De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit een Paaspreek van Luther

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit een Paaspreek van Luther

11 minuten leestijd

Wie met Gods Woord bezig is, wordt gezegend ! Dan is God bij u, dan is Christus bij u en dan zijn de engelen bij u.

Een verhaal

Luther kon door zijn preken weleens een verhaaltje vlechten. Dat deed hij in elk geval ook door de preek die door hem gehouden is op maandag, tweede Paasdag van het jaar 1534. Ik zeg niet dat dit verhaaltje het belangrijkste was in die preek, maar geheel zinloos was het toch ook niet.

Ik heb eens gelezen van een oude woestijnvader, zegt Luther, een man die door God begiftigd was met bijzondere gezichten en openbaringen, dat hij zich eens bevond onder een groep jonge mensen en, toen het volgende meemaakte. Wanneer deze jongelui met elkaar praatten over de Schrift en over Goddelijke zaken, dan zag de woestijnvader dat, alleen zichtbaar voor zijn geestesoog, schone jongelingen zich bij hen voegden en hen vriendelijk en vrolijk toelachten. Maar niet zodra veranderde de inhoud van de gesprekken onder de jongelui, en maakten zij zich schuldig aan ijdel en onnut gezwets, of de 'schone jongelingen' wendden zich teleurgesteld en bedroefd van hen af, en in plaats van hen kwamen dan vuile, zwarte varkens en die buitelden dan rond onder de jongelui. Tot zo ver het verhaal.

De moraal

U begrijpt het wel: met de 'schone jongelingen' zijn bedoeld: engelen, en met de 'vuile varkens' zijn bedoeld: demonen, duivelen.

Over het algemeen gesproken hield Luther niet van 'gezichten' en 'openbaringen', en ook niet van het leven van kluizenaars ofwel woestijnvaders. Maar een verhaaltje er over, nu ja, dat kon hij weleens gebruiken. Het gaat natuurlijk, zoals altijd, om de moraal van het verhaal. Wat heeft Luther ermee willen zeggen?

Wie met Gods Woord bezig is, wordt gezegend ! Dan is God bij u, dan is Christus bij u en dan zijn de engelen bij u.

Emmaüsgangers

Luther gebruikt dit verhaal in een preek over de Emmaüsgangers, die twee discipelen van de Heere Jezus, die aan de avond van de Paasdag, bedroefd van hart de weg van Jeruzalem naar Emmaus hebben afgelegd, en die toen achterhaald zijn door Jezus zelf, die zich voordeed als een Vreemdeling, zich bij hen voegde, en hen vanuit de Schrift van het Oude Testament aantoonde dat de Christus aldus lijden en sterven en opstaan moest. Achteraf zeiden de beide discipelen, Kleopas heette één van hen: Was ons hart niet brandende toen Hij de Schriften ons uitlegde? Door Jezus' onderwijs kwamen zij tot geloof in 's Heeren opstanding, en tot grote blijdschap.

De strekking

Wat is de eigenlijke tendens ofwel strekking in deze Paaspreek van Luther over deze twee Emmaüsgangers?

Naar zijn gewoonte legt Luthere sterke nadruk op Woord en geloof. Christus is opgestaan maar het nut daarvan, de kracht daarvan ervaren wij door middel van het Woord Gods, wanneer het in geloof wordt aangenomen. Het beste bewijs van zijn opstanding dat Christus geleverd heeft aan zijn twee discipelen, die zo bedroefd waren, is, aldus Luther, geweest, dat zij door Zijn Woord tot het paasgeloof kwa­men. Hierin betoonde Christus zich aan hen de Levende te zijn. En over de eeuwen heen is dat heden nog zo. Door de paasprediking wordt het geloof gewerkt en gesterkt: het komt tot nieuw leven. Christus als de Levende treedt door Zijn Woord en Geest in onze harten binnen. En dan weten wij: De Heere is waarlijk opgestaan.

Een dode Jezus

Tevoren, zegt Luther, lag Christus in de harten van deze twee discipelen als het ware begraven. Hij was voor hen dood, geheel dood. Zij hadden wel een gerucht van vrouwen gehoord, die beweerden dat het graf leeg was, maar dat had op hen zo weinig indruk gemaakt. Christus was zó dood voor deze discipelen dat zij, toen Hij zich bij hen voegde, niet herkenden, terwijl Hij toch werkelijk dezelfde van voorheen was. Zij konden zich Hem onmogelijk anders voorstellen dan als een dode. Hij was hen volslagen vreemd en onbekend geworden. Ver waren hun harten en gedachten van Hem verwijderd.

Het ongeloof

Diep gaat Luther in op het 'ongeloof' van deze discipelen. Maar Luther doet het niet hooghartig, niet verwijtend, eerder begrijpend, bijna verontschuldigend. Hij ontkent niet het zondige van dit ongeloof der discipelen, maar hij toont er begrip voor.

Was het geloof alleen maar een voor waar houden van de historie, och, dan was het zo moeilijk niet! Het geloof is echter zo'n kleine zaak niet, zegt hij. En dan haalt Luther de papisten erbij, de 'ezels van de paus', die 'domoren', die beweren dat het geloof niet anders is dan dat men de geschiedenis, het verhaal gehoord heeft en kent. Daar zijn zij dan tevreden mee. Maar zulk een kennis, koud en werkloos, wat haalt zij uit? Neen, de opstanding van Christus heeft daartoe plaats gevonden en wordt daartoe gepreekt, gehoord en gekend, opdat zij vrucht in ons draagt, opdat zij onze harten doet ontbranden, opdat zij ons brengt tot nieuwe gedachten en tot een nieuw leven. En waar dat niét geschiedt, daar hebt ge het verhaal (de historie) tevergeefs gehoord. U bezit dan niet meer dan Turken en heidenen, die er nog nooit van gehoord hebben of het enkel voor kennisgeving hebben aangenomen. Neen, dan hebt u waarlijk geen reden om te roemen in uw 'geloof', ook al stond het schuim op uw mond.

De gelovigen ervaren altijd weer hun zwakheid. Bij zichzelf en bij anderen. Men hoort ze erover klagen dat zij Christus' opstanding, dit geweldig geloofsartikel, niet met zulk een krachtig geloof in hun hart kunnen brengen als zij wel wilden. Met deze zwakheid strijden zij hun leven lang.

Hinderpalen

Op zich genomen is dit geloofsartikel, dus het artikel van Christus' opstanding, zeer liefelijk en troostvol, enkel vreugde en zaligheid, maar er zijn hinderpalen op de weg naar het geloof, en die maken het moeilijk. Welke zijn die hinderpalen? Wel, in de eerste plaats de zaak zelf is zo hoog en zo groot. Een levende Heere, die met macht en kracht voorzien is, die dood en hel overwonnen heeft, de toorn Gods en de zonde. En in de tweede plaats: wij zijn zo zwak, wij zijn veel te bang en angstig om Gods Woord te geloven. Als wij zien op onze onwaardigheid, dan schrikken wij terug en begeeft ons alle moed. Wat de eerste hinderpaal betreft, die moet, zegt Luther, blijven. Van het grote en geweldige van het werk van Christus, mag niets worden afgedaan. Ook niet van het grote werk van onze verlossing. Het moet blijven staan, dat Gods werk groot is. Maar wat de tweede hinderpaal betreft, daar is een oplossing voor. Onze zwakheid is te overwinnen. En dan wijst Luther opnieuw op de twee Emmaüsgangers. Die zijn immers ook veranderd.

De Heiland

Naar zijn gewoonte schetst Luther nu Christus als een Heiland, vriendelijk, mededogend, geduldig, een ware Helper.

Hoewel de beide discipelen schier geheel vertwijfelden, Christus deed alles wat Hij kon om hen te helpen, te sterken in hun geloof. Hij zag hun twijfel genadig door de vingers. Zijn begeerte was het dat zij uit hun twijfel en aanvechting verlost werden. Vandaar dat Hij ze achterop is gegaan. Hoewel ook de andere discipelen, thuis, in Jeruzalem, Hem nodig hadden, liet Hij die toch alleen, want dit tweetal verkeerde in grote nood, zij liepen gevaar te vallen in het kwaad van de wanhoop. Hij ging ze dus achterna. Sprak ze vriendelijk aan. Ging met hen een gesprek aan. Gaf ze onderwijs uit de Schrift. Vriendelijk lokte Hij hen tot Zich. Zolang, tot hun treurige harten opgericht waren. En dan de toepassing: Wij mogen er zeker van zijn dat Hij zulk een Heer ook voor ons is; een Heere die onze zwakheid duldt en verdraagt; die niemand wegstoot en verdoemt, omdat hij niet zo geloven en leven kan als hij wel wilde.

Wij dan?

Maar wordt dan van onze kant niets gevraagd? Luther zegt: Als wij maar Christus en Zijn Woord niet verachten, als wij maar naar Hem verlangen, en Hem liefhebben en begeren sterk zijn in het geloof en in het christelijke leven. Want zo was het ook met deze twee discipelen. Zeker, zij waren zwak en onverstandig, maar in hun hart waren zij Christus genegen. Zij spraken gaarne over Hem en zij hoorden graag over Hem. Zij wilden niets liever dan dat het waar was, wat zij over zijn opstanding gehoord hadden. Maar het leek hen veel te groot; zij konden het niet zo maar voor gewis en zeker houden. En het is ook inderdaad groot en hoog. Dat weet en ziet onze lieve Heere zeer wel, en daarom kan Hij zoveel geduld met ons hebben, en is Hij er tevreden mee, als er maar in ons leeft de begeerte om zijn discipelen te zijn en van Hem te leren. Ofschoon onze Heere Christus, door Zijn opstanding, grote kracht en heerlijkheid heeft ontvangen en een Heere is van hemel en aarde, toch regeert Hij zijn 'lieve christenheid' op deze wijze, dat Hij de kracht van Zijn opstanding betoont aan Zijn arm, zwak kuddeke, en hen dient en helpt en troost en sterkt.

De kerk

De kerk is altijd, zegt Luther, een kerk van zwakken en onvolmaakten. De papisten roemen in hun kerk, als een kerk die niet zou kunnen dwalen. Maar weet wél, dat niet alleen deze twee discipelen hebben gedwaald, maar ook al de apostelen. Allen zaten zij bevangen in het ongeloof. Ten aanzien van de opstanding van de Heere Jezus Christus hebben zij allen gedwaald. En dat is niet zonder een bedoeling Gods. God heeft met opzet vele ware heiligen laten dwalen en struikelen, opdat wij ons nooit op mensen zouden verlaten, maar alleen op Zijn Woord, dat gewis en zeker is en nooit bedriegen kan. Naar het voorbeeld van Christus, zegt Luther vervolgens, zullen ook wij ons moeten gedragen. Zoals Hij zich over de zwakken ontfermde, zo moeten wij ook doen. Niet verdoemen en veroordelen, maar helpen. Wij moeten met hen omgaan als met kinderen en met zieken. Wij moeten trachten door troost en vermaning de zwakken in het geloof op te richten.

Vermaan

En dan komt Luther tot zijn vermaan om zich met het Woord bezig te houden! Het vooral te horen. En verder: over Christus spreken, en naar Zijn stem horen! Ook wij zullen, evenals de Emmaüsgangers, niet altijd dadelijk Gods Woord verstaan, maar dan moeten wij toch volharden. Ook al dringt het niet steeds dadelijk tot ons hart door. Als ge met een eenvoudig hart met het Woord omgaat, dan zal het niet vruchteloos blijven; net zomin als het Woord Gods, in de mond van de Heere Christus, voor de Emmaüsgangers vruchteloos is gebleven.

Men ziet dat, toen deze discipelen samen over Christus spraken, de Heere zelf ongemerkt zich bij hen voegde. En zo doet Hij nóg. Men ziet ook, dat zij de kracht van 's Heeren Woord al spoedig ondervonden, hun hart werd brandende. Hun harten bleven niet zo koud en traag als zij waren, zij kwamen tot een recht verstaan van de Schrift. En zo gaat het nóg! Het deksel van hun hart werd weggenomen, zodat zij Christus kenden en Hem nabij gevoelden. Zij kwamen tot zulk een zekerheid des geloofs ten aanzien van Christus' opstanding, dat zij zichtbare verschijningen niet meer nodig hadden. Daarom verdween de Heere uit hun ogen. En zij trokken er daarna op uit om de andere discipelen deelgenoot te gaan maken van hun vreugde, en hen te helpen in hun twijfel en ongeloof, al bleek dat niet meer nodig te zijn, omdat de Heere ook aan hen inmiddels verschenen was.

Oefening

Daarom moeten wij, naar hun voorbeeld, Gods Woord gaarne horen en niet verdrietig worden. Door deze oefening wil God werken in onze harten. Zo wil Hij het geloof en de Heilige Geest geven. Als men maar volhoudt, zal het niet tevergeefs zijn; Uw hart zal niet koud en traag blijven. Ge zult Christus beter leren kennen en de Schrift beter leren verstaan. Bovendien, ge zult er uw Heere mee behagen, en Hem dienen. En weet, dat Hij dan niet verre van u is. Hij en zijn lieve engelen zullen om u heen zijn. En dan volgt het verhaaltje waarmee wij begonnen zijn. Ter illustratie.

De levende

Zo preekte Luther die paasdag over Christus, de Levende, en over het Woord en het geloof. Het staat niet alles ver van ons af. Over de eeuwen heen komt het werk Gods tot ons. In het Woord dat bediend wordt. En in het geloof wordt ervaren. De Levende betoont zich de Levende te zijn, in de kracht die uitgaat van zijn Woord. De opstanding heeft geen 'bewijs' nodig, de Heere Zelf 'bewijst' Zijn opstanding, door Woord en Geest. En dan ontstaat er nieuw leven. Het geloof wordt gewekt en versterkt. En Luther sluit er eenvoudigen en jonge mensen niet van uit. Zie zijn verhaaltje! Als wij het maar begeren. Christus is waarlijk een levende Heiland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit een Paaspreek van Luther

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's