Luther, de trooster van aangevochtenen (7, slot)
In de aanvechtingen leer je te sterven aan jezelf.
Het heilige kruis
Aan het begin hebben we gesteld dat wij Luther niet kunnen begrijpen als wij niet iets verstaan van zijn aanvechtingen. Wij hebben vooral Luther zelf aan het woord gelaten om ons dat duidelijk te maken. En zo hebben we gemerkt dat de aanvechtingen te maken hebben met het hart van zijn theologie en het wezen van het leven van het geloof. De aanvechtingen zijn er onlosmakelijk mee verbonden dat het leven van het geloof niet anders zijn kan dan een leven onder het kruis. Het kruis is zijn enige theologie. Het kruis is de proef van alle dingen, 'Crux probat omnia, beatus qui intelligit', het kruis beproeft alle dingen, zalig wie dat verstaat. Wij vinden dit alles heel treffend verwoord in een brief die Luther in 1530 schreef toen aan hem werd gevraagd hoe zijn zegelring er uit zag, die hij ontvangen had van de keurvorst Johan Frederik. Luther beschrijft zijn zegelring, die hij beschouwt als het merkteken van zijn theologie als volgt: 'Het eerste is een kruis, geheel zwart; het staat in een hart, dat zijn natuurlijke (rode) kleur heeft om mijzelf steeds in herinnering te brengen, dat het geloof in de Gekruisigde ons zalig maakt. Want wie van harte gelooft, wordt gerechtvaardigd. Al is het een zwart kruis, dat doet afsterven en pijn moet doen, toch laat het dat hart zijn kleur behouden, het verderft de natuur niet, dat wil zeggen: het maakt ons niet dood, maar behoudt ons ten leven. De rechtvaardige leeft immers door zijn geloof, maar alleen door het geloof in de Gekruisigde. Zulk een hart nu moet midden in een witte roos staan om aan te duiden, dat het geloof vreugde, troost en leven geeft en ons zonder meer in een witte, vreugdevolle roos zet. Dit is een andere vreugde en vrede dan de wereld geeft, daarom moet de roos ook wit en niet rood zijn; want wit is de kleur van de geesten en van alle engelen. Zo'n roos staat in een hemelsblauw veld om duidelijk te maken, dat we in de geest en in het geloof reeds nu deel hebben aan de komende en hemelse vreugde: we zijn er reeds in, levende in de hoop, al is het nog niet openbaar. En om dat blauwe veld een gouden ring, waarmee gezegd wordt, dat die zaligheid in de hemel eeuwig duurt en geen einde heeft en zoveel kostelijker is dan alle aardse vreugde en genot, als het goud schoner is en kostbaarder dan alle andere metalen'.
De vruchten van de aanvechtingen
De aanvechtingen zijn heilzaam om het vele goede dat in de hitte der beproeving wordt geleerd. Er kan een groot goed verborgen liggen onder het kruis van de aanvechting. En dat wordt meestal eerst achteraf verstaan. Dan wordt ook beseft dat de aanvechtingen niet zomaar alleen aan de satan kunnen worden toegeschreven. God kan als de verborgen God, de Deus absconditus, soms heel raadselachtig met ons omgaan, zodat wij niet verstaan hoe wij het met Hem hebben. En in zijn verborgenheid, waardoor wij aangevochten worden en niet meer weten of wij met God of de duivel te doen hebben, bedoelt Hij ons ten dieptse te brengen tot dé kennis van Zijn openbaring in Christus Jezus. Zijn 'vreemde' werk is nodig, opdat wij leren dat Hij Zijn hart openbaart in Jezus Christus en Die gekruisigd. En dat alleen kan immers onze redding zijn. Daarom moeten wij Hem zelfs voor de aanvechtingen leren danken, om de vruchten van heil en leven, die ons in deze tegenstrijdige weg worden geschonken.
In de aanvechtingen leer je te sterven aan jezelf. Het vertrouwen op het vlees en de eigengerechtigheid wordt hoe langer hoe meer afgebroken. Het is het beste middel tegen een valse verzekering, die de mens van Christus afleidt. Het is de nuttige ontdekking van eigen ellende die er voor zorgt dat wij Christus alleen nog maar meer nodig hebben. Een andere vrucht is nederigheid, humilitas. Dat is de enige juiste positie die wij in kunnen nemen voor God. Nederigheid als vrucht van aanvechting is een hele andere nederigheid dan die gevonden werd in de kloostervroomheid, waar het ten diepste een verdienstelijke prestatie was. Het gaat om wat hij in de verklaring van het Magnificat de nietigheid noemt, de lage staat van Maria, de humilitas, die geen verdienste is, een nederigheid die niet tot grootste hoogmoed verworden is. Het is een klein zijn voor God, waarin je van jezelf geen enkele verwachting meer hebt, maar van God alle verwachting.
De aanvechtingen zijn ook vruchtbaar voor de ware kennis van God. Je wordt uit alle valse vertrouwen en verkeerde meningen over God en over Zijn wil uitgedreven tot het Woord der waarheid en de ware barmhartigheid in Christus Jezus. Wat een troostvolle ervaring kan het zijn te ontdekken, dat God juist in de duisternis en hoogste nood geen verre God is, maar een God van nabij. Die nabij blijft ook als het bij tijden niet zo ervaren wordt. Dit wordt geleerd, dat God de Getrouwe is, de Waarmaker van Zijn Woord, Die doen zal wat Hij heeft toegezegd.
De aanvechting leert ook bidden. Daar moet zelfs de duivel aan mee werken, en God gebruikt hem, omdat hij maar een nietig knechtje is, dat niet anders kan, dan wat God wil. Als de duivel ons niet plagen zou, zegt Luther, dan zouden wij ook niet bidden. Maar de aanvechter werkt zelf mee aan zijn eigen verlies als hij ons in onze hulpeloosheid naar God toejaagt en Hem om uitkomst te smeken. Ook wordt in dit alles duidelijk wat het Woord is. Het is de enige vastheid, de schat van het geloof. Je leert door de aanvechtingen heen de Schrift met nieuwe ogen lezen en verstaan. Er komt een levende betrekking op de Woorden des levens. Je ontdekt er dingen, waar je zonder aanvechting eenvoudig overheen zou lezen. Als Luther geen aanvechtingen zou hebben gekend, heel zijn leven lang, dan zou hij ook niet die Schriftuitlegger hebben kunnen zijn, die hij tot grote troost van velen geweest is en nog zijn mag. Juist in de strijd van de aanvechting deed hij zijn grootste ontdekking toen hij de woorden uit de Schrift ging verstaan dat de gerechtigheid Gods in het Evangelie werd geopenbaard. Een ontdekking die voor hem was als het opengaan van de deur naar het paradijs. En zo overwint in de aanvechting dat geloof, dat de enige zekerheid vindt in het Woord, het geloof dat niet bestaat bij de gratie van het ervaarbare, maar dat het bewijs en de hoop is van de dingen die men niet ziet.
Zo wordt het zilver gelouterd opdat het nog meer zal schitteren. Zo wordt het geloof door de heilzame vertwijfeling heen 'sterk als de dood en vast als de hel'. En als de aanvechtingen in Gods leiding dan zoveel heilzame dingen uitwerken, dan zal het uiteindelijk daarop uitlopen dat wij ze niet meer vrezen en haten, maar zelfs leren liefhebben om de heilzame vruchten die eruit voorkomen. De aanvechtingen zijn de vorm waarin in deze tijd, waarin het heil nog verborgen is, de glorie wordt beleefd: 'haec est gloria nostri: vexari', 'dit is onze glorie: gekweld worden'. Wij moeten ons bij deze uitspraken niet vergissen. Luther bedoelt niet dat wij de aanvechtingen waarderen moeten omdat ze ons verdiensten voor God opleveren. Het zijn geen geestelijke oefeningen om daardoor aangenaam te worden bij God. Het is ook niet zo, dat wij in de aanvechtingen de twijfel en de onzekerheid op zich liefhebben. Maar wij hebben de aanvechtingen lief, omdat wij op geen andere wijze door God onder het kruis gebracht worden. Ze zijn onlosmakelijk daarmee verbonden dat God ons leven niet op een andere wijze vernieuwt dan door Jezus Christiis en die gekruisigd, door het geloof waardoor wij met Christus gekruisigd worden om met Hem uit de dood te leven. Als God zo met ons omgaat en ons onder het kruis brengt is Hij als een pottenbakker die het klei kneedt om het tot een schoon vat te maken.
Bewijs van Gods liefde
De beproevingen zijn voor de gelovigen niet een teken dat God hen niet liefheeft, integendeel, God kastijdt die Hij liefheeft. Ook als wij Hem niet begrijpen en als het erop lijkt dat Hij een spel met ons speelt hoeft er niet aan getwijfeld te worden dat Hij Zijn kinderen liefheeft. God speelt soms een spel met ons, zoals een vader dat doet met zijn kind: 'Zo neemt een vader zijn kind soms een appel af, niet omdat hij die eigenlijk wil afpakken en zelf opeet; hij probeert alleen uit, of het kind hem liefheeft en gelooft dat hij die aan hem terug zal geven. Als het kind de appel graag geeft, dan verblijdt de vader zich over de gehoorzaamheid en liefde van het kind.' Zo ontspringt de aanvechting, ook als die als hoogste nood gevoeld wordt, ten diepste aan de Vaderlijke liefde van God. Het is een teken van het kind-zijn als je de kastijding voelt. Een vader ontziet in zijn tuchtiging soms de knecht meer dan de zoon. Maar de zoon is dan ook de erfgenaam van alle dingen van de vader, niet de knecht. Voor het verstand is dit alles een grote dwaasheid, daar is geen oog en geen hart voor de Vader, Die zo in liefde handelt, ook waar het tegendeel wordt ervaren. Maar het geloof weet van de uiteindelijke bedoeling van deze Vader, die ons heil op het oog heeft. Die bedoeling is helder en klaar in het Evangelie van Christus Zijn Zoon. En aan dat heilswoord leert het in alle aanvechtingen steeds meer vasthouden. En dan is de aanvechting 'de liefhebbende omarming Gods'. Luther zegt: 'Als iemand denkt dat onze Heere God hem verworpen heeft, dan moet hij het daarvoor houden, dat onze Heere God hem in de armen houdt en aan het hart koestert'. En dan geldt het daarbij, dat 'als onze Heere God iemand zo koestert aan Zijn hart, dat de ziel hem uitgaat, dan is dat dezelfde soort van Goddelijke liefde als Hij aan Zijn eigen Zoon bewezen heeft'.
Tenslotte
Tenslotte Wij hebben hierboven geprobeerd zoveel mogelijk Luther zelf aan het woord te laten. Wij leerden hem kennen als een mens, niet ver en hoog boven ons verheven op de eenzame hoogte van ongenaakbare heiligheid, maar veel meer als één van de velen uit de gemeenschap der heiligen, die wezenlijk de gemeenschap van aangevochtenen is. Ik hoop dat er in de ontmoeting voor velen ook een stuk herkenning zal zijn geweest. Luther schreef eens dat hij wenste dat zijn ervaringen van aanvechtingen nog dienstbaar zouden mogen zijn om anderen te troosten. Hij heeft velen mogen troosten in de tijd waarin hij leefde. Hij mag het tot de dag van vandaag als middel in Gods hand nog doen, zo lang nadat hij gestorven is, vijfhonderd jaar na zijn geboorte. Wij eindigen met een gebed, waarin de aanvechting overwonnen wordt, net als de dood, verslonden tot overwinning:
'Laat nu alles maar verdwijnen, waarop ik eenmaal vertrouwde.
Heere, Gij zijt het alleen, die helpt en troost. Gij hebt gezegd dat Gij mij helpen wil. Uw Woorden geloof ik.
Daarop verlaat ik mij en daarbij wil ik blijven, er gebeure wat gebeurt.
Ach, mijn God en Heere, ik heb een vrolijk en troostrijk Woord van U gehoord, daaraan hang ik. Gij zult tegenover mij niet tot leugenaar worden, dat weet ik.
Ge kunt U houden zoals Ge wilt, wat Ge belooft hebt, dat zult Ge volbrengen, dat en niet anders. Amen.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1983
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1983
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's