Christelijke levensstijl en ambtelijke verantwoordelijkheid (Deel 3) (Slot)
Hoe staan wij tegenover een evangeliserende jongerengroep in onze gemeente (Dabar of anderszins) met hun electrische gitaren en hun pop-genre-achtige liederen?
Onder deze titel is door mij een tweetal artikelen geschreven in De Waarheidsvriend van 27 januari en 3 februari jl. Zij waren de samenvatting van de lezing, gehouden op de ambtsdragersvergaderingen van Middelharnis en Veenendaal in de maand november 1982. Vooral in het laatste deel van de inleiding zijn toen een aantal praktische zaken aan de orde gekomen, waarmee ambtsdragers nogal eens te maken krijgen. Zij zijn als losse opmerkingen en vragen in de inleiding genoemd om het gesprek vooral daarover met elkaar te kunnen voeren. Inmiddels hebben enkele dingen, die ik in het slot van de gepubliceerde inleiding opsomde, bij de lezers vragen opgeroepen die mij telefonisch en via een enkele brief bereikten. Begrijpelijk, want mijn opmerkingen waren juist bedoeld om met de gestelde problemen bezig te zijn. Op één van deze vragen, waarover op de genoemde ambtsdragersvergaderingen ook is gesproken, wil ik ter verduidelijking nog iets over schrijven, omdat het een punt betreft, waarover enig misverstand zou kunnen bestaan. Het gaat om de volgende zinsnede uit het laatste deel van het tweede artikel: 'Hoe staan wij tegenover een evangeliserende jongerengroep in onze gemeente (Dabar of anderszins) met hun electrische gitaren en hun pop-genre-achtige liederen 'Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart...'
Onze gezamenlijke opdracht
In mijn huidige gemeente - daaraan is het voorbeeld mede ontleend - is er zo'n evangeliserende zanggroep. Toen zij indertijd met hun werkzaamheden begonnen, hebben zij gevraagd naar het oordeel van de kerkeraad. En de kerkeraad heeft door de instelling van een begeleidingscommissie ambtelijk kontakt met hen gelegd en onderhoudt dat nog steeds. Dat is iets, waar ik heel blij mee ben. Mogen jonge mensen, die de boodschap van het Evangelie evangeliserend willen uitdragen en daarbij kiezen voor een muzikale vormgeving, waar wij wellicht minder aan gewend zijn, maar die welbeschouwd zonder bezwaar moet kunnen dienen voor het overbrengen van de bijbelse boodschap, mogen zij rekenen op hartelijk meeleven van de kant van een ambtelijke vergadering? Staan wij niet gezamenlijk voor de hoge opdracht om het Woord Gods te verkondigen, juist in een zo verworden tijd als de onze? Zulk een positieve begeleiding van een initiatief als het genoemde juich ik dus van harte toe. Ik moet dan ook zeggen, dat ik tijdens enkele avonden, waarop deze zanggroep optrad bepaald onder de indruk ben gekomen van hun bezield getuigend bezig-zijn. Een heilige hartstocht onder jonge leden der gemeente om het Woord Gods uit te dragen vind ik altijd weer een verrassende zaak. En we moeten echt niet denken, dat dat in de kerken niet meer gevonden wordt, al kan het er in veel sterker mate zijn. Zo verblijd ik me er ook intens over, als ik een aantal jongeren van rondom de twintig bezig zie om jonge leeftijdgenoten die een onkerkelijk leven leiden, persoonlijk te benaderen en met hen te spreken over het enige houvast in leven en sterven.
Looft Hem op uw blijde snaren
Maar of er aan het genre muziek dat door sommige evangeliserende zanggroepen gekozen wordt als medium voor het uitdragen van het Evangelie, dan niet ook bezwaren kleven, vraagt iemand. Dat zal zeker zo zijn. Maar iets principieel afwijzen, omdat het zo anders is dan wij gewend zijn of omdat we er geen gevoel voor hebben, geeft geen pas. Laten we elkaar liever wijzen op de geweldige mogelijkheden, die er liggen in de wereld van de muziek om de boodschap van zonde en genade te vertolken, inclusief de ritmisch sterk gestileerde gitaarmuziek. 'Looft Hem met de harp en luit, looft Hem met de trom en fluit, looft Hem op uw blijde snaren' (Ps. 150 : 2 ber.). Wij leven in onze keiharde wereld van dode cijfers en naakte feiten, van zakelijkheid en materialisme, van menselijke grootdoenerij en angst en eenzaamheid daarbij; een wereld, waarin alle deuren voor de levende God boven wolken en sterren op het nachtslot geworpen lijken te zijn; een wereld, waarin vooral jongeren geen geborgenheid, geen veilig plekje meer vinden, geen liefde en begrip; een wereld dan ook, waarin (jonge) mensen van pure verlegenheid en armoe tasten naar enig ondefinieerbaar en hartveroverend gebeuren, een soort 'happening', eem mystiek ervaring, een, 'high'-toestand of zoiets. Welnu, waarom zouden we niet als Paulus op de Areopagus midden in die wereld gaan staan? Waarom zouden we niet pal voor alle gesloten deuren en nog veel liever achter die gesloten deuren (als Paulus en Silas in Filippi's gevangenis) psalmen zingen in de nacht? Misschien dat de gevangenen naar ons horen. Misschien zal een melodie, een lied uit de diepte van ons even verloren mensenhart en uit de volheid van het Evangelie opgezongen, harten doen breken. 'Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart...' En zouden dan niet de harp en de luit, de trom en de fluit, de blijde snaren de ruimte kunnen scheppen, waarbinnen dat lied zo kan opklinken, dat moderne losgeslagen (jonge) mensen ervan ophoren? Een ruimte en sfeer, die spreken van hartstochtelijke liefde van Jezus. Ook ruimte en sfeer doen samen met mensenwoorden mee in de bemiddeling van de boodschap des heils. 'Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken' (Hand. 2 : 11).
Maar de vraag van zojuist is nog niet geheel beantwoord. Moeten wij met het genre muziek dat wij uitkiezen als medium voor evangelie-verkondiging niet ook voorzichtig zijn? Daarover dan nog het volgende.
Gevoel en geloof
Een sterk gevoelsmatige sfeer die wij oproepen door tere snaren, is bepaald niet alles. Gevoel zonder meer is drijfzand. Een keuze voor Jezus, in deze sfeer opgeroepen, hoeft niet een werkelijke geloofskeuze te zijn. Met sfeer en gevoel ebt soms ook weer een heleboel weg. Bovendien heeft een echte geloofskeuze niet alleen met het hart (gevoel) te maken, maar ook met de wil en ook met het verstand. 'Maar ik beleed na ernstig overleg mijn boze daan; Gij naamt die gunstig weg' (Ps. 32 : 3 ber). Bekering is niet in één of twee seconden gedaan. Het heeft met heel de existentie van de mens, met heel het dagelijkse bestaan, met heel het mensenleven zelf te maken . En dat vooral omdat zonde niet iets is, dat je zomaar even van je afschudt. En dat vooral omdat bekering (verandering van gezindheid) iets is dat door Gods wederbarende Heilige Geest wordt gewerkt. Zie wat de Dordtse Leerregels daarover zeggen (in III, IV, 11). Dat alles doet niets af van de noodzaak om op te roepen tot bekering en geloof. Maar het verlost ons wel van de krampachtigheid van een remonstrantisme, dat uitgaat van de overtuiging, dat de mensen door de zachte aandrang van het Evangelie op zich wel zo verstandig en gewillig zullen worden, dat zij het Evangelie gaan aannemen. Dat is een fatale vergissing. En dat kan dus nooit de ondergrond van onze evangelisatiearbeid zijn. Wat dat betreft zie men dus ook toe op de inhoud van de liederen, die gekozen worden in ons evangelisatiewerk.
Muziek en evangelisatie
Nog iets tot slot. Ook het genre muziek, dat wij gebruiken om daardoor de boodschap van Gods Woord te bemiddelen, is iets, dat we zullen moeten bewaken. Voor enige tijd galmde er telkens door de radio een top-hit: 'By the rivers of Babylon, there we sat down...' Een Engels jazz-lied met de woorden van psalm 137. Pasklaar gemaakt voor de dansvloer. Met muzikale ritmiek kan men gemakkelijk ook hartstochten wakker roepen. Men kan er mensen mee manipuleren. Men kan er ook het heilig Woord van God mee manipuleren. 'Wij hebben een woord voor de wereld'. Ja maar wij mogen er tegelijk wel op toezien, dat wij met onze muzikale middelen het heilig Woord van onze God weghouden uit de sfeer van hartstocht die ons aan de wereld gelijkvormig zou maken. En omdat wij met onze muzikale middelen bij de verbreiding van de bijbelse boodschap niet een soort 'sensitivity-training' beogen, daarom houden wij de pas in en daarom trekken we ook onze grenzen in de keuze van het genre muziek.
Blijve overigens de wens van ons hart, dat de Heere van de kerk onder vele jongeren van de gemeente een heilig begeren wakker maakt om met dat wat hun wordt toebetrouwd van zondag tot zondag in de prediking dès Woords en dat wat ervan leeft in hun jonge hart, met alle gaven die hun van God geschonken zijn, ook uit te dragen in een wereld, die van God is afgevallen.
'Wij doen niet recht. Deze dag is een dag van goede boodschap'
'En wij zwijgen stil' (2 Kon. 7 : 9). Nee, wij kunnen niet zwijgen. 'Wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben' (Hand. 4 : 20).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's