De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Prediking van de verzoening en de verstaanbaarheid

Veel vragen rondom de leer der kerk cirkelen vandaag om de problematiek van de verstaanbaarheid. Hoe komen de woorden over en hoe landen ze in het denk-en leefklimaat van de mens van nu. Vragen waarvan niemand zich kan afmaken. Terecht wordt er in de bezinning op de prediking in deze tijd aandacht geschonken aan dit communicatie-aspect. Mij trof een artikel van prof. dr. M. H. Bolkestein in Woord en Dienst van 16 april waarin hij sprekende over het effect van de preek, aandrong op communicatief denken, helderheid in woordkeus, rekening houden met de vermoeidheidsfactor, zorg voor een goed begin, contact met de gemeenteleden. Belangrijke zaken voor een zo verantwoord mogelijke preek. Ook Bolkestein weet dat de Geest moet spreken, maar hij schrijft terecht dat onze zorg voor het werkstuk 'preek' niet uitsluit. Dat is de ene kant die we in de gaten hebben te houden. Nu de andere kant. Als we de verzoening als hart van de prediking zien, moeten we dan niet zeggen dat in allerlei moderne theologische concepten de inhoud aangepast dreigt te worden aan het eigentijdse denken uit zorg om die verstaanbaarheid? Op dit gevaar wijst. prof dr. J. V. Genderen in De Wekker van 22 april:

'De leer van de kerk zal verstaanbaar moeten zijn voor mensen van vandaag. Dat is een steeds wederkerend argument van hen die het pleit voeren voor een alternatieve verzoeningsleer.

Hebben zij gelijk? Het is niet te ontkennen, dat er iets in de opvattingen van Wiersinga en anderen is dat mensen van deze tijd aanspreekt. Misschien is dat ook een verklaring voor het élan waarmee ze voorgedragen worden.

De verzoening wordt tegenover de vervreemding van God en van elkaar gesteld. Dat wordt dan praktisch uitgewerkt: het gaat om nieuwe verhoudingen in het huwelijk, in de relatie tot delinquenten, in de relaties van volken en rassen. Maar het gevaar is groot, dat het zwaartepunt verlegd wordt van de verzoening met God naar de verzoening met mensen en dat tekort gedaan wordt aan het werk dat Christus als de Middelaar tussen God en mensen voor ons volbracht heeft. De verzoening met God moet het eerste blijven, omdat het beslissend is, of wij in de rechte verhouding tot God staan. Het maakt een heel verschil, of in de verzoening door Christus een middel wordt gezien om menselijke relaties te herstellen, of dat het nieuwe leven en de nieuwe onderlinge verhoudingen de vrucht van de verzoening met God zijn. De hoogleraar Smits, de man die het waagde uit te spreken dat hij wenste te staan voor de gevolgen van zijn daden en dat het ziin eer te na was dat iemand voor zijn schuld zou boeten, vond dat de prediking van het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus voor de moderne mens onverstaanbaar en onaanvaardbaar was. De taal die de kerk in haar belijdenis spreekt, is inderdaad voor velen een moeilijke en vreemde taal geworden. Als er dan nog een caricatuur van de leer van de verzoening wordt gemaakt, wordt het er niet beter op. Laten we het daarom duidelijk zeggen. Wij stellen ons werkelijk niet voor, dat God door het offer van Christus tot andere gedachten moest worden gebracht en dat Christus Hem eerst bewegen moest om zondaren genadig te zijn. Er kunnen wel eens uitspraken in die geest gedaan zijn, maar de kerk is daar niet verantwoordelijk voor. De grondtoon van de verzoeningsleer is: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. God bewijst Zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is (Joh. 3 : 16; Rom. 5 : 7). (...)

Het is geen wonder, dat er in de kerken een grote verontrusting ontstaat, als het evangelie van de verzoening tegengesproken wordt. Dat gebeurt in allerlei exegetische en dogmatische beschouwingen, die overigens lang niet altijd zo nieuw zijn als ze schijnen. Het mag ons niet ontgaan, dat de leer van de verzoening samenhangt met alle andere leerstukken. Dr. E. Flesseman-van Leer heeft daar terecht op gewezen in haar bijdrage in ''Waarvoor stierf Jezus?" Het betreft de verhouding tussen God en mens de leer van rechtvaardiging en heiliging. Het werkt door in de leer van de sacramenten en de leer van de laatste dingen. Uitgaande van kruis en opstanding van Christus komt men met de gehele geloofsleer en met het geloof in al zijn facetten in aanraking.

Bij Wiersinga is er een direct verband tussen zijn opvatting van de verzoening en zijn ideeën over de zonde. Bij hem en bij anderen is er ook een relatie tussen hun leer van de verzoening en hun visie op de mens en op zijn heil. Als de zonde alleen maar als vervreemding wordt beschouwd, wordt ook anders gedacht over de verzoening met God en de vergeving van zonden dan wanneer de zonde allereerst als schuld tegenover God wordt gezien.

Als wij van onszelf uit zouden kunnen aangeven, wat de inhoud van het heil voor ons zou zijn, zou er ruimte zijn voor zoveel menselijke meningen, dat het einde ervan weg is. Dat is een van de oorzaken van de verwarring die er in de hedendaagse theologie heerst.

Maar nu God bepaalt en aan de orde stelt, waar het op aankomt, hebben wij ons daardoor te laten leiden. (...)

Wij mogen het moderne levensgevoel in geen geval tot norm en criterium van de bijbelse boodschap maken. Dan zou alles er anders gaan uitzien. "Wij allen, mensen uit onze kerken en uit heel de oecumene, kunnen de werkelijkheid van de plaatsvervanging niet missen in leven en sterven. Deze werkelijkheid behoort tot het hart van het Evangelie in alle eeuwen" (Herderlijk schrijven van de synode van de Gereformeerde Kerken, 1976).

Wij zijn in de kerk misschien zo vertrouwd geraakt met het evangelie van de verzoening met God door het offer van Christus, dat wij ons er niet meer elke dag over verwonderen, dat het werkelijkheid is. Het zou kunnen zijn, dat de tegenspraak die zich laat horen, ten gevolge heeft, dat wij opnieuw en met des te meer aandacht gaan luisteren naar de bijbelse boodschap. Het kruis van Christus blijft een mysterie, maar door het geloof verstaan wij wat God ermee bedoeld heeft.'

Wij zullen beide polen in het oog hebben te vatten. Afwijzing van moderne theologoumena die het hart van de Schrift aantasten zal alleen dan effectief zijn als we ons inspannen om zo getrouw mogelijk de boodschap over te brengen aan de mens van nu. De zorg voor het rechte belijden ontslaat ons niet van de zorg voor het slaan van de brug van het vreemde Woord naar de werkelijkheid van heden.

***

Leven in eeuwigheidsperspectief

Onlangs had kerkelijke bladen kritiek geoefend op een rouwadvertentie van een bij het verkeer omgekomen nog jonge predikant, waarin zijn gemeente geschreven had: 'Wij zijn zeer verdrietig en opstandig om zijn heegaan'. De kritiek van Smelik bleef niet onweersproken. In Trouw nam dr. O. Jager de opstellers van de advertentie in bescherming door te spreken van een bevrijdende doorbreking van traditionele advertenties.

Het kan wellicht bij deze of gene bevreemding wekken dat zoiets persoonlijks als een rouwadvertentie ook al in de theologische discussie komt. We dienen goed te onderscheiden. Piëteitsoverwegingen zullen ons kunnen hel­pen zorgvuldig te zijn in onze woorden. Geen van beide discussiepartners heeft de bedoeling gehad gevoelens van liefde, aanhankelijkheid en piëteit die uit advertenties kunnen spreken te kritiseren. Maar er is ook nog een ander aspect. In rouwadvertenties - en het geldt ook grafschriften - treden mensen in de publiciteit. Ook hier sta je voor de vraag: Hoe komt het over wat je zegt en hoe voorkom je dat goede bedoelingen misverstaan worden. Bovendien verraden advertenties en grafschriften soms een hele lading theologie die al of niet uitgesproken aanwezig is. En zeker als in dergelijke advertenties de Heilige Naam genoemd wordt of de Schrift wordt geciteerd kunnen we niet zorgvuldig genoeg te werk gaan.

In de onderhavige kwestie speelt op de achtergrond mee de vraag naar de voorzienigheid, de visie op dood en eeuwigheid. Jager steekt zijn ongenoegen om een goedkope berusting en een heidens aandoend fatalisme niet onder stoelen of banken. En de geschiedenis kan ons leren dat dit fatalisme vaak verborgen of verhuld aanwezig is geweest en nog wel is. Daartegenover neemt hij de 'gelovige' opstandigheid in bescherming. Is dat terecht? Het is drs. H. de Jong die in Opbouw het contra Jager opneemt voor Smelik, en daarmee ook diens kritiek op de moderne theologie over de dood deelt. De Jong meent dat er bij Smelik van lijdzaamheid tegenover de dood geen sprake is.

'Niet de dood immers zien we naar ogen, maar Hem die wij kennen als de Heer over dood en leven. Het is van Hem uit dat wij dit aardse leven weten te waarderen én te relativeren, zoals we óók van Hem uit de dood als vijand én als overwonnen vijand zien. Leven of dood, geen van beide immers "kan ons scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus onze Heer''.

In deze zin is ook het door dr. Jager misprijzend aangehaalde woord van Michelangelo te verstaan: "Wanneer het leven ons behaagt, dan mag ook de dood ons niet mishagen, daar deze uit de hand van dezelfde Meester komt". Wat is er verkeerd aan deze zin? Spreekt hier levenshaat uit? Integendeel, de brave man heeft het over behagen hebben in het leven. Wat dan, drukt zich hier een ongezond doodsverlangen uit? Ook dat niet. Slechts wordt gewaarschuwd tegen een mishagen in de dood, en dat alleen om reden dat de dood, hoezeer we daar ook tegenop kunnen zien, een instrument blijft in het heilshandelen van God. Waarom moet er eigenlijk tegen zo een oer-christelijke zin storm gelopen worden? Onze christelijke vrijheid tegenover het sterven is daarmee toch precies onder woorden gebracht? Het hart van het evangelie klopt er toch in? Zoals in het woord van de Catechismus, dat onze dood een doorgang tot het eeuwige leven is. Of is dat ook al verkeerde berusting? Ook ik weet dat er situaties zijn waarin ons de woorden van zulke zinnen als zware stenen op de maag liggen. Niettemin vormen ze de enige troost tegenover de dood. En in het verdriet bidden wij de enige Trooster om ons bij deze enige troost te brengen, want uit onszelf lopen we er niet op toe. Over deze afstand tussen onszelf en de bijbelse troost gesproken, wil ik ook iets zeggen over bijbelteksten die mensen op rouwkaarten schrijven en waarover zij soms heel wat te horen krijgen uit hun omgeving. Laat ik een voorbeeld geven. Een familie doet in grote droefheid mededeling van het overlijden van een geliefde en laat op de circulaire drukken: 'De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!" (Job 1 : 21). "Wat gemakkelijk gezegd!" mompelt tante bij het openen van de envelop. ' 'Geen plaats voor rouw-verwerking!", konstateert de bestudeerde neef in de stad. Bevreemding en zelfs boosheid alom. Maar zou men niet eens willen overwegen dat zo'n tekst op de kaart niet de funktie heeft van een uitspraak, maar van een toespraak? Dus niet: zover zijn we al, maar: daar willen we komen. Bijbelcitaten liggen voor een christen immers in de sfeer van het Woord en niet in die van het antwoord. Het is Heilige Schrift, geen belijdenis. De geloofsexpressies van de heiligen daarin zijn persoonlijk-bovenpersoonlijk en normatief. Zij zijn taal van de Heilige Geest en pas door zijn werking ook aangeleerde en overgenomen taal van ons. Maar aangezien de moderne theologie van de bijbel een menselijk geloofsgetuigenis maakt, moeten zulke bijbelteksten op rouwbrieven wel misverstaan worden. Men hoort ze als uitspraken, die dan inderdaad gezwollen kunnen klinken. Ik denk dat we daar rekening mee moeten houden. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door van een psalm als de 62-ste niet alleen vers 2 maar ook vers 6 aan te halen: "Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God", en: "Waarlijk, mijn ziel, keer u stil tot God!". De eerste keer doet de psalmist een uitspraak, de tweede maal houdt hij tot zichzelf een toespraak. En de toespraak laat zien in welke zin de uitspraak verstaan moet worden. In beide plaatst de psalmist zich namelijk buiten zichzelf - in God. Door een dergelijke dubbele Schriftaanhaling zou ook de schijn van het robot-achtige in onze leedverwerking vermeden kunnen worden. Het is maar een voorbeeld; de bedoeling is duidelijk'.

De Jong brengt vervolgens ook de belijdenis van de voorzienigheid Gods ter sprake. Hij wil niet blind zijn voor 's mensen verantwoordelijkheid en zijn handelen, maar tegelijk ruimte laten voor de belijdenis van de hand van God. Zijn bezwaar is dat de moderne theologie het geloof versmalt tot een binnenwerelds gebeuren waarin voor de dimensie van het eeuwig leven na dit leven weinig ruimte meer is.

'Het wordt mij steeds duidelijker dat het christelijk geloof in Nederland en Europa - nee, niet weg is maar wel meer en meer zijn bijbels karakter begint te verliezen. Het wordt een geloof in die God die voor dit leven en deze wereld kiest. Zoals dr. D. Sölle het geformuleerd heeft: "Ich glaube an die Zukunft dieser Welt Gottes" - "Ik geloof in de toekomst van deze wereld Gods". Dit geloofs-artikel komt bij haar in de plaats van wat de kerk altijd met de woorden van Nicea beleden heeft: 'Ik geloof het leven der toekomende eeuw''. Dit leven, deze wereld, - voor de belangen daarvan pleit de moderne theologie hartstochtelijk, naarmate men ziet dat het er mis mee gaat. Zou het helpen? Ik vrees dat men het tegenovergestelde bereikt van wat men bedoelt, vanwege de zenuwachtigheid en de paniek die men ermee zaait. "Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden", zegt Jezus (Matth. 16 : 25). Wij passen dit woord van Hem meestal op de enkele mens toe, en dat is ook niet onterecht natuurlijk, maar het geldt ook van een cultuur. Als dit leven en deze wereld het enige is dat we hebben, dan komt er op ons omgaan ermee een ondragelijke spanning te staan. Dan moet alles wat er in zit er ook uit komen. Dan kunnen we over geen enkel verdriet en geen enkele tegenslag echt getroost worden, want van elk verlies geldt dan: voor eeuwig verloren. Juist voor ons die door de bijbel de smaak der eeuwigheid te pakken hebben, is de verkorting van het perspektief die door de moderne theologie wordt aangebracht, rampzalig. Dat merken we nu nog niet meteen, omdat de oude bijbelse leer van het eeuwige leven en de toekomende eeuw nog nawerkt. Maar wanneer deze eenmaal morsdood gezwegen zal zijn, zullen we de ogen opslaan in de pijn van het gemis. Met andere woorden: de moderne theologie teert en parasiteert op het oude geloof dat ze bestrijdt. Zonder dat zou ze zelfs geen schijn van evangelie bij zich hebben. Maar het verraderlijke is dat haar échec pas duidelijk blijken zal als de generatie die de belijdenis der eeuwen nog gekend heeft is weggestorven.

Maar moeten we dit tijdelijke leven dan maar verwaarlozen ten behoeve van de eeuwigheid? Hardnekkig misverstand! Mij valt op dat in de tijden dat de gedachte van het eeuwige leven sterker was dan nu, het aardse leven daar een ongezocht voordeel van ondervond. Neem bijvoorbeeld de eeuwen waarin de grote kathedralen werden gebouwd. Wat hebben deze monumenten een gewicht van eeuwigheid, terwijl toch voor degenen die ze bouwden het leven sterk in het teken van de voorlopigheid stond! Is dat niet eigenaardig? En daartegenover: wat dragen onze bouwsels dan het merk der kortstondigheid, terwijl nu alle kaarten op leven en overleven worden gezet! Zou zich hierin niet een geheime wetmatigheid kunnen openbaren? Deze: wie het aardse leven op de voorgrond stelt, verliest niet alleen de eeuwigheid maar ook de tijd. Maar wie daarentegen mikt op het leven der toekomende eeuw, krijgt als "bijprodukt" het hier en nu in de schoot geworpen. Niet steeds als tijd van vrede en welvaart, maar wel als tijd van "de moeite waard''. Zoek eerst het eeuwige leven en het aardse leven zal u bovendien geschonken worden'.

Naar mijn meing worden hier belangrijke zaken aan de orde gesteld. Achter instemming met of kritiek op een bepaalde zin uit een advertentie liggen werelden van theologisch denken. Niemand zal zeggen dat de vragen rondom lijden, sterven en Gods voorzienigheid gemakkelijk zijn. Integendeel! En de vraag kan gesteld worden of zondag 10 niet vaak uitgelegd is op een wijze die misverstanden en kritiek moet oproepen. Maar tegelijk zien we hoe de moderne visie op leven en dood, tijd en eeuwigheid gedragen wordt door een Godsleer die zijn bijbels karakter verloren heeft en meer geënt is op eigentijds denken dan op Schriftuurlijk getuigenis. Ook hier zal de verstaanbaarheid en de Schriftgetrouwheid niet met elkaar mogen concurreren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's