De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De wraakgedachte in de psalmen (7)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De wraakgedachte in de psalmen (7)

9 minuten leestijd

Hier is geen sprake van het laten botvieren van persoonlijke wrevel of blind nationalisme, maar een gebed om de doorbraak van Gods koninkrijk en de openbaarwording van de kinderen Gods.

Nu we een drietal zogenaamde wraakpsalmen nader hebben bekeken, ligt het op de weg om aan de hand daarvan enkele conclusies op te maken en antwoorden te formuleren op de opgeworpen vragen. Daartoe is het niet nodig om eerst al de betrokken psalmen stuk voor stuk te bezien. Immers geven de behandelde psalmen 94, 109 en 137 een aardige dwarsdoorsnede van deze in het psalmboek aanwezige materie.

Nu is het zo, dat de wraakgedachte op zich niet slechts beperkt is tot de psalmen, doch door heel het Oude Testament heen loopt. Wat daarbij echter nagenoeg uitsluitend in de psalmen opvalt is het bidden om wraak, om vergelding jegens de tegenstander. Dat vinden we buiten de psalmen zo niet terug. Daar is b.v. wel sprake van wraakprofetieën, oordeelsaankondigingen enz.. Maar het feit, dat mensen bij de Heere wraak en vergelding afbidden over hun tegenstander, komt nagenoeg alleen voor in de psalmen. En het is nu juist die uitdrukkelijke en hartstochtelijke bede om wraak over de vijand, die zoveel vragen heeft opgeroepen. Vandaar, dat we voor de behandeling van ons onderwerp ons met name op de psalmen moeten concentreren.

Niet zoetsappig

De Bijbel, met name het Oude Testament, is geen zoetsappig boek. Velen komen in conflict met de Schrift omdat men zijn eigen denkwereld daarin wil vinden. Aan de Bijbel worden dan eerst een aantal eisen gesteld, waaraan deze moet voldoen en vervolgens probeert men één en ander uit de Bijbel af te lezen. Begrijpelijk, dat men dan in conflicten geraakt.

Dan gaat men de vragen stellen, in de trant van: Als God een God van Liefde is, waarom dan al die geschiedenissen in de Bijbel van oorlog en strijd? Waarom moesten de Kanaänieten worden uitgeroeid om Israël het beloofde land ten deel te geven? Indien men er vanuit gaat, dat de Bijbel een vredig of zoetsappig boek moet zijn, loopt men natuurlijk helemaal vast met een psalm zoals 137. Ten onrechte probeert men dan wel zich te redden door al die gedeelten, welke strijden met eigen vooronderstelling te beschouwen als tijdgebonden dan wel te verklaren als consequenties van een primitieve individualistische gedachte. Bij deze schriftbenadering is er geen sprake van buigen voor de Schrift, doch van een heersen over de Schrift.

Bij dit alles moeten we ons ook realiseren, dat de Bijbel een Oosters boek is, dat uiteraard daarvan de sporen in zich draagt, hetgeen op haar gezag echter niet in mindering komt. Dit Oosterse gewaad, waarin de Bijbel tot ons komt, dienen we echter goed onder ogen te zien. Het was in die tijd in die wereld, dat God zich heeft geopenbaard aan mensen in hun leefwereld. Door Abraham te roepen uit Ur der Chaldeën. Door hem te geleiden naar Kanaän en door hem zijn weg te bereiden in het Oosterse Nomaden-bestaan. Door Israël nabij te zijn in de verdrukking in Egypte en doordat volk door een krachtige hand daaruit te bevrijden. Door Israël te geleiden op de tocht door de woestijn met alle ervaringen van dien. Door dat volk het land Kanaän ten erfdeel te geven. Dit laatste kon niet anders dan langs de weg van de strijd. In het Oude Testament is steeds sprake van de oorlogen des Heeren, waarin de Heere voorgaat in de strijd.

Langs die weg heeft de Heere zich bekend gemaakt en heeft Hij zijn verbond opgericht met Abraham en zijn zaad. Het is ook in die wereld, dat de tegenstand tegen Gods handelen openbaar kwam. De tegenstand tegen de Heere uit zich in de vijandschap tegen zijn volk Israël, via wie Hij zich heeft bekend gemaakt aan deze wereld. Aan dat volk heeft Hij zijn rechten en inzettingen gegeven. Dat volk heeft Hij zich ten eigendom verkoren.

Als we ons nu eerst even beperken, tot de wraakbeden jegens de vijandige volkeren, dan valt daarin reeds het spoor te herkennen van Gods ingrijpend handelen in deze wereld. God gaat zijn eigen gang door deze wereld, door de geschiedenis. Hij gaat zijn eigen gang vol majesteit. Omdat het Hem begonnen was om deze wereld. Hij gaf deze wereld niet prijs aan de vorst der duisternis. Daarom heeft Hij in zijn openbaring aan Israël vaste voet gezet op deze wereld. Zijn openbaringshandelen is ook zijn reddend ingrijpen om deze wereld voor zich te behouden. Niets kan Hem daarin tegenhouden, hoewel de boze al zijn troepen samenbrengt om zich tegen Hem te-weer te stellen. Maar God gaat door, en niets kan Hem in zijn gang beletten. Alles wat zich tegen Hem verheft, zal door Hem worden neergeveld. In wezen is de hele wereldgeschiedenis een grote exponent van Gods strijd met de vorst der duisternis om Zijn wereld voor zich te winnen. Daarin komt de antithese, de tegenstelling openbaar tussen God en de zijnen enerzijds en anderzijds alles wat zich tegen Hem verzet. Hij zal zijn voet zetten op de nek van zijn vijanden. Want Hij zal overwinnen (en heeft in beginsel reeds overwonnen).

De bijbelse geschiedenis vormt een grote reeks van wapenfeiten, waarin de voortgang wordt getekend van het rijk Gods in de geschiedenis van deze wereld. Dat rijk komt niet uit deze wereld op, doch komt geheel van de andere kant, van Gods kant. Maar het moet wel bevochten worden. God heeft Israël ingenomen, - apart gezet, in weerwil van Israël zelf. Israël heeft zijn aparte plaats echter niet gekregen terwille van zichzelf, doch als basis van waaruit God ingrijpt over de ganse wereld. Daarbij zullen zijn vijanden het moeten ontgelden, wat strijd kost. Daarbij zijn er voor de mens slechts twee mogelijkheden: Overgave aan God en daarin deelgenoot worden van Zijn rijk, of blijvend verzet en daarin door Hem ten ondergebracht worden. Nog laat de vijand zich gelden. Nog roert de duivel zijn staart. Maar de beslissende slag is reeds gestreden op Golgotha. Christus heeft aan het kruis over de machten getriomfeerd. De strijd is reeds bij voorbaat gewonnen, doch wordt daarom juist nog in alle hevigheid gestreden. Van die strijd is het Oude Testament vol. Van die strijd waren de psalmisten aanschouwers en deelgenoten. Zij wisten het, dat de Heere voorgaat in Zijn eigen strijd en dat Hij het voor Zijn eigen zaak opneemt en zijn eigen overwinning zal bevechten. Op zichzelf, zonder de Heere, staat men in die strijd machteloos, maar in de Heere zijn wij meer dan overwinnaars. Daarom konden de vromen in het Oude Testament, de psalmisten, bidden: Gord gord Uw zwaard aan Uw zijde. Vertoon Uw glans vertoon Uw majesteit en laat Uw overwinning blijken over allen die zich tegen U verzetten. De wraakpsalmen zijn een groot gebed tot de Heere, dat Hij het voor Zijn eigen zaak opneemt en dat Hij Zijn volk niet zal verlaten. De strijd woedt in alle hevigheid en men weet, dat de vijand, als hij de kans krijgt, niets en niemand zal verschonen. De strijd wordt in alle hevigheid beslissend gestreden. Daarbij gaat het om alles: Om Gods eer, Gods naam, Gods zaak en Gods rijk. God zal strijden en de mens kan daarbij stil zijn. Ondertussen kan de huivering ontstaan bij de gedachte, dat de vijand eens het laatste woord mocht hebben. Daartegen hebben de gelovigen slechts een wapen, het wapen van het gebed. Dat is het gebed, dat Gods eer bevordert. Het gebed, dat God het voor Zijn eigen zaak zal opnemen.

In dat licht worden wraakbeden jegens de volkeren, die uit waren op de ondergang van Israël, verstaanbaar. Hier is geen sprake van het laten botvieren van persoonlijke wrevel of blind nationalisme, maar een gebed om de doorbraak van Gods koninkrijk en de openbaarwording van de kinderen Gods. Dit verdraagt zich niet met de leer, dat God de grote lijder is, die lijdt aan de wereld, die uiteindelijk in zijn geheel zonder onderscheid deelt in de verzoening met God. Voor de leer van de alverzoening geeft de Schrift en met name ook het Oude Testament geen enkele ruimte. Hét koninkrijk Gods breekt zich baan via de weg van de strijd, waarbij voor de mens het criterium is: Overgave of verzet. God kan geen verzet en vijandschap dulden tegen zichzelf en Zijn eigen zaak. Dat geeft strijd en spanning, waarvan heel de Bijbel vol is. Een spanning, die in de wraakpsalmen voelbaar trilt.

Maar dit is de troost, voor allen die Hem volgen. De overwinning is aan Hem. Het gaat heen naar de volkomenheid van zijn rijk. Daar zal alle vijandschap voorgoed verbroken zijn. Daar is de spanning opgeheven en ruist het alles van de volkomen harmonie.

Het zaad van de vrouw en het zaad van de slang

De strijd, waarover we het zojuist hadden, is reeds door God zelf aangekondigd en ingezet in het paradijs. Genesis 3 : 15 'Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw tussen uw zaad en tussen haar zaad'. Dat is de strijd van God en zijn Christus tegen de duivel en zijn gevolg. Die strijd is in beginsel reeds ter ere van en door Christus beslecht. De eindoverwinning zal weldra volgen.

Maar ondertussen was en is het wel een strijd op leven en dood. Het is geen opgevoerd spel, maar volop menens. Het gaat immers om alles: Om de wereld, om het rijk dat de eeuwigheid zal verduren.

Bij dit alles staat het vast, dat de vijand ten onder moet worden gebracht. Zal de vijand zegevieren, dan zal de toekomst van het rijk Gods wegvallen (maar dat is onmogelijk). Babel was zo'n exponent van de macht van de vorst der duisternis. Nu wordt de diepste beweegreden van de psalmist uit psalm 137 duidelijk, als hij bidt om de volkomen vernietiging van Babel. 'O dochter van Babel, die verwoest zult worden, wel gelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal , die gij aan ons misdaan hebt.' Voor de psalmist is het duidelijk, dat zolang deze anti-goddelijke macht nog enigszins zich kan laten gelden, het rijk Gods nog niet volledig is. Daarom moet in de gedachtengang van de psalmist de toekomst van Babel geheel worden afgesneden. En daarom wordt hij wel gelukzalig geacht, die Babel's jonge geslacht, waarin de toekomst ligt, zal verdelgen. Hier reeds een profetie van de jongste dag, waarop God dan ook radicaal afrekening zal houden met Zijn vijanden, waarop de strijd tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang voorgoed ter ere van Christus wordt beslist. Daarom is b.v. psalm 137 in wezen een lied, waarin het hijgend verlangen doorklinkt, naar die grote dag, waarop God afrekening zal houden met zijn vijanden en de volkomenheid van zijn rijk zal doen doorbreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De wraakgedachte in de psalmen (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's