De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De wraakgedachte in de psalmen (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De wraakgedachte in de psalmen (4)

11 minuten leestijd

De wraakteksten kunnen in twee groepen worden verdeeld, al naar gelang de vraag wie de vijand is, waar men zich tegen richt.

In het vorige artikel werd in vogelvlucht een overzicht gegeven van de wijzen van benadering van de wraakpsalmen sinds de reformatie. Nu zijn we toe aan een beschouwing van de materie op zich.

De wraakteksten kunnen in twee groepen worden verdeeld, al naar gelang de vraag wie de vijand is, waar men zich tegen richt. In de ene groep wordt met de vijand bedoeld: de heidenen, de vreemde volkeren, die het op de ondergang van het volk Gods hebben gemunt. Zo b.v. psalm 74, waar geklaagd wordt over de vijanden die het heiligdom des Heeren hebben verwoest. Datzelfde geldt ook van psalm 137, dat dateert uit de tijd van de ballingschap van de Joden in Babel. Deze psalm eindigt met een strafrede tegen Babel vanwege de onderdrukking aan het volk der Joden aangedaan. Daarnaast wordt Edom in die strafrede betrokken, vanwege het leedvermaak dat dit broedervolk heeft getoond ten aanzien van de ondergang en nederlaag van Israël.

Hiermee komen we op de tegenstelling tussen Israël en de volkeren, een thema dat door heel het Oude Testament heen loopt. God heeft Israël uitverkoren en op een aparte plaats gezet. Zulks tot heil van de volkeren. Maar die aparte plaats wordt door de volkeren Israël niet in dank afgenomen. Integendeel, wordt daardoor de vijandschap van de volkeren opgewekt. Israël was en is een volk, dat alleen staat.

Vijandschap tegen Israël is in de Bijbel ook steeds vijandschap tegen de God van Israël. Daarom wordt de strijd van Israël met zijn vijanden hoog opgenomen. Het gaat immers om niemand minder dan de Heere zelf. Van hieruit wordt de ijver begrijpelijk, waarin tegen de vijanden wordt gefulmineerd. Dit is geen fanatisme of blinde vijandenhaat, maar ijver voor de naam en de zaak des Heeren. De gerichte psalmen tegen de vreemde volkeren moeten gezien worden tegen de achtergrond van de grote strijd tussen de Heere God en Zijn vijanden tussen het licht en de duisternis. De tweede groep van de wraakpsalmen is gericht tegen andere belagers. Deze psalmen hebben niet zo zeer een politieke strekking, doch zijn gericht tegen de persoonlijke belagers van de dichter. Deze belager kan even goed iemand zijn uit het eigen volk. Iemand die het recht vertrapt en wees en weduwe vedrukt. Deze belager wordt b.v. getekend in psalm 14. Het is de dwaas, die in zijn hart zegt: Er is geen God. Deze dwaas verderft het en bedrijft gruwelijke misdaden. Hij is het die de rechtvaardige verslindt alsof hij brood eet. Deze doet net alsof er geen God is en houdt daarom ook geen rekening met Zijn geboden en beloften. Hij doet wat goed is in zijn eigen ogen en ziet er daarom ook geen bezwaar in om zijn naaste ten eigen bate te vertrappen. Tegen die belager roept b.v. de dichter van psalm 109 Gods bijstand in. Het optreden van die belager is des te erger, daar hij behoort tot het broedervolk en dus Gods wet moet kennen. Tegen beter weten in vertreedt hij Gods geboden en doet hij alsof er geen God is. De dichter is door die belagers in diepe existentiële nood gebracht. Vanuit die diepe nood vlucht hij tot de Heere en roept Zijn bescherming in. Vanuit die nood kan hij ook bidden om wraak over die vijand.

Drie psalmen

Om de zaak nog wat meer op het spoor te komen zal ik thans wat meer aandacht gaan geven aan de psalmen 94, 109 en 137. Immers deze drie psalmen behoren wel bij uitstek tot wat wij noemen de wraakpsalmen. Zoals gezegd, komt de wraakgedachte wel voor in 100 van de 150 psalmen, doch deze 3 genoemde psalmen springen er bovenuit.

Psalm 94

Dit is één van de vele psalmen, waarin wordt geklaagd over onrecht en onderdrukking door machtige goddelozen. Deze psalm valt in 2 delen uiteen. In het eerste deel (vers 1 tot 15) houdt de dichter zich bezig met het lot van het volk des Heeren. In het twééde deel houdt hij zich bezig met het lot van zichzelf. Toch kunnen beide helften niet uit elkaar gehaald worden. Immers als hij in het eerste deel spreekt over het volk des Heeren, dan beschouwt hij ongetwijfeld ook zichzelf als delend in de nood en het verwachte heil van dat volk. De dichter is in grote nood, hem aangedaan door zijn belagers. Tegen die belagers roept hij de wraak Gods in. Vandaar de aanspraak:

O God der wraken, o Here, God der wraken, verschijn blinkende. De aanspraak: God der wraken betekent hetzelfde, als de aanspraak die in vers 2 wordt gebezigd: Rechter der aarde. De God der wraken. Let op, er staat hier een meervoud: Wraken. De goddelijke wraak is niet anders dan Gods straffende gerechtigheid. De dichter smeekt om herstel van het recht, hetgeen behalve straf voor de goddelozen, ook verlossing van de rechtvaardigen inhoudt. God de Heere is de grote handhaver van het recht. De bede: God der wraken, verschijn blinkende, is dan ook hetzelfde als: Gij rechter der aarde, breng de gerechtigheid aan het licht. Gij rechter der aarde, verhef U. Dat wil zeggen Gij rechter der aarde, neem Uw plaats in op Uw rechterstoel en breng vergelding weder.

In de verzen 3 t/m 7 wordt de motivering gegeven voor deze bede. Deze komt hierop neer: Reeds al te lang hebben 'de goddelozen' de overhand, zodat zij in hun hoogmoed juichen en hovaardige taal spreken. In hun verwatenheid doden zij de weduwe en de vreemdeling en zij vermoorden de wezen. Ze zeggen daarbij: De Heere ziet het niet en de God van Jacob merkt het niet.

Het is alsof de dichter wil zeggen: Heere, dit kwaad kan toch niet op de aardbodem blijven voortwoekeren, hier moet u toch vergelding over doen? De dichter doet een beroep op de goddelijke gerechtigheid, die hoe dan ook moet zegevieren. De goddelozen mogen niet gaan denken, dat zij wel hun gang kunnen gaan, want dat God het toch niet ziet. God houdt totale afrekening met de aanranders van Zijn gerechtigheid. Hij merkt het wel ter dege op en de goddelozen moeten niet denken, dat zij het laatste woord zullen hebben. Zou Hij, die het oor plant niet horen? Zou Hij die het oog formeert niet aanschouwen? Hij weet de gedachten van de mens, dat zij ijdelheid zijn. De vijand in deze psalm is dus duidelijk, iemand uit het eigen volk. In vers 5 staat, dat deze belager 'Uw volk' verdrukt, doch dit brengt niet mee, dat hier sprake is van de verdrukker van wees en vreemdeling, hetgeen wel iemand uit de nabije omgeving moet zijn. Bedoeld is dus een ontrouwe Israëliet of de ontrouwe Israëlieten, die de wet van God vergeten en doen alsof God niet bestaat en dan de weduwe, de wees en de vreemdeling verdrukken. Op deze manier voeren zij juist het volk van God, 'Zijn erfdeel' ten gronde. De dichter bidt: 'Here, U zult dat toch niet toelaten, U zult daar toch vergelding over doen? '

In het tweede gedeelte van de psalm gaat de dichter in op zijn persoonlijke nood. In wezen valt dit samen met de gedachte, die spreekt uit het begin van de psalm. Zijn persoonlijke nood valt samen met of maakt deel uit van de nood van zijn volk als gevolg van het optreden van deze goddelozen. De gedachte kan er bij de dichter niet in, dat deze goddelozen hun zin zouden krijgen. Hoor maar vers 20: 'Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? ' Voor de dichter rest er maar één conclusie: Deze verwaten goddelozen moeten verdelgd worden. Het recht zal moeten zegevieren, want het gaat om Gods zaak. De dichter bidt, dat God Zijn straffende gerechtigheid laat blijken over de goddelozen en de verdrukte rechtvaardige zal bevrijden.

De dichter neemt het recht niet in eigen hand, maar hij laat het over aan Hem, die rechtvaardig oordeelt. Als God zijn oordelen uitvoert, kan hij niet anders doen dan in stilte zich hierover verwonderen. 'Het oordeel keert vol majesteit, haast weder tot gerechtigheid. Elk die oprecht is van gemoed, die merkt het op en keurt het goed.' Wat de dichter uiteindelijk doet, is zich stellen onder de bescherming van de Rechter der aarde, in wiens handen zijn zaak veilig is. Hoe hoog de nood ook mag gaan, hij zal in dit moeilijke leven zijn volk en erfdeel nooit begeven. De dichter is weliswaar onthutst door de vele raadsels, die hij waarneemt. Zullen de goddelozen toch het laatste woord hebben? Neen, hoe het ook loopt, dit zal niet gebeuren. Hij vindt rust in het vertrouwen op zijn God. Ook al mogen dan zijn gedachten in hem vermenigvuldigd worden. Gods vertroostingen hebben zijn ziel verkwikt.

J. P. de Man

VEROORDELING APARTHEID NU GE­ LOOFSARTIKEL IN NEDERDUITSE GE­ REFORMEERDE ZENDINGSKERK.

(Bellville, Zuid-Afrika) In scherpe bewoordingen lieeft de Generale Synode van de Nederduitse Gereformeerde Zendingskerk in Zuid Afrika (NGSK) de veroordeling van de Aparthied een geloofsartikel gemaakt. De synode verklaarde dat. Omdat het wereldse evangelie van de apartheid ten diepste een wezenlijke bedreiging vormt voor de belijdenis van verzoening in Jezus Christus en voor de eenheid van de kerk van Jezus Christus verklaart de Nederduitse Gereformeerde Zendingskerk in Zuid Afrika dat dit voor de kerk van Jezus Christus de kracht heeft van esn Status confessionis. Status confessionis betekent dat apartheid een zaak is waarover men niet van mening kan verschillen zonder de integriteit van onze gezamelijke belijdenis als Gereformeerde Kerken in gevaar te brengen. Wij verklaren dat apartheid (afzonderlijke ontwikkeling) zonde is, dat een morele en theologische, rechtvaardiging er van een bespotting van het evangelie is, en dat volgehouden ongehoorzaamheid aan het Woord van God een theologische ketterij is. De synode van de NGSK besloot tot deze ongehoorde stap omdat volgens haar oordeel 'De politieke en kerkelijke structuur van Zuid Afrika er een is in welke onverzoenbaarheid verheven is tot een maatschappelijk principe, en waarin, ondanks vermeende goede bedoelingen, de hebzucht en bevooroordeeldheid van de machtigen en bevoorrechten zich verschanst hebben ten koste van de onmachtigen en minder bevoorrechen'. De NGSK had eerder haar tegenkanting tegen de aprtheid uitgesproken, maar nimmer in zulke sterke bewoordingen. In een bijgaand schrijven verklaart de synode dat de kerk een gemeenschap van verzoende mensen moet. zijn als gevolg van de verzoening tussen God en mens. Apartheid is er op uit om de mensen apart, van elkaar te houden, en daarom is ze tegenstrijdig met de verzoening. Apartheid verwerpt in principe de mogelijkheid dat de groepen samen gebracht kunnen worden en dat een vreedzaam samenleven de spanning en conflict kunnen vervangen. De 'afzonderlijke 'afzonderlijijke ontwikkeling' als een vervanging voor de gehate term apartheid verandert niets aan dit fundamentele uitgangspunt. Apartheid kan de toets van de centrale bijbelse boodschap van verzoening niet doorstaan. Enkele bijbel teksten, in het bijzonder Genesis 11 : 1-9 en Handelingen 17 : 26, kunnen de situatie niet redden; de synode stelt zelfs een vraagteken achter de tradiononele uitleg van deze teksten. Overal waar racisme is ingebouwd in de structuur van kerk en maatschappij is ze een verloochening van de gemeenschappelijke menselijkheid van de gelovigen en dit betekent dat ze een veroordeling is van het verzoenende en vermenselijkende werk van Christus. 'In Zuid Afrika is apartheid in kerk en maatschappij grotendeels gebaseerd op een theologische en morele rechtvaardiging van het systeem. Apartheid is dus zowel een pseudo-religieuse ideologie als een politieke beleid-- die haar invloed heeft op de terreinen van kerk en staat en zodoende het geheel van de Zuid Afrikaanse maatschappij beïnvloed en structureel bepaalt'. Professor G. Bam, die de synode toesprak nadat de historische beslissing was. genomen, verklaarde dat de verheffing van de verwerping van de apartheid tot een geloofsartikel gelijk staat met het verwerpen van een valse leer. Deze belijdenis, verklaarde hij, staat op een lijn met andere belijdenissen van de kerk. Ze staat gelijk met wat de eerste Christenen deden door hun belijdenis 'Jezus Christus is Heer' te plaatsen tegenover de Romeinse roep 'Caesar is Heer'.

De synode verklaarde ook, dat aangezien volgens haar oordeel de ideologie van de apartheid in directe tegenspraak is met de evangelie boodschap van verzoening en de zichtbare eenheid van de kerk, ze niet anders kan handelen dan, met diepe droefheid, de Nederduitse Gereformeerde Kerk (NGK) te beschuldigen van theologische ketterij en afgoderij, vanwege haar theologische geformuleerde en in de praktijk gebrachte standpunt.

(GOS Nieuwsdienst)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De wraakgedachte in de psalmen (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's