Rondom de begrafenis (6)
In een wereld, waarin je er naar kunt snakken om mensen te ontmoeten, die 'in Christus leven' steekt het om wél vaak te lezen over mensen die 'in Christus zijn gestorven'.
Begraven vanuit de flat
Onlangs had ik een begrafenis vanuit een flat. Dat komt niet veel voor. Meestal wordt er begraven vanuit een rouwcentrum, een ruimte, die er helemaal voor gebouwd is en die ook weleens erg onpersoonlijk aandoet. Zo vaak hoor je zeggen: de tegenwoordige huizen zijn er niet meer op gebouwd om vanuit de eigen woning te worden begraven. Dat zal zeker wel voor een aantal gelden. Maar ik denk toch, dat er andere argumenten achter zitten. Als uit een woning of flat óók zieken per brancard kunnen worden vervoerd, dan moet het toch ook mogelijk zijn, om van daaruit te begraven?
Dat alles realiseerde ik me, toen we met het kleine kistje (want het betrof een kind) over de galerij gingen en op de lift stonden te wachten. Juist stond de SRV-wagen bij de flat, dus het was druk.
Er waren mensen, die met hun flessenrekje in de hand geen raad wisten met deze situatie en zomaar 'verdwenen'. Anderen gingen bescheiden aan de kant en gaven de rouwstoet bij de lift voorrang.
Ik voelde de botsing tussen het geloof én het verdriet van de ouders en de familie aan de ene kant, én de onzekerheid, verlegenheid en schrik bij de medeflatbewoners.
Het was niet een ontmoeting zoals in de stadspoort van Nain, toen de Levensvorst de stad inging juist op het moment dat de 'jongeling' werd uitgedragen. Maar de Levensvorst was al eerder in deze familiekring binnengekomen. Toen ze hun stervende (klein)kind mochten leggen in de handen van de Hemelse Vader.
Daarom leek het mij ook, dat de medeflatbewoners méér moeite met deze vreemde ontmoeting hadden dan de familie zelf. Wie door het geloof mag weten, dat de dood is overwonnen, die behoeft toch eigenlijk ook niet de dood weg te moffelen in opbaarcentra of in aula's van bejaardencentra, die bouwtechnisch vaak knap 'uit de route' zijn gesitueerd. Een cultuur, die zoveel mogelijk probeert om de sporen van de dood weg te wissen, kon weleens al eerder de voetsporen van de Levensvorst hebben weggewist. In de catacomben in Rome kwamen familieleden nog jaren later bij het graf van een geliefde bijeen niet op de geboortedag, maar heel bewust op de sterfdag, want dat was dé geboortedag.
Rouwkaart en advertentie
Een taak waar je vaak onverwacht voor komt te staan is het opstellen van een rouwkaart of advertentie. Hoewel begrafenisdienaars daar altijd behulpzaam bij zullen zijn, zijn zij toch vaak te weinig van de persoonlijke omstandigheden op de hoogte, waardoor de tekst van zo'n rouwbericht snel cliché-matig en onpersoonlijk wordt. Teksten als 'de Heere, Die geen rekenschap geeft van Zijn daden' (is dat niet in strijd met 'dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet' uit Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus? ), of 'het behaagde de Heere uit ons midden weg te nemen', of 'door een droevig ongeval is uit ons midden weggenomen... heilige de Heere deze roepstem aan ons allen', belijden wel de naam van God, maar het is vaak zo afstandelijk en zo koud.
Nu hoeft het óók weer niet zó, zoals ik onlangs las:
'Lieve pap, wij moesten scheiden
maar ons leven gaat toch door.
Wilt u ons een plaats bereiden.
U ging in 't goede voor.
Neem ons allen bij uw hand
en breng ons naar het beloofde land'.
Neen, zó niet. Oók niet zoals er boven het rouwbericht van een meisje stond:
'Slaap nu maar rustig
niemand zal je meer storen'.
(De crematie heeft in stilte plaatsgevonden.)
Als je zoiets leest in één en dezelfde rouwadvertentie, dan denk ik aan wat we lezen in Daniël 12 : 2. 'En velen van hen, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwige leven en genen tot versmaadheden en tot eeuwig afgrijzen.'
Steeds meer valt uit rouwberichten af te lezen dat er bij velen geen besef meer van is, dat het de mens gezet is om te sterven 'en daarna het oordeel'. Die luchtige toon is ook te vinden in het vers, dat óók nogal eens in een advertentie wordt vermeld:
'Een beetje sterven doe je niet ineens maar af en toe een beetje.
En alle beetjes die je stierf ' t is vreemd, maar die vergeet je
het is je dikwijls zelf ontgaan je zegt, ik ben wat moe
maar op een keer dan ben je aan je laatste beetje toe.'
U zult zeggen: ja maar, dat vindt je toch ook in het doopformulier terug, dat 'ons leven niet anders is dan een gestadige dood'. Maar wie het prachtige doopgebed, waarin deze regels staan eens rustig doorleest zal ontdekken, dat het dan over een ander leven gaat, dan alleen maar het puur lichamelijke waarover het boven aangehaalde vers spreekt.
Papier is geduldig
'Er worden in de krant meer mensen behouden dan in werkelijkheid', zei mij onlangs een welmenende ouderling. 'Maar papier is geduldig' , zo voegde hij er aan toe. Hij bedoelde er mee te zeggen: mensen worden tegenwoordig zo gemakkelijk de hemel in geschreven of gesproken. Soms heb ik daar óók weleens zo mijn vragen over. In een wereld, waarin je er naar kunt snakken om mensen te ontmoeten, die 'in Christus leven' steekt het om wél vaak te lezen over mensen die 'in Christus zijn gestorven'.
In het weekblad 'De Reformatie' van 9 april 11, treedt ds. C. J. Smelik in gesprek met ds. J. H. Velema over het verschil in rouwadvertenties tussen het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad. Ds. Smelik constateert mét ds. Velema een duidelijk verschil in geestelijk klimaat tussen het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad. En hij geeft toe, dat dat óók af te lezen is aan de geboorte-en rouwberichten in deze beide bladen. Toch verdedigt hij zich tegen het 'bakerpraatje' dat zo gauw een 'grafdelverspraatje' wordt dat vrijgemaakten leren, dat ieder zal zalig worden die vrijgemaakt is geweest. Zulke praatjes verwerpt hij.
Ook al noemt hij dan geen bewijzen daarvan 'het is al een smartelijke zaak genoeg, voor familieleden en gemeenteleden, wanneer een mens door God bij Zijn Naam geroepen en in Zijn Naam gedoopt, niet het antwoord van het geloof heeft willen geven. Dat zijn de smarten van de Géést. En die smarten zijn niet alle in advertenties geregistreerd. Maar ze zijn er.'
Het is denk ik goed hier nota van te nemen. Ook al zijn er opmerkelijke verschillen in het geestelijke klimaat tussen het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad en zijn - die verschillen op de tweede en laatste pagina vergelijkenderwijs het duidelijkst te signaleren.
Een leesbare brief
Het opstellen van een rouwbericht brengt in een familie soms heel wat tongen in beweging vooral achteraf. Kón het eigenlijk wel zo? Hebben we niet tevéél gezegd? Hadden we niet beter kunnen schrijven 'nam de Heere van ons' in plaats van 'nam de Heere tot Zich?' Kon het er eigenlijk wel staan 'in de hope des eeuwige levens?' Heeft zij dan zó duidelijk getuigd, waar de reis heen was? Was het wel op goede gronden? Is het niet beter om een zo neutraal mogelijke tekst op te stellen?
Gesprekken, die vaak pijnlijk zijn en ook heilloos. Wij moeten niet als mensen op de Rechterstoel van God plaatsnemen, als iemand heenging 'in het donker-, met de nachtschuit'.
Bovendien, zouden we uit een rouwbericht niet vooral moeten lezen: waar zoekt de achterblijvende familie haar troost en kracht? En zouden we dat ook niet veel openlijker moeten uitspreken? Dié belijdenis is toch van veel groter belang dan ónze gedachte over 'de eeuwige staat' van de overledene?
Terugvallen op het Woord van God is altijd beter dan onze toevlucht te nemen tot menselijke overwegingen. Maar we mogen natuurlijk óók niet verzwijgen, als over een sterven de Morgenglans der eeuwigheid lag, en als een sterfbed een preekstoel werd van Gods genade.
Indrukwekkend vind ik de rouwadvertentie, die ds. en mevr. H. de Cock (rond 1840) lieten verschijnen naar aanleiding van het overlijden van hun ruim drie jaar oude dochtertje:
'Berustende in en vertrouwende op de verbondsbeloften (Gen. 17 : 7, Hand. 2 : 39) en op Gods Woord (Marc. 10 : 14 en 1 Cor. 7 : 14) hopen wij haar daar weer te vinden, waar geen rouw of verdriet meer zal zijn'.
Er kan van een rouwbrief een getuigenis uitgaan. Maar de ouderling heeft wel gelijk, als hij zegt 'papier is geduldig'. Trouwens, Paulus roept ons op, dat niet alleen ons sterven, maar óók ons leven een leesbare brief moet zijn.
Zou daarover veel gesproken worden?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's