'Studie van Calvijn heeft doorgewerkt'
Ds. C. van der Wal
Wanneer gaat men iemand interviewen? Bij een jubileum, op een bepaalde leeftijd, bij een mijlpaal of bij een bijzondere gebeurtenis. Als zodanig was er geen aanleiding om met ds. Van der Wal een vraaggesprek te hebben. Op het moment, dat dit nummer van ons blad verschijnt, is hij 84 jaar en 101 dagen oud en op 17 mei a.s. is het 58 jaar geleden dat hij te Rijnsaterwoude dominee werd. Een bijzondere aanleiding was er dus niet. Of het moet zijn, dat ds. Van der Wal de laatste tijd ook moest gaan inleveren op wat hij allemaal tot op hoge leeftijd nog doen kon en mocht. Na zijn emeritering zijn er nog heel wat artikelen van hem verschenen die leidden tot boeken: Amen en Beamen, Zal men ook de jonge kinderen dopen? , God Hoort, In het rechte spoor (een beschrijving van het leven van zijn vader, ds. B. van der Wal). Wat schrijven betreft, mag hij best een 'laatbloeier' heten. Op 3 januari 1982 hield hij zijn laatste preek in het diakonessenhuis in Hilversum. In 1924 in Utrecht de eerste, in de Pieterskerk. En daartussen liggen de vele preken in de gemeenten die hij diende: Rijnsaterwoude (1925-1928), Dirksland (1928-1946), Daarle (1946-1951), Polsbroek (1951-1956) en Muiden (1956-1964); en verder van zondag tot zondag na het emeritaat op 1 mei 1964. Tot op hoge leeftijd gepreekt. Maar er komt een moment dat de dokter zegt: niet meer de kansel op.
Hoe ervaar je dat, niet meer te mogen preken?
'Betrekkelijk nuchter. Je ziet bij het ouder worden de gebreken komen en de krommingen van de teruggaande cirkel al maar inkrimpen.'
Als emeritus woonde ik een jaar in Harderwijk, preekte 's zondags her en der, maar miste het pastorale werk in de week. Toen kwam opeens in Hilversum een pastorie open, die mij werd aangeboden als bejaardenpastor. Dat was ik tot oktober 1972. Daarna ben ik, naast allerlei vicarissen en leervicarissen, op eigen houtje nog veel bezoekwerk blijven doen, totdat collega Van der Velden hier kwam als bijstand in het pastoraat. 'En komt er dan een eind aan, ónder de kansel is het ook goed toeven. Elke zondag twee keer kerkganger zijn en vaak "goeie preken" horen vergoedt alles. 'De gemeente heeft er helemaal geen gemis aan, dat niet dit manneke daar staat maar iemand anders.'
Is er altijd door hetzelfde élan gebleven om te preken?
'Jawel. Ik was geen ster aan het firmament. Ik ben erg dankbaar geweest dat mijn eerste gemeente een kleine gemeente was.
De voorbereiding van de prediking was o.a.: nadenken. Ik had een grote tuin, rondom in het water liggend, waar je alleen via een bruggetje komen kon. Er was een hele ruimte waar ik wandelen kon, om de kerk, en al lopende kon ik het gemakkelijkst denken. De stof, in de studeerkamer bekeken, kon worden overdacht. Het opschrijven van de preek werd al minder. Dat kwam te pas als de preek eens een keertje vergeten was (vijf keer in totaal) maar later nam het uitschrijven toch weer toe, want dan kies je je bewoordingen toch nauwkeuriger. Maar hetzelfde élan is inderdaad gebleven.'
Opzien tegen de preekstoel?
'Dat niet bovenal, wél tegen het maken van de preek. Je moet altijd maar weer een tekst zien waar je een preek in ziet. De preekstoel moet je niet naar een tekst toedrijven maar de tekst naar de preekstoel. Maar het houden van de preek heeft nooit zo heel erg bezwaard. De moeilijkheden waren al verwerkt in de studeerkamer.'
Hoe dominee geworden?
Hoe kwam ds. Van der Wal tot het ambt? Opgegroeid in een pastorie werd alle wel en wee van het domineesbestaan ervaren. De gang naar het ambt was 'heel merkwaardig'. 'Ik ben om zo te zeggen een afleggertje. Mijn broer, 11 jaar ouder, werd predikant. Vader drong er sterk op aan dat ik het óók zou worden. Maar in een gesprek herinnerde ik hem aan een door hem geliefd beeld: als iemand ongeroepen de wijngaard ingaat, dan is dat te vergelijken met een persoon, die een boerderij op komt lopen, een instrument pakt en aan het werk gaat. De eigenaar van de boerderij zou zeggen: man wat doe je hier, ik heb je niet geroepen.
Ik had toen enig idee om geschiedenis te gaan studeren. Twee vijven voor geschiedenis op het eindexamen (de cijfers gingen toen niet hoger). Maar, zei vader, ga eerst maar een jaar theologie studeren. En aan het eind van het jaar wist ik het.'
Dus eerst een bufferjaar, maar wél eenjaar dat bepalend werd. In dat jaar lid van "Voetius" geworden. De eerste preekschets al gehouden. Een lezing gehouden over het Reveil in Nederland, na lezing van het dagboek van Willem de Clercq, dat grote indruk maakte. 'Die man is net een seismograaf, die vatbaar is voor alle trillingen. Hij ving met zijn beinstrumenteerde ziel die trillingen van alle terreinen van het leven op.' De studie van het Reveil nam intussen zoveel tijd in beslag, dat tenslotte nog haastje repje de studie voor het Hebreeuws en de "Hebreeuwse archeologie" moest beginnen. Ik heb toen 's morgens vroeg hulp gezocht en ik herinner mij, toen ik opstond, dat mijn vader mij in die week een brief geschreven had met een bemoedigend woord uit de Schrift. Het woord schoot mij zo gauw niet te binnen, maar ik sloeg mijn Bijbel op bij Psalm 37: wentel uw weg op den Heere, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken. En ik ben zo rustig naar het examen gegaan alsof ik al geslaagd was. Die Psalm had mijn vader genoemd!'
Moest de roeping tot het ambt niet via een bevindelijke inslag komen?
'De hulp bij het propaedeutisch examen is niet de enige vorm, waarin ik, zowel als student als in het ambt, Gods zegen en goedkeuring hen mogen ervaren, vooral ook bij beslissingen voor beroepen.'
Ds. Van der Wal signaleert bij zichzelf, als het gaat om de vraag wat het meest vormend voor hem was, vóórdat de kansel werd betreden: gebrek aan eenzijdigheid. Hij heeft zich niet op één speciale tand laten vormen.
'Ik heb veel aan muziek gedaan, veel muziek gehoord (misschien wel teveel), tijdschriften gelezen, vooral ook literaire, onderdelen van de theologie én van staatshoogleraren én van kerkelijke hoogleraren met belangstelling verwerkt.' Prof dr. H. Visscher heeft indruk gemaakt en prof. dr. J. A. C. van Leeuwen: 'een fijn iemand, er zat iets aristocratisch in. Hij heeft ons goed en nauwkeurig en concientieus leren exegetiseren'. En verder, diepe indruk heeft gemaakt de Utrechtse dominee Kwint. 'Als ik het preekbeurtenblaadje zag en ik zag Kwint staan, dan ging ik naar hem toe. Hij 'las' duidelijk, maar hij las op een zodanige manier dat je dat helemaal vergat. Die preek over die vader, die met die jongen bij Jezus kwam, toen de discipelen er niets mee konden beginnen: soms gooit hij hem in het water, soms in het vuur. Maar Jezus zegt: breng hem tot Mij. Bevrijding...
Ik heb het zelf van binnen vaak erg moeilijk gehad, vaak een geslingerd mens geweest. Maar dan, een preek van ds. Goslinga over Ezechiel 9 over het teken aan het voorhoofd van hen die zuchten en uitroepen. Verder heb ik eigenlijk een lang leervicariaat beleefd bij mijn vader, die mij als gymnasiast en als student vaak meenam op ziekenbezoek. En niet te vergeten allerlei theologische lectuur.'
Viel het dominee zijn mee of tegen?
'De manier waarop ik groot geworden ben is een totaal andere dan van mijn vader. Vader had midden in het leven gestaan, had een totaal ander leven geleid en kreeg een grote ommekeer. Met mij ging dat, wat de gang van het leven betreft, zonder bijzondere schokken.' Bij het beroepbaar zijn was de keus niet breed, vanwege o.a. het feit, dat bepaalde gemeenten niet mochten beroepen, omdat ze nalatig waren geweest te betalen aan de Raad van Beheer. Er kwam een beroep van een gemeente, die bijna altijd confessioneel was geweest: Rijnsaterwoude. Ze hadden drie confessionelen laten preken en mij alleen omdat Van Nie (toen nog bonder) mij genoemd had. Ik ben er gekomen met maar één stem van de kerkeraad.
En verder, een brief met zes handtekeningen van lidmaten met het verzoek om te bedanken. Er was ook een ongetekende brief.
Ik ben daar gaan kijken, 11 december 1924, een mistige dag. Mijn vader kon niet meegaan, zoals hij met mijn broer was meegegaan, want hij had zijn been gebroken. In Rijnsaterswoude aangekomen is er een telegram van de huisdokter: kom onmiddelijk terug, vader ernstig.' Geen tijd om de pastorie te zien, of kennis te maken.
Op 18 december werd vader van der Wal begraven en op 19 december waren de drie weken om. De kerkeraad gaf wel uitstel en er waren nog andere gemeenten waar op beroep moest worden gepreekt, zoals Arnemuiden en Bleiswijk. Maar de week uitstel werd niet gebruikt. Het beroep werd aangenomen.
Achteraf viel het mee. 'Eén van de mensen, die mij niet gestemd hadden, is in die tijd van diaken ouderling geworden. Toen heb ik hem ook niet gestemd. Ik heb hem dat de volgende dag gezegd. Hij zei: ik ben blij dat u het zegt. dan zijn we quitte. Maar bij het afscheid zei hij: dominee, we waren het niet in alles eens, maar we hebben een goede tijd gehad.'
'In de gemeenten moesten vaak tegenstellingen worden overbrugd.'
Een expres-brief van een gemeentelid in Dirksland - toen er vier beroepen kwamen, namelijk naar 's Grevelduin-Capelle, Puttershoek, Gouderak en Dirksland - betekende dat de overtocht daarheen gemaakt werd. De sociale kwestie beheerste daar het leven zeer sterk. Maar in een sociologisch rapport van na de oorlog werd over Dirksland geschreven: "met name in Dirksland komen geen sociale spanningen voor".
In Polsbroek, de tegenstelling tussen "zware bonders" en "vagebonders". Maar in géén van mijn oude gemeenten heb ik later zoveel gepreekt als in Polsbroek.
En dan Muiden, een van origine Gereformeerde Bondsgemeente, die sociologisch anders kwam te liggen en die open kwam. De visitatie (Tukker en Groenenberg) - is er nog aan te pas gekomen.
Maar tussen dit alles ook Daarle: "een kerkelijke modelboerderij".
Wat was het boeiendst in het dominee-zijn? 'Wat het boeiendst is hangt af van de situatie, waarin een dominee verkeert. In de eerste gemeente was veel zwarigheid. Vijf keer iemand verdronken in nog geen drie jaar. Een man getrouwd met een nicht van ds. L. Blok door de bliksem getroffen (28 jaar). Ik heb zelf de bliksemstraal gezien, die een eind aan zijn leven maakte. Op de dag van de intrede, een meisje van 22 jaar ernstig ziek. Op het eerste ziekenbezoek volgde ook de eerste begrafenis.'
Op de vraag naar het boeiende van het predikantenbestaan, neemt ds. Van der Wal direct de pastorale kant. In Dirksland tien jaar lang de geestelijke verzorging in het ziekenhuis gehad. Alle patiënten iedere week bezocht, nooit iemand overgeslagen.
Wat trekt dan zo in het pastoraat, want daarin zijn toch ook veel teleurstellende ervaringen? De sprekendste herinneringen zijn er ten aanzien van het pastoraat aan buitenkerkelijken. Zomaar één van de vele gevallen: een jongen, wachtend op een operatie, demonstratief fluitend, want hij tilde er niet zo zwaar aan. 'Maar als het met de narcose fout loopt? Nou, dan stoppen ze je onder de grond en dat vergaat er wel. Je gelooft niet dat je een ziel hebt? Nee. Niet dat er een God is? Nee. Nou dan ben je een hoogontwikkeld dier. Bestaat er dan eigenlijk wel een zedelijke wereld? Is er wel besef van goed en kwaad, van wat je wél en niet doen mag? Zit dat in je botten of je spieren of je bloed? Als jij gelijk hebt mag je toch doen wat je wil? Jij zult nooit ter verantwoording worden geroepen voor wat je met je leven gedaan hebt. Hij zegt: Ja, de maatschappij... Ik zeg: dat is een kwestie van slimheid. Je probeert het zó slim in te pikken dat je de maatschappij uit de vingers blijft. Maar intussen: als God weg is, valt alles weg. Het bracht een wending in zijn denken. Hij ging naar huis om te sterven, 19 jaar oud. Tenslotte verlangde hij naar een gebed. Biddend gestorven. Ik leidde ook zijn begrafenis.'
Nog een verhaal: een man, ruw, veel in de herberg, een roomse vrouw. Bij bezoek in het ziekenhuis barst hij in tranen uit: 'ik ben toch zo slecht'. Toen hij daarna voor het eerst van zijn leven in de kerk kwam ging de preek over de verloren zoon. Achttien jaar later werd de thuiskomst van de verloren zoon per brief gemeld.
Heel veel zou te vertellen zijn in verband met het pastoraat rondom de Sacramenten, vooral bij de Doop. Soms gebruikte God 'Toom en gebit'.
'Maar niets is moeilijker in het pastoraat dan als mensen niets zeggen. Het aanhoren en dan misschien ja zeggen maar niet tevoorschijn komen.' En als mensen zoveel jaren onder het Woord zitten en het raakt hen kennelijk niet? 'Ik heb heb in mijn studententijd de Erskines gelezen en Gray en Guthrie, oude schrijvers. Ik heb veel van hen geleerd. Van de tegemoetkomende wijze waarop God bij ons aan de deur komt, zoals we zijn. Ik mag Hem alles vragen. Te beginnen bij het profetische ambt. Je mag beginnen met Psalm 25: Heere maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend. Iemand die nog de eerste klas moet doormaken mag je niet vragen wat iemand pas in de zesde klas leert. Op Flakkee ben ik misschien wel wat eenzijdig geweest. Eenzijdig het nodigend en beloftekarakter van het Evangelie naar voren gebracht. Maar in de situatie van Flakkee was dat nodig.'
Je kunt als dominee niet altijd met theologie en geestelijke dingen bezig zijn.
Welke opfrissers had ds. Van der Wal buiten zijn dagelijkse bezig zijn? Het eerste wat hij noemt is muziek. Wie hem kennen weten dat hij elke dag nog wel piano en orgel speelt. Ook vóór het gesprek dat ik met hem had kon hij het niet laten. In de vijfde en zesde klas van het gymnasium ging hij sonates van Mozart en Beethoven spelen. 'Achter die muziek zitten mensen. Bij de proefpreek van Van Nie heb ik 's avonds, bij zijn ouders in Zeist, twee sonates van Beethoven gespeeld. Hij zei: kerel, ik was moe, je hebt me er uit gespeeld. We zijn gaan wandelen en hij zei: Je moet de Jean Christophe lezen van Romain Rolland. Dat heeft me een bepaalde kijk op Beethoven gegeven. Dat leidde tot conflicten. Al speel ik de noten een beetje slordig, ik zoek de muziek achter de noten en de musicus achter de noten. Wat is er in die man omgegaan toen hij dat en dat componeerde? '
Behalve voor muziek ook belangstelling voor de literatuur. 'Vader heeft veel meer romans gelezen dan ik, ik heb bar weinig romans gelezen. Mijn vader kon dat hebben. Hij had een sterk draagvlak. Ik zou veel gauwer door de dingen gepakt worden. Overigens: ik heb het eerste jaar dat ik getrouwd was de bepaling uit Deuteronomium voor het eerste jaar van krijgsdienst op mezelf toegepast en mijn vrouw veel voorgelezen. Aart van der Leeuw bijvoorbeeld.'
Cultuur-freundlich of cultuur-feindlich?
Op mijn vraag of hij cultuur-freundlich of cultuur-feindlich is antwoordt ds. Van der Wal: aan de ene kant cultuur-freundlich, vanwege de mooie kanten.' Augustinus heeft eens gezegd: als je werken van heidense kunstenaars leest en je vindt ze mooi, moetje denken aan Hem die de gave gegeven heeft en je moet maar minder denken aan de man, die ze misschien niet goed gebruikt heeft. Al is dat moeilijk te scheiden. De muziek heeft me veel in beslag genomen. Ik heb als student alle symphonieën van Beethoven gehoord, behalve de negende, met het ongegronde humanistische idealisme van de koorzang! "Alle menschen werder Brüder...". En wat het lezen betreft: graag historische lectuur. Bijvoorbeeld, Twaalf delen over de opkomst van de Nederlandse republiek. Alle historische romans van mevr. Bosboom en (auto)biographieën.'
Pastor pastorum?
Heeft een dominee ook behoefte aan een pastor pastorum, een domineespastor? Dominee Van der Wal heeft het levensleed ook diep gekend. Toch aarzelt hij die vraag positief te beantwoorden. Och, wij hebben hetzelfde nodig als gewone gemeenteleden. Onze zonden zijn niet minder erg. Eer erger. Hoe dichter bij het licht, hoe zwaarder de schuld. Bovendien hebben wij als theologen extra-ernstige aanvechtingen. Wij hebben allemaal als pastores wat nodig van de gezindheid van de grote Herder der Schapen. Daarbij komt nog het aparte van ieders karakter. Wie kan zijn eigen hart doorgronden, zijn hart zo vol arglistigheid? En verder: 'ik beleef de dingen zelden op het moment waarop ze gebeuren. Toen ik verleden jaar onverwacht naar het ziekenhuis moest, naar de intensive care, ervoer ik dat zo zakelijk: nu komt dat en nu moet dat gebeuren en het emotioneerde me helemaal niet.
In 1956 bij mijn ernstigste hartinfarct vroeg ik: is het gevaarlijk dokter? Hij zei: ja. Hij had niet verwacht dat ik erdoor kwam. Ik kon toen alleen zeggen: ik zie Zijn Aanschijn blinken in duistere nacht! Rustig, alsof er niets aan de hand was. Ik denk nu eigenlijk nog veel meer na over de verliezen, die ik geleden heb, dan toen het gebeurde: met de tekorten...'
Glazen huisje
Een dominee leeft in een glazen huisje. Is dat niet hinderlijk? Wordt het in de gemeente begrepen als je houdt van de cultuur, als je piano speelt, als je...
'Nou dat viel mee. We hadden thuis in 1909 al een piano. Men heeft mijn vader (ook) nooit kwalijk genomen dat hij piano speelde.'
Dus niet het gevoel van in een harnas te leven? 'Ach, er is wel eens een situatie geweest van "betrekkelijke kilheid" in een gemeente.' Maar toch nooit zich geremd gevoeld. Net zo goed zichzelf geweest als de boer of de dokter. 'Mij is voor het minste dat ik van ulieden geoordeeld word...'
Bevindelijk leven
Ds. Van der Wal, van huis uit gewend aan conventikels, aan briefwisselingen over het geestelijk leven tussen zijn vader en mensen in den lande, heeft in de gemeenten de conventikels zo niet meegemaakt. De gemeente Ouddorp wordt door hem intussen met dankbaarheid vermeld. Hij was er in zijn Dirkslandse tijd drie maal consulent. Daar deden vaak oudere mensen op latere leeftijd belijdenis en hij hield er altijd een bijzondere band mee, vooral ook omdat hij er later nog vaak kwam (in een vacantiehuisje); Bezuijen, Kurvink, mensen die hem zeiden: 'dominee, u kunt nooit te groot van God denken, u kunt nooit teveel van Hem verwachten, u kunt nooit goed genoeg van Hem spreken'. In Ouddorp altijd veel catechisanten gehad. En verder: 'ik heb wel eens gezegd: als ik ergens de gemeenschap der heiligen heb gezien dan is het daar. Ik heb daar nooit een kerkeraadsvergadering gehad, waar je niet had willen zingen: Ai ziet hoe goed, hoe lieflijk 't is dat zonen... Door ootmoedigheid achtte de één de ander uitnemender dan zichzelf. Het was eenzijdig, eenzijdig naar de mystieke kant, maar het lééfde. Ze hadden voor zakelijke dingen te weinig oog, voor wat buiten Ouddorp lag hadden ze te weinig belangstelling, maar als de zakelijke dingen achter de rug waren, dan kwam er een gesprek over de geestelijke dingen met richting en inhoud. Hopelijk is dit er gebleven.'
Zijn er in de loop van de tijd wijzingen gekomen in het geestelijk gehalte van de gemeenten?
'De vermeerderde studie van Calvijn heeft doorgewerkt. Er is toch meer zicht gekomen op het Voorwerp des geloofs. Vroeger was er toch meer onzekerheid. Kuyper is met zijn veronderstelde wedergeboorte een weg ingeslagen, waardoor hij een verband tussen verbond en verkiezing wilde leggen, dat tot kortsluiting leidde en de mensen, als ze het goed doordachten, eigenlijk onzekerder maakte. Want wat heb ik aan een veronderstelling? Aan de andere kant heb je de Gereformeerde Gemeenten. Daar kreeg je dezelfde kortsluiting. Stellingen van 1931 over het verbond, waar mijn Dirkslandse collega van de Gereformeerde Gemeenten de Blois het niet mee eens was.'
En passant vermeldt ds. Van der Wal de goede contacten met de Blois. Vaak samen een begrafenis gehad. Eén keer keer twee dagen achter elkaar. Toen een zoontje van ds. de Blois overleed werd ds. Van der Wal voor de begrafenis gevraagd, voor het geval ds. Lamain verhinderd mocht zijn.
Maar terugkomend op het onderwerp: het genadeverbond. Laat ik nu maar letterlijk het betoog volgen:
'Het was zo'n vijftig, zestig jaar geleden zo, dat als er een dooptoespraak was, dat altijd ging over dat derde vraag, over die belofte die mensen gedaan hadden. Maar dat er een belofte van Gods kant was, dat dorst men eigenlijk niet aan. Want wat betekent die belofte? Het gevaar bestaat, dat men die belofte gaat verstaan als een soort voorspelling, die goed uitkomt, in plaats van de bene volentia Dei (welwillendheid Gods, v. d. G.) daarin te zien. Omdat men die bene volentia Dei niet kan overeen brengen met de uitverkiezing van de 'weinigen'. Willem de Clercq had ook al moeite met de 'happy few' (de weinige gelukkigen). En dan komt daar ook bij, dat wij daarin veel te veel met ons menselijk verstandje zitten te wroeten. Als je mij zou vragen wat de Kerk het meest nodig heeft, dan is het dat wij de levende God leren kennen. Dat is mij zo duidelijk geworden, vooral de laatste tijd. Ik heb op Flakkee een keer een intree meegemaakt - wanneer het gepubliceerd zal worden, zal hij het me nog niet eens kwalijk nemen ook - van een candidaat in zijn eerste gemeente, die dit beeld gebruikte: de verhouding van Christus tot de verkondiging is als de verhouding van de zon tot een beschrijving van de zon. Een beschrijving van de zon op papier, die kan heel mooi en boeiend wezen. Eén of andere Vlaming zou het misschien erg mooi hebben kunnen doen, maar die zon geeft je geen licht en geen warmte. Je moet de zon zelf hebben.
Ik heb toen gedacht: dat is niet goed. Ik heb tegen hem gezegd: dat beeld dat lijkt mooi, maar ik geloof dat het niet goed is. Het is een groot verschil of ik een beschrijving van iemand lees of dat ik een brief van iemand krijg waarin hij schrijft: als je me nodig hebt, dan mag je bij me aankloppen en dan zal ik je helpen. Dan mag hij later niet zeggen: dat was ik zelf niet, dat was maar een stukje papier. Dan was hij een grote leugenaar. Hij komt daarin zélf.
Later heb ik hem bevestigd met Joh. 20 : 23 (de sleutelmacht).
'Dit alles is, geloof ik, veel duidelijker geworden. Alleen we hebben ook in allerlei lectuur, nog altijd de onderwaardering van het voorwerpelijke. En m'n geliefde Wormser, van wie ik ook dat eerste jaar gelezen heb over de kinderdoop, gebruikt ergens de uitdrukking, "alleen het Voorwerp des geloofs heeft levendmakende kracht". Anders ziet men als voorwerpelijk, een verstandelijk aftreksel van wat je zo in de Bijbel omtrent God vindt, maar niet God zelf. Ik wou dat men voor dat voorwerpelijke een ander woord gebruikte. Want het is niet zo dat subjectief is het levende van het werk van de Heilige Geest in je; en voorwerpelijk een verstandelijke bespreking. Het Voorwerp is de levende God, zoals Hij Zich openbaart in al Zijn eigenschappen, in Zijn grootheid, ook juist in Zijn grootheid. Het draagt bij ons vaak zo'n klein karakter, omdat we zo weinig bewustzijn hebben van de onvoorstelbare Majesteit en grootheid. Want, als ik Uw hemelen aanzie, het werk Uwer vingers, dat Gij gemaakt hebt...
We praten allemaal over dominees en gemeenten. Maar het gaat om de gemeente van Christus. Het voorwerp des geloofs verliezen we vaak uit het oog, ook door ons theologiseren. Als ik terugdenk aan mijn eigen verleden denk ik: hoeveel theologie zat er nou in en hoeveel (of hoe weinig) getuigenis...'
Allerlei
Tenslotte nog een greep uit de vele onderwerpen die we nog (kort) bespraken.
De preekstoel gevaarlijk?
'Een dominee had de gave van het woord, boeide een kerk vol, je kon een speld horen vallen. In de kerkeraadskamer zei iemand: dominee wat heb je mooi gepreekt. De dominee zei: dat heeft de duivel al lang tegen me gezegd!'
De prediking geen menselijk praatje, maar van Godswege!
'Ik geloof dat ik zeggen mag, dat ik in mijn prediking weinig eenzijdig ben geweest. Ik heb geprobeerd zo evenwichtig mogelijk het Woord te laten spreken.'
Links en rechts?
'Daar doe ik niet veel mee. Het hangt er veel van af wie die linkse of rechtse persoon is. Twee echtparen vroegen de doop aan, beide weinig meelevend. In het ene geval durfde je geen ja te zeggen, in het andere geval geen nee. Twee mensen kunnen op eenzelfde afstand van je staan, de één met z'n gezicht naar je toe, de ander met z'n gezicht van je af. Zo is het met links en rechts. Begrippen waar je niet zoveel mee begint. Ook niet met zwaar en licht. Beter is: waar of niet waar. Er zijn Bijbelboeken, die wij nooit geschreven zouden hebben. Wie zou de Prediker hebben geschreven? '
Naar de kerk gaan?
'Ik luister graag naar preken, of het nu van een candidaat is of van een emeritus... Zondag, met tranen in de ogen de kerk uitgegaan. Ik laat de kritische theoloog thuis of hij slaapt. Een enkele keer komt hij tevoorschijn, namelijk als je teveel op je exegetische ziel wordt getrapt.'
Wordt er goed gepreekt?
'In het algemeen wel. Wel moeten de moeilijkheden van het geloofsleven ook aan de orde komen. Niet alléén dat ongeloof zonde is en dat je wordt geroepen tot geloof. Ook de historie van het geloof moet aan de orde komen.'
Een soort toeleidende weg?
'Nee, de moeilijkheden, de strijd van het geloof.'
Hoe moet er gepreekt worden?
'Ieder mens heeft z'n eigen aanpak. Ik heb veel aangeknoopt bij gebeurtenissen, die iedereen die dagen in de krant had kunnen lezen of die in de naaste omgeving gebeurd waren. Uit mijn inleiding van preken in de oorlogsjaren kun je bijna aflezen wat er de jaren door toen gebeurde. Geen tijdloze preken. De ster leidde de wijzen uit het Oosten naar Bethlehem. God zocht hen op in hun eigen wereld.'
Wat is bevindelijk preken?
'De Schrift moet zó op ons afkomen, dat het voorwerp wordt: het bevindelijke Woord; het Woord dat ons de Majesteit Gods openbaart. Zijn hoogheid, de eisen die Hij stelt in Zijn wet en de rijkdom van Zijn beloften in het Evangelie. Maar het is altijd de Heilige Geest, die het brengt waar het wezen moet.
Je hoeft de Schrift niet bevindelijk te maken maar in de Psalmen b.v. vind je wel wat mensen bevonden hebben. Maar het werk van de Heilige Geest laat zich niet uniform beschrijven. In Gods scheppingswerk is een grote verscheidenheid en ik kan me niet voorstellen, dat die verscheidenheid ontbreken zou, wanneer God een werk gaat doen dat nog groter is dan de Schepping. Wat een verscheidenheid ook in de Bijbelboeken!'
Wel eens aanvechtingen gehad in het hervormd-zijn?
'Nee, nooit. Voor alles wat sectarisch is heb ik weinig begrip gehad.'
En toch goede contacten gehad met Afgescheidenen?
'In mijn eerste gemeente was er een kleine christelijke gereformeerde gemeente. De voorganger zou 's zondags nooit verzuimen voor ons een zegen te vragen. Toen ik de begrafenis moest leiden van de man, die door de bliksem getroffen was, kwam die voorganger - hij was beurtschipper - met zijn schip van Leiden naar huis en hoorde de klok luiden. Wat is dat moeilijk voor die jonge dominee. Teun, pak jij even het roer, ik moet naar beneden... Maar wat de Hervormde Kerk betreft, ik heb ooit geschreven over "onze kerk en Gods geduld".'
Samen op Weg?
'Ik hoop dat er niks van terecht komt. De Gereformeerden hebben ons rechts verlaten en jasseren ons nu links, heeft iemand gezegd. Ze mogen natuurlijk in de Vaderlandse Kerk terugkomen. Maar dan wel graag in enigheid les waren geloofs.'
Afgescheidenen
Daar heb ik meer mee op. Die mensen hebben het in hun tijd heel moeilijk gehad. Maar de mensen van het Réveil zijn hen niet gevolgd, die hebben ze hun burgerrechten verdedigd.
'Christelijke politiek?
De overheden moeten erkennen, dat ze er van Godswege zijn. Maar dat komt er vandaag weinig meer uit.'
Bekering?
Noodzakelijk, maar dan zo, zoals die beschreven wordt in zondag 33, van de Heidelberger.'
De Gereformeerde Bond? 'Een noodzakelijk kwaad.'
L. G. Woelderink?
Hij is te weinig naast de mensen gaan staan, die hij bestreed. Wormser b.v. spreekt heel anders over labadisten en dopersen, weet meer de positieve kanten te noemen. Misschien is Woelderink door bepaalde persoonlijke ervaringen afgestoten. Maar hij is voor mij een man geweest, die mijn ogen geopend heeft voor het bestaan, de draagwijdte, de kracht van het verbond. Wij mogen God aanspreken op het verbond, dat Hij van kind tot kind bevestigt. Daarom heb ik in een uitgave van Ton Bolland spontaan een voorwoord geschreven.
Visscher was ook een man van grote bekwaamheden maar meer eenzijdig-kritisch. Zo heeft hij mij ook wat leren denken.'
Confessionelen?
'Jammer, dat het een uitstervend ras is. Oók een noodzakelijk kwaad, al ligt dat kwaad toch ook wel in de kerk zélf.
Ambtelijke vergaderingen?
'Die staan nu op een hoger peil dan vroeger onder de reglementenbundel. Een ouderling op Goeree zei eens: ik kan maar niet begrijpen dat zoveel gestudeerde mensen over zoveel onnozele dingen zo lang kunnen praten.'
Overpeinzing
Zou ds. Van der Wal het nog eens over willen doen? Als hij het over mocht doen zou hij het willen doen met de ervaring die hij nu tot op hoge leeftijd heeft opgedaan, maar hij vreest dat hij dezelfde fouten zou maken. Denkend aan de eeuwigheid, aan de toekomst, zegt hij: 'als het de duivel lukt om het Voorwerp des geloofs voor je te verduisteren dan heeft hij aan het onderwerp niet veel moeite meer. De duivel heeft bij mij altijd veel moeite als ik het Voorwerp des geloofs mag bezitten.
Maar een mens blijft z'n vragen houden. 'Als ik denk aan miljoenen kinderen, die geboren worden, die niet gevraagd hebben om geboren te mogen worden, en dan: in zonde ontvangen en geboren, in China, in India... Dat zij dingen, die het me soms erg moeilijk maken. Ook die hebben een plaats in het bevindelijke leven. Dit alles kwam ter sprake op een lidmatencatechisatie op een avond in Polsbroek. Ik heb toen gezegd: voor mijzelf weet ik de hel te hebben verdiend en alleen uit genade zalig te kunnen worden. Ik weet ook dat ik als klein en onwetend mensje al die geweldige dingen niet de baas kan. Die moet ik overgeven, wetend dat God nooit onrecht doet, en dat Hij barmhartiger is dan ik denken kan.
Ik heb in al de tijd, dat ik dominee was, maar met één mens echt moeite gehad, met Cornelis Van der Wal.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's