De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De wraakgedachte in de psalmen (8) (slot)

Bekijk het origineel

De wraakgedachte in de psalmen (8) (slot)

8 minuten leestijd

De psalmist ziet niet zijn eigen zaak, doch Gods zaak bedreigd in het optreden van de vijand.

In het voorgaande artikel is opengebleven de vraag hoe dan het gebed om persoonlijke vergelding moet worden geplaatst. Immers, waar daarvan sprake is, gaat het om een indivuele tegenstander uit het eigen volk. De tegenstellingen in de grotere internationale verbanden zijn nog gemakkelijker te plaatsen dan de persoonlijke wraakverhoudingen. Staan deze laatste niet op gespannen voet met het gebod der liefde?

Zoals reeds opgemerkt bij de behandeling van psalm 109, speelt in die gevallen op de achtergrond toch de eer van God een beslissende rol. Immers is de vijand uit psalm 109 ook de vijand van God en Zijn dienst. Ook al mag dan die vijand een afstammeling van Abraham zijn, hij is een gedenatureerde zoon van Abraham. Hij is diegene, die in psalm 14 ten voeten uit wordt getekend: De dwaas zegt in zijn hart: 'Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk. Hij roept de Heere niet aan'.

De psalmist ervaart de strijd met de tegenstander zo existentieel, dat hij hierin het krijgsgedreun hoort van de slag met de vorst der duisternis. De psalmist ziet niet zijn eigen zaak, doch Gods zaak bedreigd in het optreden van de vijand. Dat ligt voor de psalmisten doorgaans in dezelfde lijn. Treffend komt dat ook tot uiting bijv. in psalm 139 : 19 t/m 22: O God, dat Gij de goddeloze ombracht! en gij mannen des bloeds, wijkt van mij. Die van U schandelijk spreken en Uw vijanden ijdelijk verheffen. Zou ik niet haten, Heere die U haten? En verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.'

Zoals reeds gezegd, mag dit geen vrijbrief zijn om steeds in alle gevallen zonder meer onze eigen zaak met Gods zaak te vereenzelvigen. Zeker is het ook niet geoorloofd om elke tegenstander direkt te doodverven als vijand van God en deze daarom met wraakwensen te beschieten. In het algemeen hebben wij steeds in het oordeel der liefde ook voor onze tegenstanders het beste te zoeken en te geloven. Maar, zo merkt Calvijn ook op, er kunnen zich gevallen voordoen dat de tegenstander als het ware de zaak van God aanrandt. Dan hebben we op onze post te zijn, zoals een hond op kritieke momenten ook voor zijn meester opkomt. Er is dan geen sprake van verdediging van louter eigenbelangen, doch van de Naam de eer en de zaak van God, waar eigen bestaan mee vervlochten is. Dan wordt de belijdenis verstaan van de dichter van psalm 139: Zou ik niet haten, die U haten?

Gods begrip voor de gevoelens van mensen

Dat is ook een aspekt, dat we in de wraakpsalmen mogen onderkennen. Zo realistisch is de Bijbel. Heel de wereld van het menselijk gevoelen ligt daarin verklaard. M.a.w. God kan het begrijpen, dat een mens, die aan alle kanten door zijn tegenstanders wordt belaagd, tenslotte uitbarst in woede over die tegenstanders. Om een concreet voorbeeld te noemen, naar de Bijbel is er begrip voor, dat iemand die in de oorlog in een concentratiekamp wordt geplaagd en gemarteld, zijn beulen de dood toewenst. Zo kan er zelfs sprake zijn van een heilige haat. Juist vanuit de Christelijke Liefde is zo'n haat zelfs begrijpelijk. Immers lief­de, haat en toorn liggen heel dicht bij elkaar. Zo is dat ook in God zelf. De toorn van God is de spits van de vlam van zijn liefde, heeft Gunning eens gezegd. Daarvan ligt ook iets weerspiegeld in het gevoelsleven van de gelovigen. Juist in het licht van de bewogenheid der liefde, kan er sprake zijn van heilige toorn. Toorn, omdat Gods inzettingen met voeten worden getreden. In het Oude Testament wordt in dat verband met name gedacht aan het verdrukken van de weduwe en de wees enz. Voorts: Het niet tellen van het leven en het welzijn van de ander. De dwaas uit psalm 14 gaat daar ongestoord mee door, omdat hij meent, dat al wat hij doet, goed is. Hij stelt zichzelf de wet, want hij zegt in zijn hart: Er is geen God. Dit kwaad roept naar de hemel om vergelding. Daarom mag de gelovige in dat verband ook bidden om die vergelding. Zulks met voorbijzien van eigen belang. Met eerbied gesproken, heeft God dus begrip voor de wraakgevoelens, die onder bepaalde omstandigheden in het hart van een mens kunnen ontstaan.

Geen zelf-rechtvaardiging

Een en ander betekent in de psalmen nooit een rechtvaardiging van zichzelf. Dat blijkt bijv. in psalm 143. Daar klaagt de dichter over de vijand, die hem vervolgt en zijn leven ter aarde vertreedt. Direkt daaraan vooraf gaat echter de belijdenis van eigen schuld. 'En ga niet in het gericht met uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn'. Daarom kan er geen sprake zijn van het laten bot-vieren van persoonlijke gevoelens van wrevel, doch uitsluitend van een roep tot de rechter der ganse aarde om recht te doen en de mond van de trotse tegenstrever te stoppen.

Verlos ons van de boze

In wezen vloeien de boven omschreven gedachten ook voort uit het allervolmaaktste gebed, dat de Heere Jezus ons heeft geleerd, waarin ook de bede voorkomt: verlos ons van de boze. Immers de strijd met de vorst der duisternis staat steeds op de achtergrond van de aardse strijd. Die strijd is reeds beslissend gestreden, door de Heere Jezus Christus. Hij heeft op Golgotha over de machten getriomfeerd. Hij heeft de duivel de beslissende slag toegebracht. Daarom is de strijd, die na Golgotha nog gevoerd wordt een reeds gewonnen strijd. De wraakpsalmen moeten daarom met name ook gelezen worden met het zicht op het Nieuwe Testament. Deze psalmen moeten nl. ook christologisch worden verstaan. Profetisch klinkt in deze psalmen de stem door van Hem die gekomen is om de werken van de Vorst der duisternis te verbreken. Hij heeft die strijd alleen gevoerd. Hij werd benauwd van alle zijden. Hij is alleen het strijdperk ingegaan en heeft de zege behaald. In de wraakpsalmen klinkt iets door van de hardheid en de felheid, waarmee deze strijd is gevoerd. Dat heeft Hem aangegrepen tot in het diepst van zijn ziel, op een zodanige wijze, die voor geen mens te doorgronden is. Als er bijv. staat in psalm 109 : 22 en 23: 'Want ik ben ellendig en nooddruftig en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond. Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt. Ik wordt omgedreven als een sprinkhaan', dan is dat ten volle ervaren door Hem, de Man van smarten in Zijn diepste zielelijden in de nacht van de godverlatenheid. Hij weet wat het is om oog in oog te staan met de vijand. In het heetst van de strijd. Maar Hij heeft overwonnen, hetgeen wel Zijn bloed heeft gekost. En vanuit die overwinning van Christus mogen wij bidden: verlos ons van de boze. Dat gebed richt zich op de volkomen overwinning van God in Christus over al Zijn vijanden. Op de volkomen eind-overwinning over al de vijandige machten. Op de volkomen doorbraak van Zijn vrederijk. Dan zal Hij definitief al zijn vijanden onder zijn voeten hebben gelegd. Dan zullen alle dingen Hem onderworpen zijn. Dan zullen al Zijn kinderen met Hem heersen.

Dan zal de strijd voor eens en voor altijd zijn uitgebannen. Dan is er die storeloze harmonie, waarin God zal zijn alles en in allen. Zolang die volkomenheid er echter nog niet is, blijft er het onvolmaakte en blijft er de strijd. Zolang krijgt de boze nog een zekere speelruimte om zich te roeren. Zolang mogen wij de strijd niet schuwen.

Daarom hijgt de gemeente van Christus en in haar de ganse schepping naar de dag der voleinding. Zij ziet er rijkhalzend uit naar de dag, waarop de strijd voorgoed gestreden is. Intussen hangt de afloop van de strijd niet van ons af, doch uitsluitend van Hem, die reeds de overwinning heeft behaald.

Ons is slechts één wapen gegeven, dat wij in die strijd kunnen hanteren, nl. dit: De bede, Uw Koninkrijk koom toch O Heer, werpt Gij de troon des satans neer. Het komt ons niet toe om de zaak in eigen hand te nemen. Dat zagen ook de psalmisten in. Ook zij hebben de zaak niet in eigen handen genomen, doch deze gelegd in de hand van Hem, die rechtvaardig oordeelt en de zijnen niet vergeet.

De eindafrekening

De wraakbeden zullen verhoord worden. God zal eindafrekening houden. Hij zal Zijn eer niet aan een ander geven. Hij is overwinnaar in de strijd en geeft zijn volk de zege. De vijand kan nu wellicht nog denken de baas te zijn, doch aan die illusie zal een eind komen. Het gaat aan op de grote afrekening. Dan zullen inderdaad de wraakbeden worden verhoord. Tot troost voor allen die voor Hem de knie wilden buigen en tot schrik voor allen die zich tegen Hem blijven verzetten. Daarom: Kust de Zoon, opdat Hij niet op U zal toornen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De wraakgedachte in de psalmen (8) (slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's