De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De ‘kapotte ruit’ naar het rijk der fabelen!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De ‘kapotte ruit’ naar het rijk der fabelen!

8 minuten leestijd

De noodzakelijke bezuinigingen op het onderwijs hebben ertoe geleid, dat het bijzonder onderwijs de laatste weken weer eens volop de belangstelling heeft gekregen.

De noodzakelijke bezuinigingen op het onderwijs hebben ertoe geleid, dat het bijzonder onderwijs de laatste weken weer eens volop de belangstelling heeft gekregen. Echter bepaald niet in positieve zin: De 'verzuiling' van ons onderwijs zou jaarlijks (onnodig) zoveel extra kosten met zich brengen, dat - zouden deze kosten er niet zijn - de thans aangekondigde bezuinigingen waarschijnlijk geheel of grotendeels achterwege zouden kunnen blijven.

De extra kosten van de verzuiling - aldus is de redenering - vinden hun oorzaak in het huidige financieringssysteem, dat erop neerkomt, dat elke voor het openbaar onderwijs uitgegeven cent 'doorwerkt' naar het bijzonder onderwijs, dat dientengevolge onnodig wordt bevoordeeld en dus meer krijgt dan het nodig heeft. In dit verband is de 'kapotte ruit' de laatste weken welhaast spreekwoordelijk geworden: De kosten van een kapotte ruit in een openbare school werken automatisch door naar het bijzonder onderwijs (moeten ook aan het bijzonder onderwijs worden betaald), ook al heeft men daar nog nooit een kapotte ruit gezien. Zelfs de fractievoorzitter van één der regeringspartijen heeft vorige week deze 'kapotte ruit' ten tonele gevoerd om kracht bij te zetten aan zijn stelling, dat er op korte termijn duidelijkheid moet komen over de kosten van de verzuiling in het onderwijs.

Met de behandeling van de onderwijsbegroting in zicht - van verschillende zijden in de politieke arena is aangekondigd, dat de onderhavige kwestie duchtig aan de orde zal worden gesteld - mag een duidelijke stellingname van de kant van het bijzonder onderwijs niet achterwege blijven:

1. De vrijheid van het bijzonder onderwijs, omvattende vrijheid van richting, oprichting en inrichting, wordt door de grondwet gewaarborgd. Door uit te gaan van de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs waarborgt de grondwet tevens de mogelijkheid om deze vrijheid te realiseren: 'Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd'.

2. Overal waar het bijzonder onderwijs in de vorm van opgerichte scholen gestalte heeft gekregen en aan de wettelijke bekostigingsvoorwaarden wordt voldaan, moet dat onderwijs als een onaantastbaar gegeven worden aanvaard en geërbiedigd. Elke bezinigingsmaatregel - in welke vorm dan ook - van overheidswege, waardoor dit gegeven zou kunnen worden aangetast, is in strijd met de grondwet en derhalve ontoelaatbaar.

Wordt binnen het kader van de op gang gekomen discussie aangedragen, dat één grotere school in een dorpsgemeenschap in plaats van drie kleine scholen van verschillende signatuur een belangrijke bezuiniging zou opleveren, dan wordt daarmee de grondwettelijke vrijheid van onderwijs discutabel gesteld. Deze vrijheid kan en mag echter niet ter discussie staan, evenmin als welk ander grondrecht dan ook in verband met de benarde financiële positie van ons land met het oog op mogelijke bezuinigingen ter discussie wordt gesteld!

3. De in de grondwet verankerde financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs is in de onderwijs wetgeving - wat het kleuter-en lager onderwijs betreft - uitgewerkt als volgt:

a. De salarissen van de onderwijsgevenden: Deze worden aan de hand van objectieve criteria zowel voor het openbaar als het bijzonder onderwijs op voet van gelijkheid door het rijk vergoed.

b. Uitgaven in de kapitaalssfeer:

Deze uitgaven betreffen stichting en inrichting van gebouwen, uitbreiding, verbouwing, verandering van inrichting, (eerste) aanschaffingen en herstel, voorzover niet het gewone onderhoud betreffende (artikel 72 Lageronderwijswet 1920 en artikel 50 Kleuteronderwijswet).

Deze kapitaalsvoorzieningen worden zowel voor het openbaar als voor het bijzonder onderwijs aan de hand van hetzelfde criterium (de maatstaf der normale eisen) van geval tot geval in eerste instantie door de Gemeenteraad en eventueel in beroep door Gedeputeerde Staten en de Kroon beoordeeld. Ook hier speelt de verzuiling geen rol, tenzij men de aanwezigheid van het bijzonder onderwijs als zodanig discutabel zou willen stellen.

c. Uitgaven in de exploitatiesfeer:

Deze uitgaven (onderhoud gebouwen, verlichting, verwarming, schoonhouden, onderhoud en vervanging van leermiddelen etc. en overige uitgaven ter verzekering van de goede gang van het onderwijs) moeten worden bestreden uit voor het openbaar en het bijzonder onderwijs gelijkelijk geldende normbedragen, die voor het lager onderwijs door de gemeenteraad en voor het kleuteronderwijs door de minister worden vastgesteld.

Komt het openbaar onderwijs met de beschikbaar gestelde bedragen uit en het bijzonder onderwijs niet, dan komt het nadelig saldo voor eigen rekening van het bijzonder onderwijs. Komt het openbaar onderwijs niet uit (overschrijdingen), dan komen deze overschrijdingen binnen het kader van een vijfjaarlijkse afrekening ook aan het bijzonder onderwijs ten goede. Deze overschrijdingsuitkeringen heeft het bijzonder onderwijs dan echter als regel hard nodig om eigen exploitatietekorten te dekken.

Zou dit laatste in voorkomende gevallen (bepaald geen regel!) niet of slechts gedeeltelijk nodig zijn, dan vindt dat zijn oorzaak in het feit, dat het bijzonder onderwijs blijkbaar goedkoper (zuiniger) weet te exploiteren dan het openbaar onderwijs. Voorzover hier van een mankement in de financiële gelijkstelling zou kunnen worden gesproken, moet dat in de oorzaak en niet in de gevolgen worden aangepakt. Het is een scheve, zo niet een valse voorstelling van zaken de gevolgen van een minder economische exploitatie van het openbaar onderwijs naar buiten te verkopen als 'extra kosten, voortvloeiende uit de verzuiling van het onderwijs' .

Om misverstand te voorkomen: openbare scholen, die wegens bijzondere omstandigheden (ouderdom van het gebouw, gering aantal leerlingen e.d.) relatief duur zijn in de exploitatie, kunnen volgens de wet buiten het systeem van de financiële gelijkstelling worden gehouden, teneinde te voorkomen dat het bijzonder onderwijs daarvan ten onrechte zou kunnen profiteren.

4. In het licht van het bovenstaande kan het verhaal van de 'kapotte ruit' naar het rijk der fabelen worden verwezen. De vervanging van een kapotte ruit moet bij strikte wetstoepassing namelijk worden aangemerkt als 'herstel, niet het gewone onderhoud betreffende' (zie hierboven punt 3, onder b). Van herstel, vernieuwing of vervanging wegens normale slijtage (gewoon onderhoud) is hier immers geen sprake. De kosten van kapotte ruiten vallen derhalve buiten de normale exploitatie en werken mitsdien niet automatisch door naar het bijzonder onderwijs.

Het is dan ook niet alleen goedkoop, doch bovendien volstrekt onjuist aan de hand van de 'kapotte ruit' te illustreren, dat de wettelijke uitwerking van de financiële gelijkstelling niet deugt. Hieraan doet niet af, dat in de praktijk gemakshalve de kosten van een kapotte ruit door de gemeente onder de normale exploitatie worden gebracht. Een wettelijke regeling wordt niet ondeugdelijk door het enkele feit, dat zij verkeerd wordt toegepast!

5. Elke stap voor het openbaar onderwijs is een betaalde stap. Dezelfde stappen, voor het bijzonder onderwijs gedaan, worden bepaald niet allemaal vergoed. Voor een vergoeding van de kosten van bestuur en beheer ten behoeve van het bijzonder onderwijs werd reeds aandacht gevraagd in het regeeraccoord bij de tot totstandkoming van het eerste kabinet-Van Agt. Resultaat tot dusver: een luttele tegemoetkoming in de contributiekosten, die de schoolbesturen aan de landelijke organisaties betalen. De departementale werkgroep, die een regeling inzake de kosten van bestuur en beheer moet voorbereiden, is al meer dan twee jaar 'slapende'. In hoeveel miljoenen zou het kostenverhogend effect moeten worden uitgedrukt, als ons onderwijs niet verzuild zou zijn en alle thans door schoolbesturen verrichte aktiviteiten en werkzaamheden door 'betaalde ambtenaren' zouden moeten worden gedaan?

Voorts worden door gemeentebesturen in toenemende mate 'onderwijskundige medewerkers' aangesteld, die intensief met de openbare scholen bezig zijn en het openbaar onderwijs binnen het kader van de huidige ontwikkelingen en problemen begeleiden. Een enkele uitzondering daargelaten worden de kosten van een dergelijke functionaris door de gemeente niet opgenomen onder de kosten van het openbaar onderwijs, die 'doorwerken' naar het bijzonder onderwijs. Dit betekent, dat het bijzonder onderwijs verstoken blijft van de middelen om dezelfde of soortgelijke aktiviteiten van de grond te krijgen.

Tenslotte mag niet voorbij worden gegaan aan het feit, dat de administratieve werkzaamheden de laatste jaren sterk zijn toegenomen en - gelet op de komende bezuinigingsmaatregelen - in versterkte mate nog verder zullen toenemen. De vergoeding van administratiekosten ten behoeve van het bijzonder onderwijs heeft hiermee bij lange na geen gelijke tred gehouden. Werkt de verzuiling van het onderwijs misschien ook op dit punt kostenverhogend?

Conclusies:

1. De discussie tot dusver over de (vermeende) nadelige financiële gevolgen van de verzuiling van ons onderwijs moet op zijn zachtst gezegd als ondoordacht, lichtvaardig en eenzijdig worden aangemerkt. Het valt te betreuren, dat zelfs politici zich hebben laten verleiden - althans blijkens de persberichten - aan deze discussie op dit niveau deel te nemen.

2. Het is een illusie te veronderstellen, dat dezelfde maatstaf, zoals door de grondwet voorgeschreven voor de uitwerking van de financiële gelijkstelling, zodanig kan worden geïnterpreteerd, dat het openbaar onderwijs de vrije hand wordt gegeven minder economisch en efficiënt te exploiteren dan het bijzonder onderwijs en dat het bijzonder onderwijs wegens een meer economisch en efficiënte exploitatie wel met minder toe kan.

3. Ten behoeve van het bijzonder onderwijs moet hoge prioriteit worden gegeven aan een oplossing van de hierboven onder 5 genoemde knelpunten, aangezien met betrekking tot deze punten aan de financiële gelijkstelling allesbehalve recht wordt gedaan. Een 'diepgaand' onderzoek lijkt daarvoor bepaald niet nodig!

Mr. K. J. Matze,

directeur Afd. KBO/Bu.O. Besturenraad P.C.O.

Toespraak op jaarvergadering Besturenraad P.C.O. op 5 maart 1983 te Ede.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De ‘kapotte ruit’ naar het rijk der fabelen!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's