Globaal bekeken
De Psalmen van Datheen zijn nog lang in het Zeeuwse in bepaalde gemeenten gezongen, ik denk dat dit zo goed als voorbij is. Psalmen van Datheen in de Sint Janskerk in IVJaastricht vandaag verwacht men niet direct. Het gebeurde bij het driehonderd-en-vijftig jarig bestaan van de hervormde gemeente aldaar. Hier volgt de toelichting uit Kerknieuws van Scheps.
'Dat toch, Heer! de volken met zingen U zeer danken vrij openbaar. En met vreugd Uwen lof voortbrengen, Hen in U verheugen eenpaar."
Deze psalm van Petrus Dathenus klonk zondagmiddag 31 oktober jl. door de gewelven van de Sint Janskerk in Maastricht. Daar vierden de Hervorm-. de Gemeente en de Gereformeerde Kerk dat 350 jaar geleden de Hervormde gemeente was gesticht.
Toen Fredehk Hendrik zondag 22 augustus Maastricht veroverde, betekende dat dat de gereformeerden voortaan ongehinderd hun erediensten konden houden. Ze kregen vrijheid van godsdienst. Dat kregen de rooms-katholieken trouwens ook. De stad Maastricht behoorde namelijk aan twee heren, nl. aan de koning van Spanje als her-tog van Brabant en aan de bisschop van Luik. Door de verovering traden de Staten-Generaal in de rechten van de Spaanse koning. De rechten van de bisschop van Luik bleven bestaan. Bij de capitulatie van de Spanjaarden in 1632 werd bepaald dat de rooms-katholieken vrijheid van godsdienst zouden houden.
Zou Dathenus, toen hij in 1566 op het bolwerk in Maastricht preekte, hebben vermoed dat zijn kort daarvoor tot stand gekomen berijming van de psalmen, een eeuw later zondag aan zondag in de Sint Janskerk zou worden gezongen? Voor het zover was, zouden de reformatorische christenen in Maastricht nog heel wat moeten doormaken.
In de periode van augustus 1566 tot maart 1567 was de situatie gunstig voor de protestanten in Limburg die toen zo talrijk waren dat inquisiteurs van Margaretha van Parma zouden hebben gerapporteerd dat men hen niet allen kon ombrengen daar dit een te groot bloedbad zou veroorzaken. De aanhangers van de Reformatie beschikten enkele maanden over een eigen kerk, de Sint-Matthijskerk, zij het dan dat ze die gekraakt hadden. Het stadsbestuur maakte een akkoord waarin werd bepaald dat "predikanten of hoorders van beide godsdiensten" binnen de stad op geen wijze
mochten worden gehinderd of gestoord. In deze periode viel het korte verblijf van Dathenus, die op doorreis van de Palts naar Vlaanderen enige tijd in Maastricht verbleef.
MOEILIJKE JAREN
MOEILIJKE JAREN Lang hebben de Calvinisten zich echter in hun vrijheid van godsdienst niet mogen verheugen. De raad van Maastricht besluit 31 maart 1567 dat de predikanten van de nieuwe religie moesten ophouden met prediken en de stad moesten verlaten. De Calvinisten verdwenen uit Maastricht en werden gastvrij opgenomen in Aken. Die beslissing van de raad was voor de Calvinisten een zware slag.
In zijn boek Het Protestantisme in het bisdom Luik en vooral te Maastricht 1505-1612noemtds. W. Bax, die predikant is geweest in Maastricht, 31 maart 1567 een diesater, een zwarte dag, "wijl hij de. fatale beslissing bracht, die hunne vervolging reeds inhield".
Er zouden inderdaad moeilijke jaren volgen. De raad van Maastricht deed al het mogelijke om het rooms-katholicisme te handhaven.
Hij waakte voor het behoud van het rooms-katholieke karakter van de stad. De brandstapels rookten weer. Er werden in januari 1570 vier doopsgezinden verbrand en in juni van dat jaar werden elf doperse mannen en vrouwen verbannen. Er werd in 1575 een college van de jezuïeten geopend.
Weliswaar brak er na de Pacificatie van Gent, die 8 november 1576 tot stand kwam een betere tijd aan, omdat de Spaanse troepen Maastricht moesten verlaten, maar lang duurde deze niet, wantin 1579 namen de Spanjaarden Maastricht weer in. De Sint-Matthijskerk die de protestanten weer korte tijd in bezit hadden gehad, moesten ze weer afstaan. Meer dan een halve eeuw zou Maastricht Spaans blijven. Maar ook gedurende die periode, die niet makkelijk voor de calvinisten is geweest, heeft er steeds een kleine calvinistische gemeente bestaan. Het onmogelijke bleek hier mogelijk, aldus Bax, die spreekt van een kleine gemeente onder het kruis. Ze zal heimelijk op een kamer of in een zaaltje bijeen gekomen zijn. Bax weet niet waar dat gebeurde. Deze gemeente heeft zelfs een aantal jaren een predikant gehad. Dat was Johannes Leimpstad, die omstreeks 1609 aan haar verbonden Is geweest.
Tot de verovering door Frederik Hendrik in 1632 heeft ze standgehouden, zoals Bax schrijft "trots tegenwerking en verachting".
GROTE BLOEI
Maar in 1632 komt er een eind aan de benauwdheid en de druk. Vanaf dat jaar zal de gemeente zich ongestoord kunnen ontwikkelen en zelfs tijden van grote bloei beleven. Alleen tijdens de perioden dat de Fransen Maastricht bezet hielden, hebben de calvinisten hun voorrechten moeten missen. Er kon onmiddellijk na de verovering van Maastricht een gemeente worden geïnstitueerd. Er werden vier ouderlingen en vier diakenen gekozen. Nog in hetzelfde jaar kreeg de gemeente haar eerste predikant, Phiiippus Ludovicus die uit Den Haag kwam en vijfendertig jaar, nl. tot aan zijn dood in 1667, aan haar verbonden zou blijven. Sinds 1658 was hij emeritus predikant, maar dat betekende alleen maar dat hij was vrijgesteld van preken. De Staten Generaal verwachtten dat hij "'t allen tyden, syne dispositie sulx toelaetende alle ministeriale bedieningen" zou verrichten. Vrijwel onmiddellijk nam men de Sint-Matthijskerk weer in gebruik. De gemeente vierde er 5 september het Avondmaal. Er zaten inwoners van Maastricht aan die zich nog herinnerden dat ze meer dan een halve eeuw geleden ook de diensten in de Sint-Matthijs kerk hadden bijgewoond. Zo vertelt Bax van een vrouw, die op die zondag 5 september de predikant na de kerkdienst omhelsde en daarbij de woorden vam Simeon aanhaalde: ze kon in vrede gaan, nu haar ogen dit alles nog hadden gezien. Een jaar laten werd ook de Sint-Jans-kerk aan de Calvinisten afgestaan.'
'Nieuwigheden uit de oude doos'. Daarover gaat een stukje uit de januari-contactbrief van de GZB. Het is een beschrijving van de zending in de negentiende eeuw van S. E. Harthoorn uit 1857. 'Zendlngsromantiek' was toen een bekend gegeven.
'Hoe stelt men zich de zendeling voor? Men ziet hem als een omroeper van de boodschap des hells, want de heidenen denkt men zich als beklagenswaardige natuurgenoten in grote nood, ge bogen onder hun zonden, verschrikt door hun goden, zieltogend de christenen toeroepende: Komt over en helpt ons! De zendeling geeft aan die noodkreet gehoor en gaat hun vertellen; gij zondaars, vreest niet, gelooft alleen. God heeft u lief! Verheugd grijpen de heidenen die tijding aan, zij geloven, zij bouwen een kerk en worden ons tot een beschamend voorbeeld.
Zou dit alles nu juist zijn? Waar is dat de nood der heidenen groot is, en ervanuitdie treurige toestand een appèl op de christenen uitgaat, maarniet waar is dat men zijn ongeluk ookzou voelen en beseffen. Het eerste werk van de zendeling is daarom behoefte te wekken aan Gods genade. Daartoe moet hij niet vanuit zijn eigen denkwereld spreken maar zich verplaatsen in de persoon tot wie hij spreekt. Een uiterst moeilijke zaak is dat, zich al dat vreemde eigen te maken, nationale gewoonten en zonden te leren onderscheiden, in de heidense godsdienst aanknopingspunten te vinden, in de begrippenwereld en de roerselen der harten door te dringen. Al rondtrekkende bijbels en traktaten uitdelen werkt niets uit, als men blijvende vrucht wil kweken is het geduldig vormen en leiden van een kleine discipelenkring nodig, zoals de Heere dat deed. Bovendien is de taak van de zendeling niet alleen mensen tot belijdenis van geloof in Christus brengen; juist daarna ook is zijn stevige, leidende hand nodig, want welk een macht bezit het oude leven nog over de nieuwe christenen, in hun geslachten en daden. Hoeveel tijd en geduld kost het om de oude voorstellingswereld en het vertrouwde gedragspatroon met de geest van Christus de doordringen en om te vormen. Deze voorstelling van het zendingswerk zal velen minder behagen. Men hoort nu niet meer van ontelbare scharen die zich om de zendeling verdringen, niet van indrukwekkende bekeringsgeschiedenissen, of van heldhaftige zendeling-martelaars. Maar wat is hartverheffender, een zendeling als redenaar die de heilsboodschap als een krantebericht over duizenden rondbazuint, of één die als een stille huisvriend met enkelingen diepgaand over het geestelijk leven spreekt, en in nederigheid en zelfverloochening zijn medemens zoekt te begrijpen en hem het Evangelie tracht te openen?
De zending mag niet verdreven worden naar het gebied van het wonderbare, opzienbare. Zolang men dat doet heeft men ook een vals denkbeeld van het soort arbeider dat ervoor verlangd wordt. Men ziet hem als de nooddruftige lijder en als de triomfantelijke overwinnaar. De werkelijkheid doet ons de zendeling kennen als de liefdevolle opvoeder, de behulpzame vriend, de vermanende en biddende vader, die alleen op de kracht en leiding hoopt van de Heere.'
Werkeloosheidscijfers, kille getallen met een wereld van leed erachter. Hier volgt één en ander uit 'Aan 't werk' van de Hervormde Stichting voor Maatschappelijk Welzijn in de provincie Zuid-Holland:
'Eind september 1982 heeft Nederland ruim 570.000 werklozen en ongeveer 700.000 arbeidsongeschikten. Voor Zuid-Holland betekent dit 108.000 werklozen. Dit is 11, 4% van de beroepsbevolking. Daaronder zijn 30.100 jeugdigen onder de 25 jaar, waarvan 18.000 schoolverlaters. Bijna de helft van het aantal werklozen is jonger dan 25 jaar.
Het percentage werkloosheid onder de buitenlandse arbeiders, Surinamers en Antillianen, is zelfs bijna 20%.
Arbeidsbureaus Alphen a/d Rijn Delft Westland Dordrecht Ridderkerk Gorinchein Gouda Woerden 's-Gravenhage Leiden Lis se Spijkenisse Middelharnis Oud-Beijerland Rotterdam Nwe Waterweg Nrd Totaal mannen 1.687 2.519 691 4.465 778 2.440 3.403 452 16.436 5.448 1.384 1.877 768 674 24.865 4.573 72.460 % 7, 0 8, 6 4, 2 7, 3 4, 9 9, 1 • 7, 5 6, 6 10, 5 10, 4 6, 5 7, 3 9, 3 4, 7 16, 0 8, 6 10, 2 vrouwen 789 1.283 344 2.427 527 1.223 1.596 268 7.641 2.349 708 1.400 322 408 11.960 2.679 35.924 % 12, 9 13, 9 6, 5 15, 2 17, 0 16, 9 13, 5 12, 8 11, 2 12, 4 10, 0 18, 4 11, 1 12, 2 21, 0 18, 5 14, 9 Uit 'De Ingenieur' het volgende ingezonden stuk uit 'De Ingenieur van 1886', met daaronder (maar tegelijk meegenomen) een stukje over 'verrundering'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's