Belijdenis en kerk
'Het geloof belijden? Akkoord, maar moet dat nu in de kerk? En moet je nu persé lid van de kerk worden?'
Een vraag
'Het geloof belijden? Akkoord, maar moet dat nu in de kerk? En moet je nu persé lid van de kerk worden?' Deze vraag leeft bij heel wat mensen, jongeren en ouderen. En soms is het geen vraag meer, maar zegt men ronduit: 'De kerk hoeft van mij echt niet'.
Het is zinvol om op deze kwestie in het kort in te gaan, opdat hopelijk wat misverstanden uit de weg worden geruimd.
Belijdenis
Het gegeven van belijdenis afleggen is zo duidelijk en voluit een zaak die wij in de Bijbel vinden dat ieder die de Bijbel serieus neemt daarvan overtuigd is. Wij vinden deze zaak niet alleen in de Bijbel, maar wij worden daartoe ook door de boodschap van de Bijbel opgeroepen. Wij worden geroepen tot geloof en bekering. Dit geloof kan niet verborgen blijven, het ligt eenvoudig in de aard van het geloof, dat het naar buiten toe openbaar wordt. En dat is: belijden. Uitkomen voor God. Er voor uitkomen wie je Heiland, je Heere en Meester is. De Bijbel spreekt dan (Romeinen 10) van geloven met je hart en belijden met je mond. Wat er van binnen bij je omgaat, dat blijkt naar buiten toe. In je woorden. Maar ook in je daden. Wie tot geloof gekomen is, gaat dingen doen die men eerder niet deed en dingen laten die eerder gewoon waren. Dat is niet alleen een kwestie van geloof. Ook van liefde. Het geloof is immers een band, een vertrouwens-relatie tussen God en de mens. Een relatie, die God in Zijn overstelpend grote genade aanknoopt met de mens. Iemand sprak in dit verband eens van 'een lijntje naar boven'. Goed, als we maar bedenken, dat dit lijntje naar boven er alleen is dankzij de lijn naar beneden toe: Gods zoekende liefde in Christus Jezus en het geduldig werk van de Heilige Geest. Nu, waar het echte geloof is, is ook liefde, al zal de christen veelal moeten zeggen, dat zijn geloof maar zwak is en zijn liefde gering tegenover zó veel liefde van Gods kant. Het belijden is dus ook een zaak van liefde. Het heeft iets van een liefdesverklaring aan het adres van de Heere. Er is nog een derde aspect: dat van de hoop. Voor de toekomst, hoe onzeker en donker die ook is, mogen we vertrouwen hebben, want, dit is zeker, dat de Heere er is en er zal zijn. Hij houdt het alles in handen, de toekomst is van Hem en Hij zal altijd weer een weg voor Zijn kinderen banen, hoe dan ook. Wie dit vertrouwen uitspreekt en daarin leeft, is eigenlijk een vreemde eend in de bijt van deze tijd. Je zou immers deze tijd kunnen typeren als een mengeling van doemdenken, een ondergangsstemming enerzijds en een enorme genotzucht anderzijds. En dat hangt natuurlijk onderling samen. Maar wie belijdt op de Heere te vertrouwen, zegt dat dan ook naar de toekomst toe. En omgekeerd: wie ondanks alles vertrouwen heeft voor de toekomst, zelfs tot op en tot na de jongste dag, de dag van Christus' wederkomst en oordeel toe, is belijdend bezig. Wie zich toevertrouwt aan de genade van de Heere Jezus Christus en begeert dat Hij in alle dingen van ons leven de eerste zal zijn, wil daar ook voor uitkomen. Dat kan niet anders. Wie de mens is, wie zijn heer is, de Heere of de boze, dat kan niet verborgen blijven. Wie de Heere mag kennen, wil dat ook uitspreken, voor God en voor de mensen. Maar wat heeft de kerk daar dan mee te maken? En het lid-zijn van de kerk?
Wat is de kerk?
Om deze laatste vragen te kunnen beantwoorden, moeten we nagaan wat de kerk eigenlijk is. Aan de hand van de beelden die de Bijbel in dit verband gebruikt (waarvan ik er dadelijk een aantal zal noemen) kan in elk geval gezegd worden, dat wie oprecht belijdt in een verticale relatie staat: met de drieënige God. En in een horizontale: met andere belijders, medegelovigen. Dat komt trouwens ook tot uitdrukking in het woord dat in het Griekse Nieuwe Testament voor 'belijden' wordt gebruikt: homo-logein, letterlijk: hetzelfde zeggen. Als ik belijd zeg ik hetzelfde als een ander. Wat dan wel, wat de andere gelovigen zeggen. En ook wat de Ander zegt: God de Heere, Die oordeelt, afkeurt, afwijst én om Christus' wil tegelijkertijd vergeeft, gratie verleent, aanneemt tot Zijn kind. Belijden betekent dan ook zeggen: Heere, U hebt gelijk, het is waar wat U zegt. Belijden is dus: ja-zeggen (en ja-doen!). Maar dat doe ik niet alleen. Ik doe dat samen met anderen. Denkt maar hoe Christus geleerd heeft te bidden: Onze Vader. Niet: mijn, maar: onze.
Deze dubbele relatie met God en mét anderen wordt ook uitgedrukt in de beelden die we in de Bijbel vinden voor de kerk. Ik noem er enkele. Huis of huisgenoten van God. Ranken die vrucht dragen aan de Wijnstok, Christus. Kudde, die saamhorig is onder de Goede Herder. Lichaam, waarvan Christus het hoofd is. Bruid (niet van de enkeling, maar van de gemeente gezegd), die uitziet naar de komst van de Bruidegom. Deze beelden tonen voldoende aan, dat de gelovige die belijdt niet op zichzélf staat, maar verbonden is met anderen, die hetzelfde doen omdat ook zij met dezelfde God in Christus verbonden zijn en één en hetzelfde heil deelachtig.
De kerk, dat zijn de anderen en ik samen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in art. 27 van de kerk, dat zij is 'een heilige vergadering van de ware Christgelovigen, die al hun zaligheid verwachten in Christus Jezus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest'. Dit samen Christus toebehoren brengt ook met zich mee, dat wij voor elkaar verantwoording dragen. In dit verband denk ik aan hetgeen de Catechismus van Heidelberg schrijft ten aanzien van de gemeenschap der heiligen in het antwoord op vraag 55. Daar staat onder meer, 'dat elk (der gelovigen) zich moet schuldig weten, zijn gaven tot nut en zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden'. Prof. dr. J. P. Versteeg heeft nog niet zo lang geleden een studie gepubliceerd onder de titel 'Ook voor elkaar'. Daarin zet hij uiteen hoe belangrijk in de gemeente dit oog voor elkaar hebben is. Nog weer een andere kant aan deze zaak is, dat wanneer wij tot geloof (dus ook tot belijden) gekomen mogen zijn, wij dit, naar de mens gesproken, ook te danken hebben aan hen die al eerder dan wij geloofden en beleden. Daarbij kunnen wij denken aan strijders en getuigen, belijders en martelaars uit de vorige tijden. Maar ook aan belijders uit deze tijd, zoals bijvoorbeeld onze ouders en/of anderen die ons het Evangelie van Gods genade hebben doorgegeven.
Belijdenis, doop en Avondmaal
Nog weer een ander aspect is, dat de belijdenis niet op zichzelf staat, evenmin als de belijder. Zij is organisch verbonden met de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal. Het zou nu te ver voeren hier uitvoerig op in te gaan. Maar het is in het Nieuwe Testament zo, dat wie tot geloof komt gaat belijden en wordt gedoopt. En daardoor heeft hij toegang tot de Tafel des Heeren. Deze lijn wordt duidelijk aangetroffen in Handelingen 2 en op meerdere plaatsen in het Nieuwe Testament. In een kerk als de onze, die op goede gronden de kinderdoop bedient, staat de belijdenis in het midden van de gemeente tussen de Heilige Doop die als kind ontvangen is en het Heilig Avondmaal in, waartoe men in het vervolg wordt genodigd. Men zou kunnen zeggen, dat de kinderdoop op zichzelf niet volledig is. Wie volwassen is geworden wordt opgeroepen om deze doop nu voor eigen rekening te nemen. De als kind gedoopte wordt om een reactie gevraagd, een antwoord. Dat in veel gemeenten zo weinigen die als kind gedoopt werden ook komen tot het afleggen van de belijdenis, is een uitermate kwalijke zaak. Het is een teken van onhoorzaamheid en ongeloof. Het is triest, dat dit euvele verschijnsel vaak wordt goedgepraat. Het is er een bewijs van, dat men dan noch de betekenis van de Heilige Doop verstaat noch die van het Heilig Avondmaal.
Maar aangezien Christus Zijn sacramenten geschonken heeft aan Zijn kerk, is ook het afleggen van de belijdenis waardoor wij onze doop, als kind ontvangen, beamen een aangelegenheid van en in de kerk. Dit geldt ook ten volle wanneer de belijder na de belijdenis de doop ontvangt. Hetzelfde kan gezegd worden ten aanzien van het avondmaal. Wie beleden heeft en gedoopt is of wie zijn doop bewust heeft aanvaard, heeft toegang tot het Avondmaal, om met de andere gelovigen samen bij brood en wijn de dood van de opgestane Heere Christus te verkondigen en mede daardoor zijn belijdenis te hernieuwen.
De kerk zoals zij is
Zonder twijfel zijn de critische vragen in de richting van de kerk, zoals deze gesteld zijn aan het begin van dit artikel, ingegeven door de situatie waarin de kerk in Nederland verkeert. Was zij niet zo verdeeld en waren er niet zoveel kerken, dan zouden deze vragen wellicht niet zo dikwijls voorkomen. En gesteld, dat er eens één levende, bloeiende, getuigende en wervende kerk was, dan zouden deze vragen helemaal wel niet opkomen.
Nu is de situatie zo, dat wie het geloof belijdt bewust zijn plaats gaat innemen in één van de protestantse kerken, en welke zal dat dan zijn? Wie in de gereformeerde traditie wil staan heeft keuze te over. In beginsel gaat het dan om twee mogelijkheden: men kiest voor de Nederlandse Hervormde Kerk of voor een van de kerken die regelrecht of indirect uit deze kerk zijn voortgekomen. Lang niet altijd zal de mogelijkheid van deze keuze worden bedacht. Zeker ook niet dat het uiteindelijk in de eerste plaats om dit alternatief gaat. Andere motieven spelen vaak een rol, bijvoorbeeld de vraag bij welke kerk vriend(in), verloofde of echtgeno(o)t(e) behoort. En zeker is het dan soms verantwoord, dat men zich bij een andere dan de Hervormde Kerk voegt. Maar, in weerwil van wat wel vanuit andere kerken van gereformeerde belijdenis naar voren wordt gebracht, is het niet onverantwoord zich bewust te scharen bij de Hervormde Kerk en in haar midden een plaats in te nemen als een gereformeerd christen. Nog sterker zelfs. Bijna 150 jaar van leven in Afscheiding leveren nergens het beeld op van een kerk die jaloers maakt juist daar nu bij te horen. Overal doen zich tegenstellingen voor die soms uitlopen en al zijn uitgelopen op weer een nieuwe kerkgemeenschap. Geen kerk kan de deuren gesloten houden voor onbijbelse leringen en praktijken. In elk geval voor gevaarlijke eenzijdigheden. Met de nood van de Hervormde Kerk ben je niet klaar als je daar maar uit gaat. Wie in haar midden volgens haar historische, gereformeerde belijdenis wil leven, geloven, belijden, getuigen en zo de Heere dienen zal het niet zo gemakkelijk hebben. Maar, als de genade om standvastig te blijven wordt geschonken, juist daar de waarheid, kracht en troost van het klassiek gereformeerd, dus van de Heilige Schrift doordrenkt erfgoed ervaren.
Mogelijk nog wel meer dan buiten haar muren. En die zal daarbij vele gelegenheden ontvangen voortdurend belijdend en getuigend de Heiland te volgen. Aan zulke belijders heeft de kerk dringend behoefte. Ook onze zieke, vervallen Hervormde Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's