Boekbespreking
Drs. A. Noordegraaf, Kerk en samenleving (serie Pasmunt, nr. 2), 58 blz., ƒ 9, 90 (uitgave De Groot, Goudriaan, 1982).
'De serie Pasmunt behandelt actuele zaken in kleine boekjes. Vanuit de schatten van de reformatie wordt richting gegeven aan geloof en leven voor mensen van nu.' Zo vermeldt de achterflap van dit deeltje uit de pas opgezette reeks en het is voor dit boekje geen woord teveel gezegd. Noordegraaf begint met het wezen van 'kerk' en 'gemeente' aan te wijzen. De gemeente (ekklesia) is het uit de wereld door God samengeroepen volk van God dat vergaderd wordt met het oog op het Koninkrijk des Heeren. De kerk is het kroondomein van de Kurios, de Heere Jezus. Als horende kerk is ze 'hoedster van het geheim', getuige van het heil in Christus, verkondigster van een goede boodschap. De kerk kent een wisselwerking met de haar omringende samenleving, maar heeft toch iets geheel eigens. Ze vaart als gemeente van Christus op het kompas van het Woord een eigen koers. Als het Woord het voedsel van de gemeente is, is de eredienst centrum en bron van de veelzijdige kerkelijke arbeid in de samenleving.
Enkele modellen van de relaüe kerk-samenleving worden kort getypeerd: het theocratisch model, de lutherse twee-rijken leer, het model van de kerk als insdtuut en als organisme (Abraham Kuyper), het model van de kerk voor de wereld en het model van de kerk als partijganger van de armen. Een sterk •punt in het betoog van de schrijver acht ik dat hij - meer dan het onlangs gepubliceerde 'Pleidooi voor een kerkelijke koersverandering' - theocratische elementen een ruime plaats geeft. De kerk heeft een profetische taak in het midden van het volksleven. De na-oorlogse ontwikkeling in de Nederlandse Hervormde Kerk geeft echter een verschuiving te zien van een oprechte inzet voor de kerstening van de samenleving naar een politisering van de prediking van kruis en verzoening. Noordegraaf formuleert ingehouden en irenisch, maar zijn positiebepaling is duidelijk genoeg. Van belang is dat hij een naïef optimistische waardering van de secularisatie afwijst. We kunnen er maar niet van uitgaan dat de wereld al met God verzoend is. De Schrift geeft nergens aanleiding om te spreken over de anonieme christen, die ook buiten de geloofsrelatie met Christus op grond van humaniteit in het heil zou staan. De kerk is niet een instituut voor samenlevingsopbouw, maatschappelijke dienstverlening en politieke bevrijding. De eerste en eigenlijke opdracht van de kerk is de prediking van het Woord. Dat gaat echter samen met dienstbetoon in allerlei vormen, als tekenen van het heil. Via diakonale organen zij de gemeente bezig met welzijnsplannen en welzijnswerk. Een richtinggevend getuigenis in politicis mag niet ontbreken. De kerk is waakzaam en werkzaam in pelgrimage en hoop. Zo wordt veel geboden in kort bestek. Bondig, maar niet vluchtig!
J. Veenstra, Van peuter tot puber, de sexuele opvoeding van het jonge kind, Oosterbaan en Le Cointre, Goes, 1982, 175 blz., gebonden, ƒ 22, 90.
Als hoofd van een basisschool werd Veenstra in de praktijk geconfronteerd met de noodzaak van een betere sexuele opvoeding binnen de gezinnen. In de versexualiseerde maatschappij waarin onze kinderen opgroeien, worden ze op allerlei manieren al vroeg met 'sex' en moderne visies daarop geconfronteerd. Terecht schrijft de auteur dan ook: 'Een schriftuurlijke sexuele opvoeding kan nog wel eens blijken van het grootste belang te zijn voor de toekomst van de kerk des Heeren. De aanval op het gezin begint niet in de verlovingstijd, noch in de puberteitsjaren, maar reeds in de vorming van het kind vanaf de eerste levensjaren'.
Deze alarmerende woorden worden gefundeerd door te wijzen op onder andere allerlei voorlichtingsboekjes en voorlichtingsprogramma's met het oog op het basisonderwijs. Er is momenteel een duidelijke tendens om de sexuele vorming meer en meer naar de school over te hevelen, terwijl deze taak toch primair tot de opdracht van de ouders behoort. Bovendien is de wijze waarop die vorming dan plaatsvindt dikwijls strijdig met de bijbelse normen. Bijvoorbeeld: ontkoppeling van de scheppingseenheid van sexualiteitsbeleving en huwelijks, confrontatie met naaktfoto's, doorbreking van 'traditionele rolpatronen', enzovoorts. De opdracht tot sexuele opvoeding ligt voor christen-ouders ingebed in hun ouder-ambt om de kinderen te wijzen op de totale, alle geestelijke en lichamelijke gaven omvattende, dienst aan de Heere. Daarbij moet naar twéé kanten front worden gemaakt. Enerzijds naar het eigen verleden, waar de sexualiteit met een waas van geheimzinnigheid was bedekt. Een valse schaamte, een Victoriaanse preutsheid, stond vaak het verstaan van de plicht als ouders in de weg. Resultaat was dat met de kinderen helemaal niet over het sexuele leven gesproken werd. Voorlichting moest maar 'op straat' worden opgedaan. Het andere'front is de brute schaamteloosheid en normloosheid van onze versexualiseerde wereld. De Bijbel leert ons tegelijkertijd terughoudend én open over sexualiteit te spreken. Veenstra geeft dat met vele voorbeelden aan. Tenslotte biedt hij een concrete handreiking voor de praktijk van de sexuele opvoeding van kinderen tot twaalf a dertien jaar. Een goed, ook keurig uitgegeven boek, dat ik graag in veler handen wens.
J. Hoek
Vrouw zijn in het licht van het evangelie - een bundel feministisch-theologische studies, onder redactie van prof. dr. M. H. Bolkestein en drs. H. J. Bolkestein-van Binsbergen, uitgave Ten Have, Baarn, 199 blz., ƒ 27, 50.
Deze paperback is niet zomaar een van de talrijke publicaties die de laatste tijd vanuit feministischtheoligische kringen verschijnen. Het is een verzameling van gedegen studies en biedt een goede eerste introductie in de denkwereld van deze vorm van ervaringstheologie. De bundel valt in twee delen uiteen: gegevens en verwerking. Met 'gegevens' wordt gedoeld op de exegetische gegevens die vanuit het Nieuwe Testament terzake relevant zijn. De bijdrage van Bolkestein over 'vrouwen in en achter het Evangelie van Lucas' verraadt de hand van een gewetensvol exegeet. Hij opponeert dan ook enkele malen tegen mevr. Moltmann-Wendel, die vanuit haar geprononceerde feministische visie de teksten nogal eens laat buikspreken. Meer moeite heb ik met Bolkesteins bijdrage over de plaats van de vrouw 'in de vroeg-christelijke gemeenten. Terecht stelt hij dat de Heilige Geest niet discrimineert en aan vrouwen in gelijke mate charismata toedeelt als aan mannen. Maar: 'de vormen, waarin vrouwen onder de roeping van het evangelie leefden in de oergemeenten zijn niet normadef voor alle tijden en voor alle plaatsen'. Dit kan alleen geschreven worden vanuit een zeer kritische benadering van bijv. de Pastorale Brieven. Heeft het ons vandaag niets meer te zeggen dat het N.T. geen vrouwelijke apostelen, oudsten en opzichters kent? De bijdrage van prof. dr. G. Bouwman over 'de vrouw bij Paulus en zijn erfgenamen' is sterk schrifkritisch gekleurd. Het is een schrikbarende ontsporing wanneer gesteld wordt dat de Schrift niet het denken van God over de mens, maar juist dat van de mens over God behelst. Op die manier gaat Gods openbaring óp en tegelijkertijd ónder in menselijke ervaring. Boeiend, hoezeer ook hier en daar tot tegenspraak prikkelend, is de bijdrage van drs. Maria de Groot. Van haar noteer ik hier twee uitspraken, de eerste met besliste afwijzing, de tweede met hartelijke instemming. Over Maria te Kana: 'de vrouwelijke discipel die zijn moeder was, heeft dit teken bemiddeld door haar geloof. 'Het moederschap is als druiven, vertreden tot de wijn van het discipelschap.'
In het tweede deel geeft drs. S; J. Noorda een hermeneutische bijdrage: 'het gezag van de Schrift en de bevrijding van vrouwen'. Aansluitend bij Kuitert en Schillebeeckx, zeer onbevredigend in de wijze waarop iemand als J. van Bruggen (en daarmee de hele 'hermeneutiek van de geïnspireerde Schrift') wordt afgedaan. Dr. Catharina J. M. Halkes geeft in kort bestek enkele hoofdmomenten van de feministische theologie.aan en tenslotte tekent mevr. Bolkestein voor een tweetal strijdbare bijdragen. Voor wie wat steviger kost aan kan, is dit een oriënterend boek. Het kan onze ogen openen, blinde vlekken wegnemen. Waarom neemt de vrouw onder ons in het kerkelijk leven over het algemeen een zoveel meer teruggedrongen plaats in, dan in het N.T. het geval is? Ligt dat niet aan een selectief schriftgebruik vanuit zekere mannelijke vooringenomenheden? Toch kan anderzijds de weg die dit boek wijst niet gevolgd worden. Zó mogen we niet met de Heilige Schrift omgaan!
J. Hoek
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's