De wraakgedachte in de psalmen (5)
Psalm 109 is een sprekend voorbeeld van wat we genoemd hebben de wraakpsalmen.
Psalm 109
Deze psalm is eveneens een sprekend voorbeeld van wat we genoemd hebben de wraakpsalmen. Deze wraakpsalm behoort tot die groep, die met name gericht zijn tegen een persoonlijke vijand, wellicht iemand uit het eigen volk. Het is een psalm van David. Daarom is er wel getracht om in de geschiedenis van Davids leven een concrete persoon te vinden, die David kennelijk heeft bedoeld. Zo heeft men gedacht aan Doëg, de Edomiet, dus iemand uit het broedervolk Edom. Immers was het deze Doëg, die door zijn verraad de ondergang beoogde niet slechts van David, maar van al de priesters te Nob.
Dit blijft echter gissen. Wel is het terecht deze psalm op bepaalde gebeurtenissen toe te passen. Dit gebruik wordt nl. in het Nieuwe Testament van deze psalm gemaakt door Petrus. Eén van de onheilselementen, die over de tegenstander worden afgebeden in psalm 109 is dit, nl. dat een ander zijn ambt neme (vers 8). Als de apostel Petrus volgens Handelingen 1 zijn rede houdt i.v.m. de verkiezing van een apostel i.p.v. Judas, de verrader van de Heere Jezus, dan citeert hij de woorden uit vers 8 van psalm 109. Judas had zichzelf verworpen door te verraden het onschuldige bloed. Hiermee kwam ook zijn ambt te vervallen. Dat apostelambt van Judas diende daarom door een ander te worden overgenomen, waarmee vervuld werd, wat er staat in psalm 109: en ander neme zijn opzieners(ambt) (Handelingen 1 : 20).
De dichter van psalm 109 wordt belaagd door zijn vijand of zijn vijanden. Het is mogelijk, dat er gedacht is aan een groep vijanden, waarvan er een wordt bedoeld als de representant daarvan. Het is mogelijk, dat de dichter doelt op de vijand in het algemeen, waaronder meerdere voorbeelden kunnen worden verstaan. Het is ook mogelijk, dat de dichter één bepaalde persoon op het oog had. Uit het feit, dat zowel het meervoud als het enkelvoud wordt gebezigd, ligt het meest voor de hand te denken aan een bepaalde groep, waarvan er één is, die met name wordt bedoeld.
De dichter voelt zich ten diepste belaagd en bedreigd door zijn vijand. Zo sterk zelfs, dat hij daardoor in bitter zielelijden is gekomen. Blijkens de verzen 4 en 5 gaat het om iemand, die voorheen tot zijn vrienden heeft behoord en aan wie hij toen ook zijn liefde heeft bewezen. Dezen hebben zich nu zonder oorzaak van hem afgekeerd. Op allerlei manieren staan ze hem tegen, waarbij ze zich als echte goddelozen niet erg kieskeurig betonen in de keuze van hun strijdmiddelen. Met hatelijke woorden hebben ze Hem omsingeld. Hun valse tong produceert dodelijk venijn, waardoor de dichter tot in het diepste van zijn ziel gegriefd wordt. Zijn hart is in zijn binnenste doorwond. Dit zielelijden is zo hevig, dat ook zijn lichaam daardoor vergaat. Het gaat met Zijn Leven als met de schaduw bij het vallen van de avond. Zijn lichaam schrompelt ineen. Doch dit alles is voor hen geen reden om medelijden met hem te krijgen. Immers ondanks alles is hij vijanden tot een smaad. Als ze hem zien, dan schudden zij hun hoofd (vers 22 t/m 25). Dit alles voert de dichter ertoe om met ware oosterse hartstocht naar die vijand een reeks verwensingen te slingeren. In de eerste plaats wenst hij hem een veroordeling toe met alles wat daarmee samenhangt. Hij ziet zijn vijand reeds staan voor Gods Rechterstoel. 'Stel een goddeloze over hem' (vers 6), anders vertaald: Dat zijn goddeloosheid aan hem bezocht worde! Stel de Satan (de aanklager) aan zijn rechterhand. Deze aanklager moet zijn goddeloosheid en ongerechtigheid breed uit meten. Dan moet het vonnis over hem geveld worden: schuldig. Voor hem mag er geen sprake zijn van genade. Zijn gebed moet hem zelfs tot zonde zijn en tot verzwaring van zijn oordeel strekken. Als schuldige gaat hij zo de duisternis van de dood tegemoet en als een eerloze wordt hij van zijn ambt beroofd. Deze eerloosheid dient ook over te gaan op zijn vrouw en kinderen. De dichter ziet reeds de vrouw en de kinderen van zijn vijand als bedelaars rondzwerven, verjaagd uit de vroegere bezittingen, opdat iedere herinnering aan zijn bestaan weggevaagd wordt.
Nog een tweede soort onheil wenst de dichter zijn vijand toe, nl. armoede. 'Dat de schuldeisers aansla al wat hij heeft en dat de vreemden zijn arbeid roven' (vers 11). I.p.v. schuldeiser is het hier juister te vertalen: de woekeraar. Hij wenst zijn vijand toe, dat hij als een machteloze prooi valt in de handen van woekeraars, die hem het laatste wat hij heeft, zullen ontnemen. Zelfs zo sterk, dat zijn kinderen aan de bedelstaf zullen vervallen. Daarbij tevens nog, dat niemand zich hun lot zal aantrekken.
Het derde soort onheil, dat de dichter zijn vijand toewenst is, dat er een smaad komt te liggen op zijn voorgeslacht. 'De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij de Heere en de zonde van zijn moeder worde niet uitgedelgd' (vers 14). Zijn naam moet dus worden weggevaagd van de aardbodem, en niet alleen van hemzelf, maar ook van zijn nageslacht en van zijn voorgeslacht. Hun aller schuld moet steeds voor God recht overeind blijven staan, zodat van geen vergeving sprake kan zijn.
In de verzen 16, 17 en 25 wordt nogmaals het optreden van de vijand aan de kaak gesteld, en wordt dit optreden beschouwd als reden voor de wraakwensen. Immers is de dichter door het optreden van de vijand in grote en diepe nood gekomen, waarvan hij de ernst nauwelijks kan uitdrukken. In de overige verzen van deze psalm wendt de dichter zich tot God en vertrouwt hij op Zijn barmhartigheid, daar bij mensen geen barmhartigheid te vinden is. 'Help mij, Heere mijn God! Verlos mij naar Uw goedertierenheid' (vers 26). 'Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen' (vers 31).
Wanneer we deze overvloedige wraakbeden lezen, rijzen de vraagtekens. Op verschillende manieren heeft men één en ander beschouwd. Prof. dr. A. Noordtzij benadert in zijn verklaring van déze psalm de uitlatingen van de dichter van de psychologische kant. Volgens hem laat deze psalm zien, 'welke een wondermengsel leven kan in een mensenhart en hoe bidden en vloeken uit éénzelfde ziel kan oprijzen'. Inderdaad komt in een psalm als deze de tegenstrijdigheid naar voren, die in een mensenhart kan leven. Dit is een aspect, dat bij de verklaring van deze psalm onder ogen moet worden gezien. Toch is hiermee niet alles gezegd. We kunnen niet volstaan met deze psalm te zien als een les van wat er allemaal in een mensenhart kan omgaan..Dan zou immers deze psalm geen enkele positieve boodschap inhouden. Dan wordt te kort gedaan aan het openbaringskarakter, dat ook deze psalm heeft. Immers mogen we ook niet uit het oog verliezen, dat het geheel van deze psalm wordt beheerst, door de aanhef: 'O God mijns lofs'. We zijn er niet, als we in deze psalm alleen maar een stuk psychologie willen aflezen.
Men doet deze psalm volledig onrecht door deze te bestempelen als 'onchristelijk' of als een schoolvoorbeeld van 'oud testamentische vroomheid, gemengd met kortzichtigheid van een individuele vrome'. In deze richting denkt b.v. Rudolf Kittel. De Duitse oud-testamenticus H. J. Kraus blijkt de zaak positiever te benaderen. De belagers, die als satanische machten optreden, kunnen de knecht van God niet van God scheiden. In het licht van de nieuw-testamentische vervulling, waarin Jezus Christus ten diepste alle aanklachten op zich heeft genomen, geldt het: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt? Op deze wijze komt de psalm te staan binnen het kader van de openbaring Gods, die reddend ingrijpt. Het getuigt daarom juist van kortzichtigheid, indien men in deze psalm de kortzichtigheid van een individuele oud-testamentische vrome wil aflezen!
Voorst dienen we niet te vergeten, dat de dichter zelf geen wraak oefent of het recht in eigen hand neemt. Hij bedient zich tegenover zijn vijanden niet van die middelen, waarmee zij hem belagen. Hij volstaat slechts met zijn lot te leggen in de hand van God, die rechtvaardig oordeelt. Hij neemt het recht niet in eigen hand. Daarom, zo merkt Calvijn op, zit men fout, indien men zonder meer deze psalm gebruikt om zijn eigen tegenstanders te verwensen. Calvijn merkt op: 'Indien nu iemand zich door een blinde ijver laat vervoeren en zich hiervoor achter het voorbeeld van David wil verschuilen, dan zal hem dit niet baten, want dan kan met vol recht op hem toegepast worden, wat Jezus Christus aan Zijn discipelen geantwoord heeft: ''Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt''. Wij moeten bidden om heil en genade voor onze naaste', aldus Calvijn. Op deze manier wordt de pas afgesneden aan elke neiging om door wraakwensen voldoening te geven aan zijn eigen wrevel. Calvijn wijst er dan op, dat David in deze psalm spreekt in de persoon van Christus. Daarom kan van een persoonlijke wraakoefening om eigen belangen te wreken geen sprake zijn. Niet David, doch de geest der profetie spreekt hier. Hier spreekt het goddelijk oordeel over allen, die zich verzetten tegen God en Zijn Gezalfde.
Calvijn heeft dan ook het gevaar onderkend, dat men in deze psalm een voorbeeld vindt, dat iemand eenvoudigweg wraak toewenst aan allen die hem tegenstaan. Daarom merkt Calvijn op: 'Laat ons bidden voor allen, die ons leed doen, heil begeren voor heel het menselijk geslacht, ja en ook zorg hebben voor ieder in het bijzonder'.
Dit neemt echter niet weg, zo betoogt Calvijn, dat een gelovige in sommige gevallen in heilige toorn het oordeel Gods kan afbidden over de vijand. Dat was met David in psalm 109 ook het geval. David spreekt hier echter door de Geest Gods geleid, zodat hier geen menselijke wraakoefening, doch het gericht Gods openbaar wordt. Er zal dan zeker niet lichtvaardig de wraak Gods worden afgebeden. Te denken valt slechts aan extreme gevallen, waarin de vijand zich zo satanisch openbaart, dat van een algehele verwerping blijkt. David onderkende dit in sommigen van zijn vijanden. Heel concreet op onze tijd toegepast: In dit verband kunnen wij denken aan Hitler, Amin en Khomeiny om maar enkele voorbeelden te noemen.
Maar zo zegt Calvijn, als wij zo wraak afbidden over de openlijke vijand van God en Zijn zaak, dan zal ons verstand geheiligd moeten zijn, zodat ieder element van voldoening aan persoonlijke wrevel, bij voorbaat uitgesloten is. Daarbij zal dan ons gemoed kalm en vreedzaam moeten zijn. Alleen zo kunnen wij ons vrijmoedig op het rechtvaardig oordeel Gods beroepen, opdat Hij zal verdoen allen, voor wie geen hoop meer bestaat, zo zegt Calvijn. Het komt mij voor, dat Calvijn hier op treffende wijze enkele belangrijke noties uit deze psalm naar voren brengt. Hiermee wordt de pas afgesneden aan hen, die de psalm willen misbruiken om hun eigen wraakgevoelens te laten botvieren. Tevens komt hiermee de wraak Gods openbaar over allen, die zich stellen tegen Hem en tegen Zijn Gezalfde. In psalm 109 is sprake van Gods genade en hulp voor allen die zich tot Hem wenden, doch ook van Zijn gericht over allen, die zich in wrevel van Hem afkeren en Zijn zaak geweld willen aandoen. Dit gericht zet zich door. Dat blijkt niet alleen in psalm 109, doch in heel de Schrift. Dat is echter geen zaak van mensen, doch uitsluitend Gods zaak. 'Mijn is de wraak. Ik zal het vergelden', spreekt de Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's