De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kanttekeningen bij een ratificatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kanttekeningen bij een ratificatie

Dr. S. Meyers over ‘Samen op Weg’ op de synode

9 minuten leestijd

Nu wij als Hervormde Synode voor de beslissing worden gesteld of wij meegaan met het voorstel tot ratificatie van de besluiten van de Combisynode...

Nu wij als Hervormde Synode voor de beslissing worden gesteld of wij meegaan met het voorstel tot ratificatie van de besluiten van de Combisynode voel ik mij innerlijk gedrongen mij te bevrijden van hetgeen in deze op mijn geweten ligt. Ik ga geen pleidooi houden om mij tegen deze ratificatie te verzetten, maar om mijzelf wél te ontlasten van datgene wat mij grote innerlijke weerstand geeft bij het meegaan op de voorgestelde weg. Kort samengevat gaat het hierom: het móet gebeuren, maar als het niet góéd gebeurt, kan het beter niét gebeuren, althans zeker niet nu.

Dit moment op deze synode staat niet op zichzelf. Wij weten allen wat er aan vooraf is gegaan. Wij hebben met de Gereformeerde Kerken een gemeenschappelijke synode gehouden die in een aantal opzichten wonderlijk was, en in één opzicht uitermate typerend voor de tijd waar we in leven en waar we kinderen van zijn. Wonderlijk: een gemeenschappelijke synode waarin de hervormden het in welbespraaktheid van de gereformeerden winnen: een psychologisch wonder. Wonderlijk: een hervormde synode die zijn eigen moderamen onder aanschouwen van de officiële vertegenwoordiging van de Gereformeerde Kerken afdroogt: met name voor gereformeerden een groot psychologisch wonder. Toch ook typerend voor onze tijd: één vraag overheerste alles wat gezegd werd, nl. de vraag of het nu toch wel snel bekeken kon zijn. Zó zeer was men op concrete en directe resultaten uit dat men eigenlijk aan fundamentele zaken niet is toegekomen. Er hebben stukken op tafel gelegen - ik draag er medeverantwoordelijkheid voor vanuit 10 jaar eigen betrokkenheid in het werken aan Samen op Weg - die naar hun inhoud nauwelijks besproken zijn. Datgene wat het moderamen bezielde toen het met zijn tegenvoorstellen kwam - ik weet, dingen vielen ongelukkig uit - werd niet vanuit de vergadering met invoelingsvermogen beantwoord maar ervaren als éen storingsfactor alléén - wat het óók was, maar niet alleen. Zelf diende ik een naar mijn oordeel diep insnijdende motie in die binnen dit klimaat niet verwerkt werd of begrepen. Samengevat: het was naar mijn oordeel de synode van het pragmatisme, van het zaken-doen, besluiten nemen, verderroeien.

En nu staan we op een keerpunt: ja of nee zeggen. Naar mijn oordeel véél te vroeg. Daar verandert het keerpunt niét van, maar wel de houding van waaruit we er tegenaan kijken. Te vroeg: beseffen we wel dat de verenigingsformule nog naar alle zijden openligt? Dat we tot een besluit geroepen worden voorafgaand aan de eigenlijk testcase? Dat de formule van overeenstemming, wel eens consensus genoemd, in wezen nog mét elkaar-niet óp maar mét elkaar - bevochten moet worden? Dat we geroepen worden met een formele beslissing op de materiële beslissing vooruit te lopen? Wat mij betreft wordt de strijd over de overeenstemmingsformule een zware strijd, want ik heb mijn kerk zeer lief: ik heb er alles aan te danken, als Nederlander en als gemeentelid en als persoon.

Daar is nog iets anders. Beseffen we ook vóór welke kerken we beslissen? Ik bedoel: hoe het gesteld is met de kerk die wij vertegenwoordigen. We zien er als kerk nu eenmaal anders uit dan de gereformeerden. Als ik naar mijn kerk kijk, kijk ik ook naar die velen die, vaak ongereflecteerd en onproblematisch, zich met haar en haar prediking verbonden voelen, of dat nauwelijks meer doen maar haar tóch trouw blijven. Ongedisciplineerde mensen die in een meer gedisciplineerde kerk reeds lang vertrokken zouden zijn, en dat bij de gereformeerden dan ook zijn. Daarnaast zie ik wél gedisciplineerde mensen, georganiseerd soms, die op zijn minst aarzelen, en op zijn ergst de Samen op Weg-gaanders met verwijten overladen. Ook zij hebben hun plaats in de kerk, net als die anderen die wél samen op weg zijn gegaan, dit in veel gevallen wel móésten doen, want wat kun je in een geseculariseerde samenleving anders als je iets van de grond wilt krijgen waar de Heere Jezus in en door werken kan? Ik tel ze mee, leg ze geen strobreed in de weg.

Dat is onze kerk. En dat dit ónze kerk is heeft iets te maken met ons hervormd zijn, met onze verworteling in de geschiedenis die wij meedragen in het heden, en die ons ook maakte tot wat we zijn: kerk in Gods geschiedenis, kerk van het met het evangelie gezegend Nederland. Kerk ook die, anders dan de Gereformeerde Kerken, de wonden en zonden van het volksleven en van het verleden in zich omdraagt. Een kerk ook die zich, uit het verval van een volslagen liberale eeuw, enigermate heeft opgericht en worstelt om een nieuw zicht op het hart van het evangelie. Een lastige kerk van individualisten, verdeeld door polarisatie en ontevredenheid: echt een kerk van Nederland. Een kerk die ondanks zichzelf gezegend is omdat er een Gód was die aan haar dacht. Een moeder, met schoonheidsfouten en een lastig karakter, zelden lief, maar toch: een moeder, krachtens de leiding Gods in de geschiedenis.

Dié kerk, ónze kerk, gaat zich verenigen. Dat mag, het moét zelfs. Maar hoe kan en mag zij dat anders dan met inbreng van zichzelf, dat is: met inbreng van haar geschiedenis, haar worsteling, haar schuld, haar verdeeldheid, maar ook: Met haar weten dat alle streven naar kerkelijke heiligheid geoordeeld is een torso te blijven, dat afzondering, en zeker afscheiding, een onvruchtbare weg is waarop haar wezen verloochend wordt? Het kan in ieder geval niét vanuit een soort Gebot der Stunde, een besef dat de gegroeide verdeeldheid schuld is, om daarna op nieuwe wijze geschiedenis te gaan maken. Natuurlijk, de geschiedenis is niet een proces dat zich onontkoombaar doorzet en waarvan wij de gevangenen zouden zijn. Er is een nieuw begin en een nieuwe toekomst mogelijk. Alleen, nooit op kosten van het verleden, nooit zonder een diep besef dat ook wijzelf als kerk de schuld der verdeeldheid in ons omdragen, en dat wij daarom schuldig staan tegenover de zuster, de Gereformeerden Kerken, die van ons zijn uitgegaan; en dat dit gebeuren kon, daaraan hebben wij tot op deze dag schuld. Over schuld van anderen spreek ik niet. In wat naar ik denk het meest vredelievende kerkblad is dat er circuleert wordt één en andermaal gevraagd: zuster, wat hebt u te bieden? Toon mij uw rijkdom, uw trouw aan de Schrift, uw bewogenheid om de vraag naar de waarheids Gods. Ik begrijp zo'n vraag niet. Ik vraag, naar mijn overtuiging en kennis van Kolhbrugge geheel in zijn geest: zuster, hebt u óók niets te bieden? Heeft uw geschiedenis u óók verwond, en hebt u er óók uit geleerd? Want: dan kunnen we weer één reformatorische familie in Nederland worden. Ik vraag niet dat u voor mij buigt, maar dat u samen met mij buigt, en weet dat u daar net als ik redenen voor hebt, en u die niet schaamt.

Wat zijn we bezig te doen waneer we, de besluiten van de Combisynode ratificerende, denken dat de job in beginsel geklaard is? Dit: we verbeelden ons dat we de vlinder van de Heilige Geest gevangen hebben, en prikken hem voorts op de spelden van twee heilig verklaarde jaartallen. Wie het verleden dat in de voorgenomen hereniging meekomt, overslaat en vooruitloopt op de strijd die moét volgen om de verklaring van overeenstemming, verloochent het wezen van de Hervormde Kerk als volkskerk die de nood en de schuld van de wereld lijfelijk meedraagt en er door getekend is, en zó kerk heeft willen zijn, én de geschiedenis, óók die van de doleantie, met de lessen die zij ons heeft willen leren. Wie zo handelt, speelt niet alleen met de eigen kerk en met wat haar altijd bewogen heeft, maar hij speelt vooral met de kerk van de toekomst. Bij de eerste nieuwe afscheiding zal wat nu verdrongen werd zich melden. Er zal zich vleselijk kerkelijk heiligheidsstreven melden, en wij zullen verwonderd vragen; waar komt dit nu vandaan? Wat een kerk negeert of onderdrukt komt altijd door de achterdeur weer binnen.

Zo is mijn pleidooi tegelijkertijd een pleidooi voor trouw aan de eigen hervormde kerk én een pleidooi voor de kerk van de toekomst. Ik doe een beroep op alles wat er in onze kerk aan historisch besef en aan kerkelijk schuldbesef is overgebleven ter wille van Samen op Weg. Wie, zoals Thielicke zegt, lijdt aan de kerk, zal er iets in herkennen. Wie pragmatisch wil denken, zal het niet kunnen verstaan. Maar zelf zou ik geen vrede hebben wanneer ik het niet weer zo gezegd en gesteld zou hebben. Samen op Weg kan alleen zegen verwachten wanneer we samengaan zonder enige verwachting van onszelf en met alle verwachting van de God van het verbond Die in Nederland Zijn kerk heeft geplant, en aan Wiens trouw wij danken dat we er nog zijn. Dan moeten we ook samen onze ontrouw belijden, niet in het algemeen, maar in concreto.

Ik dien de volgende motie in: (zie synodeverslag, red.).

Op deze wijze heb ik mij geheel beperkt tot mijn eigen kerk. Van de zusterkerk vraag ik niets. Alleen instemming, en invulling op haar wijze. Daarop wacht ik met ongeduld.

Uit psalm 106: 'Gedenk mijner, o Heere..., bezoek mij met Uw heil, opdat ik het goede voor Uw uitverkorenen mag zien, mij verheugen met de vreugde van Uw volk, mij beroemen met Uw erfdeel. Wij hebben gezondigd, evenzeer als onze vaderen, verkeerd gedaan, goddeloos gehandeld... Maar Hij verloste om Zijns Naams wil, om Zijn kracht bekend te maken'. Dat is het verleden. Nu de toekomst: 'Wanneer het volk Israël verslagen wordt door de vijand, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij zich tot U bekeren en Uw Naam belijden en tot U bidden en smeken, hoor Gij dan in de hemel en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israël' (Koningen 8). Dat is een gebed naar de toekomst toe, en in wezen niet anders dan psalm 106.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Kanttekeningen bij een ratificatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's