De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Met de kerk van alle tijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Met de kerk van alle tijden

9 minuten leestijd

In het aanvaarden van de belijdenissen komen we boven kerkisme en groepsdenken uit.

Onder de titel 'Zoals de ouden zongen...' heeft dr, C. A. Tukker een boekje over 'Geloof en belijden voorheen en nu' samengesteld. Hij heeft daarin een reeks belijdenissen of gedeelten daarvan weergegeven van oude tijden, maar ook belijdende stukken van meer recente datum.

Allereerst het Apostolicum, rond 150 in gebruik genomen in Rome bij de (volwassen) doop. Dan de Belijdenis van Nicea, tegen de dwalingen van Arius in, die de godheid van Christus ontkende. Verder de Belijdenis van Athanasius, ontstaan ongeveer in het jaar 500, een loflied op dé Drieënige God, een belijdenis ook toegespitst op het belijden dat ook de Heilige Geest God is. Dan volgt de geloofsbelijdenis van Leo IX en van het Lateraans concilie. Dr. Tukker typeert Leo IX als een Paus die om zo te zeggen in 1050 al de Reformatie was toegedaan. Vervolgens komt aan de orde de Augsburgse confessie, die de belijdenis van de Lutheranen werd. Vervolgens geeft dr. Tukker ook weer de uitspraken van het concilie van Trente, waarin de Reformatie wordt afgewezen. Verder nam hij enkele gedeelten op van de Catechismus van Calvijn, een belijdenis, die naast de Drie Formulieren van Enigheid ook wordt genoemd in de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk, zijnde 'door de Reformatie geschonken aan de Kerk in de Nederlanden'.

Dan komt verder aan de orde de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561), door Guido de Brés met een begeleidend schrijven 's nachts over de muur van het kasteel te Doornik geworpen, waar de landvoogdes woonde. In 1567 werd de opsteller om dit geloof, dat hij beleed en dat in de Nederlanden spoedig brede bekendheid kreeg, in Valenciennes opgehangen. De Heidelbergse Catechismus, verschenen in 1563, en opgesteld door Zacharias Ursinus en Caspar Ólevianus, beide hoogleraar te Heidelberg en nog geen dertig jaar oud, krijgt daarna de aandacht. Dan noemt dr. Tukker de Goudse Catechismus van de Middelburgse predikant Herman Faukelius, het zogeheten Kort Begrip dat een verkorting van de Heidelberger is, toegespitst op het geloof, waarbij 'de uitverkiezing als eerste oorzaak van geloof en heil niet wordt vermeld'. Van de Dordtse Leerregels, gericht tegen de dwalingen van de Remonstranten, neemt dr. Tukker enkele artikelen over.

In 1633 werd in Geneve de zogenaamde Oosterse belijdenis van Cyrillus Lukaris uitgegeven. Deze was patriarch van Constantinopel en had de in het Grieks vertaalde Lutherse belijdenis bestudeerd alsmede de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus, en stelde aan de hand daarvan genoemde belijdenis op.

De laatste paragrafen van dr. Tukkers boekje zijn gewijd aan enkele eigentijdse belijdende verklaringen of stukken, zoals de Barmer Thesen, uitgegeven door de Duitse Bekennende Kirche (1934) tegen de pretenties van het nationaal socialisme in Fundamenten en Perspectieven van Belijden, een document van de Hervormde Kerk, toen deze weer belijdende kerk werd na de Tweede Wereldoorlog, een stuk - aldus dr. Tukker - met 'optimistische toon', waarin de bevrijding, de geschiedenis en de overwinning van het heil centraal staan. Tenslotte noemt dr. Tukker 'Het Getuigenis' (1971), het Geloofsgetuigenis van de gereformeerde hoogleraren Berkhouwer en Ridderbos, de belijdenis van de Torajakerk, waarover drs. B. Plaisier schreef in Alle den Volcke, het orgaan van de GZB, en de Lausanner Thesen, een stuk van de Evangelicals uit 1974, geheel gericht op het thema 'evangelisatie' .

Alle tijden

Uit bovenstaande beknopte weergave van de inhoud van het boekje van dr. Tukker moge voldoende blijken dat hier voor mensen van vandaag getracht wordt datgene wat de kerk der eeuwen beleden heeft door te geven. Duidelijk is uit dit alles dat de kerk de eeuwen door belijdende kerk is geweest en moest zijn. In de Schrift zelf komen we reeds korte belijdenissen tegen. Zo de belijdenis aangaande God in Deuteronomium 6: 'De Heere onze God is een enig Heere' en de Nieuw Testamentische belijdenis dat Jezus Kurios is. Maar de belijdende formuleringen zijn er verder ook geweest vanaf het begin van de Kerk. Ze waren nodig om dwalingen af te wijzen, om getuigenis te geven van wat men geloofde en om de heilige leer uit de Schriften samen te vatten: een stok om te slaan en een lied om te zingen en een staf om te gaan.

Als nu, bij het belijden van het Apostolicum in de kerkdiensten van de gemeente wordt gezegd, zoals gebruikelijk, 'we belijden met de kerk van alle tijden en alle plaatsen', dan is duidelijk, dat dit zó letterlijk alleen van het Apostolicum geldt, omdat dit korte belijdende geschrift het oudste is en overal over de wereld is verspreid. Maar verder geldt dat zo letterlijk niet van alle andere belijdenissen. Het protestantisme van gereformeerde signatuur heeft de Augsburgsè confessie niet als belijdenis en de Westminster confessie (1646), de meest verbreide gereformeerde confessie, die in dit boek overigens niet wordt genoemd, behoort weer in de Angelsaksische wereld thuis. Belijdenissen hebben vaak een heel concrete achtergrond in een concrete situatie in een bepaalde tijd. Men denke aan de Heidelbergse Catechismus, waarin roomse en doperse dwalingen worden afgewezen. Dat betekent dat belijdenissen elkaar nooit helemaal dekken. In het ene belijdende geschrift krijgt het ene leerstuk meer aandacht, in een andere belijdenis weer een ander leerstuk. Dat betekent dat als we spreken over het belijden 'in gemeenschap met de kerk van alle tijden en alle plaatsen' we onze eigen belijdenis niet verabsoluteren maar beseffen, dat er ook andere belijdenissen zijn in de kerk van Christus. Zo was Calvijn bereid de in 1540 verschenen Variata van de Augsburgsè Confessie, die in 1530 ontstaan was, te ondertekenen. Hier was sprake van recht zicht op het woord 'gemeenschap', gemeenschap met de kerk van alle plaatsen. Dit woord vinden we in Handelingen 2, waar van de apostelen gezegd wordt dat ze volhardden in de leer der apostelen, de gemeenschap en in de breking des broods en de gebeden. Dit woord is in zijn diepe betekenis helaas gedevalueerd door de kerkelijke praxis. De formulering in onze kerkorde, dat we als kerk belijden - 'in gemeenschap met de belijdenis der vaderen', functioneert immers zodanig dat ontrouw aan de belijdenis ongestraft kan blijven, dat overeenstemming met de belijdenis naar achter wordt gedrongen.

Me dunkt dat Groen van Prinsterer het omgaan met de (eigen) belijdenis juist heeft verwoord toen hij sprak van 'onbekrompen en ondubbelzinnig'. In het onbekrompene wordt afgegrensd naar confessionalisme, naar belijdeniskramp, zodat er geen oog is voor het goede in andere belijdenissen. Onze belijdenis is de Schrift niet. Wel hangt ze aan de Schrift, verwijst ze naar de Schrift en spreekt ze op een bepaalde wijze over de Schrift en het Schriftgezag. Maar 'ondubbelzinnig' betekent intussen, dat de belijdenis wel ons kerkelijk accoord van belijden is. In het belijden van de kerk, de eeuwen door, mogen we ook leiding van de Heilige Geest weten, zodat we wél moeten weten wat we doen als we de belijdenissen tijdgebonden verklaren in die zin, zoals helaas maar al te vaak geschiedt, dat ze hun functie hebben gehad in de tijd waarin ze ontstonden, maar dan ook hebben gehad. Zoals ik het dezer dagen las in een artikel: 'Belijdenisgeschriften zijn geen eeuwige waarheden die men woordelijk moet blijven nazeggen om voor een orthodox gelovige door te gaan'. 'Wij belijden niet in letterlijke overeenstemming met de vaderen maar, zoals de kerkorde dat verwoordt: in gemeenschap met de vaderen.'

De belijdenissen geen eeuwige waarheden? Dat zal waar zijn. Slechts het Woord is eeuwig. Maar de waarheden uit het eeuwige Woord in de belijdenissen geformuleerd kunnen niet straffeloos terzijde worden gelegd. We zijn vandaag niet voor het eerst kerk. We belijden met de kerk der eeuwen, die onder de verlichting van de Heilige Geest tot belijdend spreken en getuigen is gekomen. Zulk accoord van belijden geldt niet voor een bepaalde tijd maar geldt ook voor later tijden. Ons orthodox zijn hangt er méér aan dan genoemd artikel waar wil hebben.

Boven groepsdenken uit

Dr. Tukker spreekt, naar aanleiding van de door hem samengebrachte belijdenissen intussen over 'de eenheid van de gemeente van Jezus Christus, die door de Geest in de volle waarheid geleid wordt'. In het aanvaarden van de belijdenissen komen we boven kerkisme en groepsdenken uit. Geen kerk of groep heeft in onze helaas zo hopeloos verdeelde kerkelijke situatie de belijdenis(geschriften) voor zichzélf. Soms zijn bepaalde interpretaties van de belijdenis of bepaalde geïsoleerd gehanteerde stukken van de belijdenis een eigen leven gaan leiden in bepaalde kerken en kringen. We zullen ons dan ook af moeten vragen of de breedte en de diepte van de hele belijdenis wel geheel tot z'n recht komt. En we zullen tegelijk moeten beseffen dat het belijden, zoals dat in de belijdenissen is vertolkt, ook bij anderen bewaard is.

Oecumenisch

De Apostolische Geloofsbelijdenis, de Belijdenis van Nicea en de Belijdenis van Athanasius worden ook wel de drie 'oecumenische symbolen' genoemd. En in artikel IX van de

Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt gezegd dat wij 'gaarne aannemen de drie geloofssommen, namelijk der apostelen, van Nicea en van Athanasius'. Daarmee toont onze Nederlandse Geloofs Belijdenis aan zélf ook oecumenisch te zijn in de rechte zin van het woord. Het belijden van de kerk van eerder tijden wordt overgenomen en ingebed in deze belijdenis, die veel later ontstond tegen de achtergrond van wat ons in de Reformatie, vanuit de herontdekking van het Woord, was geschonken.

Met de Nederlandse Geloofs Belijdenis oefenen we ook gemeenschap met de vroeg christelijke kerk. Deze belijdenis vandaag mee te belijden is dan ook waarachtige oecumene. Oecumene namelijk, die niet blijft steken in oeverloze compromissen en vage overeenstemmingen, maar die het belijdend spreken van de kerk van alle tijden en van alle plaatsen in zich opneemt. Daarom kan een gereformeerd christen alleen maar recht in de oecumene staan als hij de belijdenis van de kerk der Reformatie meebrengt, onbekrompen en ondubbelzinnig. In de oorspronkelijke oecumenische symbolen mag de eenheid der kerk nog centraal staan terwijl in de belijdenissen van de Reformatie de deformatie en het uiteenvallen van de kerk door klinkt, maar zowel het appèl op eenheid als de waarschuwing voor concrete dwalingen kunnen we niet missen. Zo zijn de belijdenissen bepaald niet tijdgebonden. Ze zijn een appèl voor alle kerken, een noodzakelijk accoord van de belijden voor alle kerken, die in de reformatorische traditie willen staan. We stijgen er mee uit boven provinciaal denken, boven groepsdenken en boven kerkistisch denken. We weten ons te behoren tot de kerk van alle tijden, tot de kerk der eeuwen.

Maar de belijdenis bewaart ook voor oecumenisch libertinisme. De leer is er ook nog. De heilige leer!

Naar aanleiding van dr. CA. Tukker: 'Zoals de ouden zongen...'. Uitgave de Groot, Goudriaan, 61 pag., ƒ 9, 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Met de kerk van alle tijden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's