristelijke belijden. En ik ben bij alle kritiek, die ik in zijn richting heb gegeven, tenslotte toch echt blij met het slot van het artikel van Van der Graaf: hij verklaart zich bereid en roept op tot meedenken met hen die serieus met deze vragen bezig zijn. Wanneer ik hem goed versta, dan spreekt hij daarmee vanuit het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een principiële bereidheid uit tot kritische begeleiding. En meer mogen we medunkt op dit moment van elkaar niet vragen. Ik stel er tenslotte prijs op te verklaren, dat ik deze reaktie puur op eigen titel geschreven heb en zonder opdracht van of verantwoordelijkheid jegens de initiatiefnemers van de ICU.
1) Bedoeld is: amerikaans fundamentalisme, v. d. G.
2) Wetenschapsbeoefening, uitgaande van het historische van de schepping
3) Dit is tijdens de CSFR-forum discussie, waaruit mijn artikel ontstond uitdrukkelijk gedaan.
4) Ik bedoel: in de wijsgerige vooronderstellingen van de verschillende vakgebieden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's