De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De betekenis van Luther voor de Gereformeerde Gezindte (3)

Bekijk het origineel

De betekenis van Luther voor de Gereformeerde Gezindte (3)

8 minuten leestijd

De wet, zegt Luther is een ministra (een dienares), een voorbereidster tot de genade (praeparatrix ad gratiam).

Wet en Evangelie

Dit brengt mij tot de volgende ronde, waarin ik nog wat nader wil ingaan op Luthers prediking van wet en Evangelie. Ik vrees, zegt Luther ergens, dat na mijn dood, men spoedig weer vergeten zal zijn het verschil tussen wet en Evangelie, het verschil tussen de gerechtigheid uit de werken (iustitia operum) en de christelijke gerechtigheid uit het geloof (W.A.10.1.506).

Onderscheiden

Gelukkig de mens, zegt Luther, die wet en Evangelie weet te onderscheiden, die niet in het Evangelie de wet zoekt, maar het Evangelie zo ver verwijderd houdt van de wet als de hemel van de aarde. Wet en Evangelie uit elkaar houden is, volgens Luther, niet gemakkelijk. Het is zelfs bijna niet te doen. Zelfs voor de meest geoefenden is het moeilijk, nl. in de praktijk, in gewetensnood. Elders zegt Luther het als volgt: Men moet noodzakelijk kennen het onderscheid tussen wet en Evangelie. Dit stuk (deze locus) bevat de hoofdstom (summa) van de hele christelijke leer.

Laat ieder de wet leren onderscheiden van het Evangelie; niet alleen in woorden en begrippen, maar ook in het hart en in de ervaring (experientia), in het geweten. Blijft het bij begrippen, dan is de onderscheiding van deze beide heel gemakkelijk. Maar komt het tot ervaring, dan vindt ge in uw geweten zelden het Evangelie (W.A.10.1.210). Op weer een andere plaats zegt Luther: Christus en de wet kunnen niet in één en hetzelfde geweten tegelijk heersen. Het is óf Christus en dan valt de wet weg, of het is de wet en dan valt Christus weg. Beide wet en Evangelie vermengen is hét kwaad, volgens Luther, waarin de kerk van Rome viel, maar ook allerlei secten. En tegelijk ook het kwaad van joden en moslims (W.A.10.1.114).

Functie van de wet

Op grond van het bovenstaande zou men kunnen concluderen, dat Luther de wet als van geen betekenis heeft geacht. Maar dat is een misvatting. Hij heeft alleen maar de wet haar eigen functie teruggeven. Nadrukkelijk spreekt hij in zijn grote Galatencommentaar over een tweevoudige functie van de wet (een duplex usus). Er is een burgerlijk gebruik der wet (usus civilis). Maar het eigenlijke gebruik van de wet is, het aantonen en meerder maken van de zonde in 's mensen geweten. Dit noemt Luther het theologisch of geestelijk gebruik van de wet. Het is het eigenlijke en voornaamste gebruik van de wet. De wet is, zegt Luther, een door God gezonden Hercules, en de taak van deze Hercules is het monster van de eigen gerechtigheid neer te slaan. Van dit gebruik der wet, zegt Luther, heeft men in het verleden weinig geweten. Van het onderscheid tussen wet en Evangelie vindt ge niets in de boeken der monniken, der canonisten, en der oude en nieuwe roomse theologen. Gedurende vele eeuwen heeft hierover in de scholen en in de kerk een merkwaardig stilzwijgen geheerst. Bij Hieronymus vindt men er niets van, bij Augustus slechts iets. En dat alles heeft geleid tot groot nadeel voor de gewetens.

Voorbereidster

De wet, zegt Luther is een ministra (een dienares), een voorbereidster tot de genade (praeparatrix ad gratiam). De wet maakt de mens tot niets, tot een nihilum, en zie in dat nihilum openbaart God dan Zijn scheppingsmacht, want God is een God die schept ex nihilo, uit niets. De wet is een hamer die verbrijzelt. Er zijn in het leven van de christen tijden van de wet, en die worden afgewisseld door tijden der genade. Men lette er op: Voor Luther is dit dus niet een eenmalig gebeuren, zoals in het Piëtisme; het herhaalt zich eindeloos. Dit gebeuren markeert niet de overgang tot het christen-zijn, maar behoort constant thuis in het christen-zijn. Nog in 1535 beleed Luther: Soms zijn er uren van duisternis waarin ik worstel. Ik weet hoe vaak ik verlies de zonnestralen van het Evangelie en van de genade, schuilgaande achter dikke wolken. Ik weet hoe onvast staan ook zij die geoefend zijn. Er zijn tijden dat de wet het Evangelie overtreft, het geweten in beroering brengt, terrores verwekt, niet minder dan op de Sinaï. Dan zal alle vertroostingen omneveld, dan zijn wij de genade verloren uit het oog, ook Christus en het Evangelie.

Grijpen naar het Evangelie

En wat moeten wij dan doen? Luther zegt: Toch gebruik maken van het Evangelie, het Woord der Genade. Er komen ogenblikken dat de christen zeggen moet: Domina Lex (mevrouw Wet), uw tijd is voorbij! Er moet, zegt Luther, aan de wet tijd en maat worden gesteld. De weg mag niet te lang heersen in het geweten van de christen. Heeft de wet mij de toorn en het oordeel Gods geopenbaard, zodat ik bevreesd ben geworden, dan heeft de wet gedaan wat zij moest doen, dan is voor haar de tijd gekomen om heen te gaan. Dan moet men zeggen: Wet, houd op, ge hebt me genoeg verbrijzeld; dan moet de heerschappij worden overgedragen aan Christus. Dan grijpen wij het Woord Gods, het Evangelie, de beloften Gods; dan grijpen wij Christus aan.

Het komt er op aan bij Luther dat dat radikaal geschiedt. Het geweten moet geheel van de wet worden gezuiverd. Het christelijk geweten is een maagd, een bruid die alleen voor Christus zijn mag.

Strijd

Maar het blijft een strijd. Het geweten is een zeer tere zaak. De christen ervaart zolang hij leeft, omdat hij een zondaar is, de eerste usus legis, de aanklagende functie van de wet. Tijden der genade komen er steeds na tijden van de wet. Wet en Evangelie, al liggen zij zo ver uit elkaar als hemel en aarde, ontmoeten elkaar in het éne menselijke hart van de zondaar; en daar wordt de strijd gestreden. Toch: de wet moet het steeds afleggen tegen het Evangelie. Het Evangelie overwint. En met het Evangelie de blijdschap (hilaritas).

Theologia paradoxa

Luther heeft zijn theologie genoemd een Theologia paradoxa. In de verhouding van wet en Evangelie heeft hij er uitdrukking aan gegeven. In de overwinning van het Evangelie op de wet voltrekt zich 's mensen iustificatio, zijn rechtvaardiging. De christen komt daar­ door tot de ware christelijke vrijheid. De wet heeft dan voor hem afgedaan, Christus heerst in zijn geweten, geheel vrijwillig doet hij dan hetgeen de wet Gods eist, maar hij doet het spontaan, zonder aan de wet te denken.

Ziehier in grote lijnen Luthers leer van wet en Evangelie, waarbij ik de functie van de wet in Luthers tweerijkenleer buiten beschouwing heb gelaten. Daarvoor verwijs ik graag naar de bijdrage van dr. J. Hoek in de bundel: Luther en het Gereformeerd Protestantisme.

Calvijn

Ik weet: Calvijn heeft over de verhouding wet en Evangelie wat anders gesproken dan Luther. Toch heeft hij, naar mijn mening. Luthers leer van wet en Evangelie niet terzijde gesteld, maar in zijn bredere oriëntatie opgenomen. Het scherp dialectische in Luthers spreken over wet en Evangelie is daarbij echter verloren gegaan. En als zodanig heeft Luthers leer, naar mijn gevoelens, toch nog een eigen betekenis.

Hij stond hiermee, zoals hij zelf ook heeft opgemerkt, vrij eenzaam. Over de eeuwen heen greep hij terug op Paulus. Hij overtrof daarin zelfs Augustinus. Maar ook tegenover zijn tijdgenoten, afgezien van zijn directe medestanders en volgelingen en een figuur als Calvijn stond hij eenzaam. Erasmus ging een andere weg. De anabaptisten ook. De spiritualisten eveneens. En zelfs sommigen in Luthers eigen gelederen, als de antinomianen.

Geref. Gezindte

De Gereformeerde Gezindte zou er, volgens mij, goed aan doen, zich Luthers leer van wet en Evangelie te herinneren, de waarde ervan te erkennen, al was het alleen maar ter correctie. Heeft men wet en Evangelie wel altijd voldoende uit elkaar gehouden? Heeft men wel altijd voldoende oog gehad voor de vrijheid van de christenen? Heeft men niet soms Luthers worsteling, die zich eindeloos herhaalde, verlegd naar slechts het begin van het christenleven? Heeft daarmee het christenleven niet vaak een eigen gewicht gekregen, met dien verstande dat men de vrije genade Gods wel beleed met de mond, maar haar niet gedurig weer als een vrije genade beleefde? Werd als gevolg daarvan de heiligmaking niet menigmaal met wettische trekken geschetst?

En zijn er ook niet kringen in de Gereformeerde Gezindte waar heel Luthers worsteling onbekend is? Waar men de bevindelijke noties van de Reformatie geheel kwijt is? Waar men zelfs deze gedurige christenstrijd om een genadig God zelfs als achterhaald beschouwd? Waar van het reformatorische geloofsleven slechts een schaduw is overgebleven?

Ik stel slechts deze critische vragen, geef er geen antwoord op. Al suggereren de vragen wel een bepaald antwoord.

Het lijkt mij nuttig dat wij ons er op bezinnen. En willen wij Luther niet (meer) als leidsman, laat dan ieder geval Paulus het zijn. Luther heeft niet anders gewild dan de Schrift laten spreken, en in zijn leer van de wet en Evangelie heeft hij vooral het oor geleend aan Paulus. En Paulus kon zeggen: ook ik heb de Geest Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De betekenis van Luther voor de Gereformeerde Gezindte (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's