De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Het donorcodicil

Onder een donorcodicil verstaan we een verklaring waarmee de eigenaar aangeeft dat na zijn overlijden zijn of haar organen, b.v. de nieren, gebruikt mogen worden voor transplantatie. Over enkele ethische aspecten van deze zaak trof ik een artikel aan van drs. W. G. V. Gorp, docent aan 'De Vijverberg' in Ede, in het blad 'Daniël, het jongerenblad van de Geref. Gemeente (18 maart 1983). Van Dorp wijst erop dat transplantatie van nieren in een aantal gevallen uitkomst biedt en een nierdialyse overbodig maakt. Als tenminste het lichaam de nier niet afstoot. Bij een transplantatie worden bij voorkeur nieren weggenomen in een situatie wanneer de bloedsomloop nog in werking is; men spreek dan van 'klinische dood' of 'hersendood'. Transplantatie van nieren of andere organen is een van de facetten van de toegenomen medische macht. Nu zal het duidelijk zijn dat macht altijd iets dubbelzinnigs heeft: het kan een uitwerking ten goede of ten kwade hebben. Christenen die hun handelen willen verantwoorden ten overstaan van de Schrift zullen zich ook hier rekenschap hebben te geven van de vraag of deze toepassing van de medische macht geoorloofd is. Misschien is iemand geneigd om bij voorbaat te zeggen: waarom niet...? Als het nu nuttig is voor een ander! Maar een dergelijke nuttigheidsredenering heeft in de ethiek al voor heel wat ontsporingen gezorgd. Met een beroep op het nut zou men b.v. ook euthanasie of abortus in een aantal gevallen kunnen verdedigen. Juist daar waar we te maken hebben met het leven en dood zullen we hebben te zoeken naar het verstaan van het gebod van onze Schepper en Koning. Nu is het duidelijk - Van Dorp wijst daar ook op - dat we in dit soort vragen ons nooit rechtstreeks op de Bijbel kunnen beroepen, omdat vroeger transplantaties onbekend waren. We kunnen alleen langs de indirecte weg een antwoord zoeken:

'De antwoorden op twee vragen lijken mij fn'dit verband het meest van belang:

1. Is het, bijbels gezien, verantwoord om na de dood organen uit het lichaam te (laten) verwijderen?

2. Is het ook toegestaan in die situatie waarbij sprake is van hersendood?

"Tot stof zult gij wederkeren"

De dood is het einde van ons aardse leven; het lichaam vergaat en keert terug tot stof (Genesis 3:19). Na de dood is ons lichaam in wezen niets anders dan al het andere stoffelijke in deze wereld. Dit wil niet zeggen dat het lichaam na de dood niet met eerbied behandeld moet worden. Denk bijvoorbeeld maar aan de goede christelijke gewoonte om het lichaam te begraven en niet te verbranden. Ik ben van mening dat er geen sprake is van gebrek aan eerbied wanneer na de dood bepaalde organen uit het lichaam worden genomen. De Bijbel geeft ons geen direkt gebod om ons gehele lichaam te begraven. Ook de eeuwige bestemming van de mens hangt niet af van het wel of niet geheel begraven.

In andere landen bestaat nog wel eens de situatie, dat het lichaam na de dood als het ware eigendom wordt van de staat, tenzij men dit uitdrukkelijk door middel van een codicil tegengaat. Als dit codicil ontbreekt, kan de staat (in de praktijk: de arts) bepalen of er organen gebruikt worden voor transplantatie. In Nederland is dit anders. Hier bepaalt alleen de persoon zelf wat er na de dood met zijn organen gebeurt. Deze regeling sluit meer aan bij de bijbelse gedachtengang. Wij belijden immers, dat ook ons lichaam een geschenk is van God, dat wij in bruikleen ontvangen hebben. Een christen kan dan ook alleen een beslissing nemen over zijn lichaam in afhankelijkheid van God. Dit is uiteraard alleen mogelijk als de persoon zelf deze beslissing neemt.

Een andere situatie?

De tweede vraag is veel moeilijker te beantwoorden. Dit komt omdat men hier te maken krijgt met een andere vraag, namelijk wanneer iemand nu eigenlijk overleden is. Vroeger betekende een hartstilstand automatisch dat de dood was ingetreden. In onze tijd bestaat deze koppeling niet meer. Er is een aantal situaties waarbij het hart voor kortere of langere tijd stil staat, zonder dat er sprake is van een ingetreden dood. Aan de andere kant is het door de huidige technische middelen mogelijk een lichaam in stand te houden waarvan de hersenen totaal niet meer funktioneren. Dit laatste is door middel van verschillende onderzoeken aan te tonen.

Naar mijn mening is in de hier genoemde situatie toch ook sprake van ''overleden zijn'': en is een grens over gegaan (overlijden is letterlijk: overgaan"). Er is geen geest meer aanwezig in het lichaam, het schepsel is zonder rede, redeloos. Alhoewel de apostel Jacobus, naar we mogen aannemen, nooit met zo'n situatie zal zijn gekonfronteerd, spreekt hij toch iets uit wat de genoemde gedachtengang ondersteunt: "Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood" (Jacobus 2 : 26). Als er dan inderdaad sprake is van overleden zijn, dan bestaan er geen bezwaren tegen het verwijderen van bepaalde organen. Na deze operatie worden de voorzieningen (bijvoorbeeld het beademingsapparaat) die het lichaam tot dat moment in stand hielden, weggenomen.

Uit het bovenstaande is wel duidelijk dat er, naar mijn mening en voor zover ik dat kan overzien, geen overwegende (bijbelse) bezwaren ontstaan tegen het uitvoeren van orgaantransplantaties. Of het ekonomisch verantwoord is (b.v. harttransplantaties), laat ik hier geheel buiten beschouwing.'

De vraag zou ook kunnen opkomen: Maar is het geoorloofd zo'n donorcodicil te schrijven? Van Dorp maakt onderscheid tussen de zaak zelf (die hij legitiem acht) en de motivatie. Men zou namelijk vanuit humanistische overwegingen kunnen handelen, vanuit de gedachte dat men op die manier zijn dood een zin kan geven. Het is opvallend hoezeer in allerlei ethische beschouwingen deze gedachte voorkomt: De dood wordt niet meer als straf gezien, maar als een zinvolle afsluiting van het leven. Ook hier verwijs ik naar allerlei publicaties rondom de begeleiding van stervenden en alweer het euthanasie-debat. Van Dorp wijst dit af.

'Ook kunnen we in wezen de dood nooit zin geven, ook niet door het afstaan van organen. Ook dan blijft de dood zin-loos, straf op de zonde. Slechts de dood van Eén had werkelijk zin: de dood van Jezus Christus. Het feit dat een bijbelse visie ontbreekt in de propaganda, is nog geen reden om het schrijven van een codicil na te laten. Dat toch veel mensen (ook in onze kring) het niet doen, heeft, denk ik, andere redenen.

De belangrijkste reden is de gedachte dat, wanneer men een codicil geschreven heeft, in bepaalde situaties de dood bespoedigd zal worden. Om het cru te zeggen: men zit te wachten op onze organen, dus worden bepaalde behandelingsmethoden die het leven zouden kunnen rekken maar achterwege gelaten. Ik kan kort zijn met het antwoord. Ik geloof dat deze gedachte, voor wat de Nederlandse situatie betreft, niet terecht is. De tweede reden waarom geen codicil wordt geschreven is dat men niet wil denken aan de eigen dood. Immers, met het schrij­ven van een codicil worden wij onvermijdelijk stil gezet bij het feit dat de mens sterfelijk is, en dat ook voor ons eens het tijdstip van overlijden aanbreekt. Maar juist bij een christen zou deze gedachte niet doorslaggevend mogen zijn.

Bij dit alles kan ook het bijgelovige idee een rol spelen, dat wanneer men maatregelen neemt ten aanzien van zijn dood (ook bijvoorbeeld het maken van een testament), de dood ook spoedig(er) komt. Dat deze gedachte absoluut onbijbels is behoeft geen nader betoog.

Het wel of niet schrijven van een donorcodicil blijft een persoonlijke beslissing. Ik hoop dat velen er naar aanleiding van dit artikel over na gaan denken. Er is nog altijd een groot tekort aan donoren. In donor zit een Latijns werkwoord dat geven betekent. De donor staat iets af, waarmee hij het lichaam en de gezondheid van zijn medemens dient. En dit is nog altijd een bij uitstek christelijke daad en gedachte.'

Het is goed om kennis te nemen van wat er zich ook op dit terrein afspeelt. En in een tijd van opdringend humanisme en voortgaande secularisatie zullen we zorgvuldig hebben te schiften. Het zou van weinig verantwoordelijkheidsbesef getuigen als we nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden zomaar laten liggen. Het is niet per sé christelijk achter feiten aan te lopen. Maar we zouden nog van minder verantwoordelijkheidsbesef blijk geven als we ontwikkelingen maar slaafs volgen. Toetsing aan het getuigenis van de Schrift blijft nodig. Dat is wat anders dan het klakkeloos citeren van teksten. Dat betekent wel dat we de wil van de Heere God zoeken te verstaan. Zo kan een christelijke ethiek ook in deze jaren een bijdrage leveren aan dat handelen dat bijbels gezien verantwoord genoemd mag worden. '

De kerk en de godsdienstige minderheden

Wij leven in een samenleving waar hoe langer hoe meer godsdienstige verscheidenheid komt. Turken en Marokkanen, Surinamers en andere minderheidsgroepen brengen hun eigen overtuigingen mee, cultureel en godsdienstig. Denk slechts aan de vraag naar eigen gebedsruimten voor Moslims. De regering heeft in 1982 een werkgroep ingesteld om rapport uit te brengen inzake de vraag naar religieuze voorzieningen voor dergelijke etnische minderheden. Over de conclusies van dit rapport schrijft drs. J. Slomp in het Centraal Weekblad van 3 maart:

'Prof. dr. J. D. J. Waardenburg, hoogleraar islam in Utrecht en Kampen, werd tot voorzitter benoemd. Het rapport van de "commissie Waardenburg" is op 15 februari 1983 aan de minister aangeboden. De conclusie van het rapport is, dat de nood het grootst is bij moslims en hindoes. De Molukkers hebben niet te klagen. De andere christenen kunnen wel bij de bestaande kerken terecht.

De commissie heeft in ruim vijftig hoorzittingen vele vertegenwoordigers van de etnische minderheden en deskundigen, ook vanuit de kerken, aan het woord gelaten. Ook zijn veel moskeeën bezocht. Daarnaast zijn alle beschikbare schriftelijke bronnen, verwerkt. Het rapport bevat zodoende het beste en meest uitvoerige overzicht over het godsdienstig leven van moslims en hindoes in ons land. Het verdient wijde verspreiding. Op 28 februari 1983 heeft het C.D.A. een studieconferentie in Den Haag gewijd aan het rapport. Deze conferentie stond onder leiding van oud-ntinister Hans de Boer. Wie kennis neemt van de inhoud van het rapport, komt tot de slotsom dat de etnische minderheden wat religieuze voorzieningen betreft een grote achterstand hebben. De meeste gebedsruimten bevinden zich in afgedankte kerken, scholen, fabrieken, kantoren en soms zelfs onbewoonbaar verklaarde woningen. Waar gebouwen werden gekocht, zit men diep in de rode cijfers. Wanneer gehuurd wordt, kan men de huur nauwelijks opbrengen. De kosten voor onderhoud, gas, licht, verwarming zijn voor deze economisch steeds zwakker wordende groepen bijna niet te betalen. De moskeeverenigingen zijn ook zelf verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun voorgangers.

De commissie was onder de indruk van de grote offervaardigheid van vele moslims, maar meent toch dat de regering haar steun nog moet voorzetten, omdat religie voor het handhaven van de identiteit van de minderheden van levensbelang is. Het is van essentieel belang voor de hele samenleving dat met name ook de tweede generatie niet wordt losgeslagen van haar geestelijke ankers.

De werkgroep verwacht bovendien dat door Nederlandse steun de, soms ongewenste, controle vanuit het buitenland minder zal worden. Wil godsdienstvrijheid geen lege letter blijven, dan zal men deze mensen te hulp moeten komen, zo meent de werkgroep.

Het rapport doet ook aanbevelingen op het gebied van godsdienstonderwijs, opleiding van voorgangers in Nederland, media, enz. Er zal in de toekomst zeker geregeld naar worden gegrepen als bron van informatie.

Eén ding wordt duidelijk. Het valt niet mee om moslim of hindoe te zijn in Nederland. Kerken en christenen die zich bezinnen op hun roeping tegenover moslims en hindoes in hun omgeving, kunnen aan dit rapport niet voorbijgaan. Het biedt gedegen en grondige informatie.'

U merkt: er wordt gedacht vanuit een drietal motieven: a. een democratisch motief; b. een sociaal motief (het welzijn van de tweede generatie); c. een humanitair motief (godsdienstvrijheid als grondrecht). Toch liggen hier - bij erkenning van het belang van deze motieven - wel een aantal vragen: Wat voor principiële wissels worden hier overgehaald, b.v. met betrekking tot de vraag naar de verhouding van theocratie en democratie? Hoe zien we de overheid? Als dienares van God of als uitvoerder van de volkswil? En in het eerste geval: Hoe ligt de verhouding tussen theocratie en tolerantie? Krijgen we straks in Nederland de situatie dat moslims en hindoes meer en meer op overheidsgelden kunnen rekenen dan kerken en christelijke groeperingen? En anderzijds zal ieder zich aangesproken voelen door het argument dat niemand ermee gebaat is wanneer mensen van een andere godsdienst in een geestelijke leegte terecht komen? Het is hier niet de plaats de kluwen van vragen te ontwarren. Het lijkt me belangrijk dat ten onzent organen die zich bezig houden met de missionaire taak zich grondig op deze vragen verdiepen. Godsdienstvrijheid is een groot goed. Tegelijk is er de roeping tot getuigen van Christus? Wat betekent de wijziging in de samenleving voor de taak van de kerk.

In het Hervormd Weekblad van 24 maart bespreekt ook G. de Klerk dit rapport. Hij gaat vooral in op de vraag naar de roeping van de kerk en herinnert aan een artikel van prof. dr. J. Verkuyl over deze zaak.

'Vanuit een bijbels-theocratische visie zou er zeker wat te zeggen zijn over de roeping van de overheid en de houding van de staat in een plurale samenleving. Moet ook de overheid zich niet laten leiden, door de geopenbaarde Waarheid, die Jezus Christus is?

Voor deze vraag ligt echter een andere aktuele kwestie van de eerste orde - en wel deze: Is de kerk voldoende van haar roeping doordrongen om tegenover belijders van andere godsdiensten het heil in Jezus Christus te verkondigen?

Als dat getuigenis achterwege zou blijven is het wijzen op de (blijvende) bijbelse roeping van de overheid een slag in de lucht!

Ook in zijn verslag over de consultatie van het CDA benadrukte prof. Verkuyl de noodzaak van een verdere, dieper gaande dialoog van wederzijdse getuigenis, waarin de diepste vragen over God, mens en wereld aan de orde komen en waarin de waarheidsvraag niet ontweken wordt.

Vaak gebeurt het dat verschillen hierover worden gecamoufleerd of als "vooroordelen" worden aangemerkt. Het verslag van dr. Verkuyl meldt dat prof. Waardenburg in zijn toelichting op het officiële rapport, niet aan dit gevaar ontkwam. Prof. Verkuyl vervolgt dan met het CDA op te roepen geen consessies te doen aan een soort "oecumene der godsdiensten" of nieuwe vormen van syncretisme te bevorderen zoals nu in vele moderne gnostische stromingen en filosofieën gebeurt. 'n Oproep die alleen maar van harte onderschreven kan worden.

Het gaat er om dat ieder in vrijheid een keuze kan en moet doen. Een keuze die pas mogelijk is als ook belijders van andere godsdiensten binnen onze grenzen recht wordt gedaan en hun behoeften niet worden doodgezwegen. Ook daarvoor mag en moet de kerk zich inzetten. Dan heeft zij ook het recht, ja de opdracht van Godswege, om met hart­ stocht te getuigen van het heil voor ieder die gelooft in Jezus Christus, Jood en Griek, Hollander en Turk.'

Anders gezegd: We zullen niet vanuit een bepaalde machtspositie godsdienstige minderheden mogen dwingen tot het afzien van bepaalde rechten. Godsdienstvrijheid is een zaak waar ook christenen zich voor hebben in te zetten. Maar we zullen juist binnen die vrijheid hebben te getuigen van het heil in Christus. Is dat ook niet het antwoord voor de tweede generatie die geestelijk ontworteld dreigt te worden? Over het hoe van dit getuigenis zal gesproken moeten worden? Het rapport van de commissie Waardenburg lijkt me uitermate belangrijke niet alleen voor christen-politici, maar ook voor de kerken, en met name allen die betrokken zijn bij zending, diakonaat en evangelisatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's