De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Twijfel normaal of abnormaal?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Twijfel normaal of abnormaal?

13 minuten leestijd

Een mens mag nóg zo aan zichzelf twijfelen maar ten aanzien van de genade Gods is geen twijfel mogelijk.

In het dagelijks spraakgebruik geldt de uitdrukking 'het voordeel van de twijfel geven'. In twijfelachtige zaken moet de beslissing in het voordeel van de betrokkene uitvallen. In twijfelachtige gevallen gaat een of ander menselijk recht gelden. Mensen kunnen zich tenslotte ook nog een keer vergissen. De vraag is of men deze uitdrukking in het geloofsleven ook mag hanteren. Helemaal zeker is een mens niet, er is meer twijfel dan zekerheid, zo heet het dan. Geldt dan het voordeel van de twijfel? Anders gezegd, is twijfel normaal of abnormaal?

Andere normen

In het Koninkrijk Gods gelden andere normen dan in de wereld. In het geloofsleven is niet de norm van mensen bepalend maar is bepalend wat de Heere vraagt en toezegt. Hoe zit het dan met de twijfel? Die twijfel mag menselijknormaal zijn maar vanuit Gods toezeggingen gezien niet. In het pas verschenen boek van ds. C. G. Vreugdenhil, die in dienst van de zending is voor de Gereformeerde Gemeenten op Iria Jaya, een boek getiteld 'Medeburgers der heiligen' wordt verteld van een gesprek, dat visitatoren uit Nederland hadden met een zekere Thomas Wandik, een man die enkele jaren geleden tot bekering kwam en nu in opleiding is voor predikant. Op een vraag van de visitatoren of hij wedergeboren is antwoordt hij volmondig met 'ja'. Op de vraag of hij dan nooit eens twijfelt antwoordt hij dat de commissie van onderzoek toch niet graag zou willen dat hij twijfelt aan Gods genade? Hij zegt: 'ieder mens heeft een strijd op aarde en de duivel gaat rond als een briesende leeuw. Alleen in de kracht van God kunnen we zijn aanvallen doorstaan'.

Klare taal! Een mens mag nóg zo aan zichzelf twijfelen maar ten aanzien van de genade Gods is geen twijfel mogelijk. Zoals het Doopformulier het onomwonden zegt: 'als wij soms uit zwakhied in zonde vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet twijfelen, noch in de zonde blijven liggen, aangezien de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is dat wij een eeuwig Verbond der genade met God hebben'.

Er zal wel geen mens zijn, ook al is hij door de Geest aangeraakt, die nooit eens twijfelt, al is het een riskante uitdrukking om te zeggen: nooit getwijfeld dan ook nooit geloofd. Men mag twijfelen aan zich zelf maar niet aan de genade Gods, zoals die verzegeld wordt in de vaste tekenen van Gods verbond. Zijn toezeggingen zijn vast en zeker.

Schepselmatig

Mensen zijn schepselen. Het belijden van ons schepsel-zijn mag een zekere bestaansbewustheid geven. We zijn er niet voor niets. Ons leven heeft zin. God heeft ons leven hier en nu gewild. Hij heeft bovendien ons leven zó geleid, dat we in de lichtkring van het Woord binnen de kaders van het verbond opgroeien mogen. Maar we zijn intussen wel gevallen schepselen. Daar zit het probleem. Want vanwege de gebrokenheid van het bestaan, vanwege het voortdurende menselijke falen en het gevoel van 'we halen het niet', zeker ook vanwege de ontwikkelingen in de wereldgeschiedenis kan - zo blijkt telkens weer in onze tijd - de twijfel rijzen aan de zin van het bestaan, de zin van de arbeid van elke dag, van de activiteiten die men ontplooit, vooral ook van het lijden dat men lijdt in verliezen van anderen en van zichzelf. En dan de twijfelachtige vraag: waar is God in dit leven, in dit lijden? Is deze vraag niet een puur-menselijke? Is zo bezien twijfel inderdaad niet menselijk-normaal? We mogen God toch vragen wat hij met ons mens-zijn, in de hoogten en in de diepten, vóór heeft? Ook de twijfelachtige vragen mogen op God gericht zijn: als ze ook maar op God gericht zijn. Anders hebben de vragen geen goed adres. Anders wordt twijfel zèlfvertwijfeling. Dan worden we verwezen naar ons zelf. Maar juist ons schepsel zijn, ons gevallen-schepsel-zijn, met alle vragen en noden die dat met zich meebrengt, richt ons op Hem, die de zin van ons leven in Zijn Raad heeft bepaald. Zo is geloof toch een zeker weten en een vast vertrouwen (H. C., zondag 7). Omdat het op God gericht mag zijn. Maar de gelovige mag dan ook met al Zijn twijfels bij God komen, zeker wetend dat Hij hoort, zeker wetend dat Hij er is.

Ik hoorde eens een hoogleraar in de theologie voor de radio zeggen, dat de profeten in het Oude Testament vaak hun vertwijfelde vragen en klachten hebben geuit voor Gods Aangezicht maar dat ze er nimmer aan twijfelden dat God er was en hoorde. De twijfel aan het Godsbestaan, kenmerkend voor het moderne levensbesef, kenden zij niet. Zo ook de Psalmisten niet. Zelfs in de meest duistere Psalm (psalm 88), waarin de psalmist klaagt dat hij vanaf zijn jeugd doodbrakende was, weet hij tot Wie hij spreekt: Heere, God van mijn heil! Een gelovige vindt in zichzelf de zekerheid niet en nooit. Daarom is triomfantelijkheid vreemd aan het leven des geloofs. Maar toch heeft het geloof de zekerheid aan zich. Omdat God er is, omdat God genadig is, omdat Zijn toezeggingen wis en zeker zijn. Een mens mag zich in zijn twijfels vast klampen aan God, hij mag hoop op God hebben, omdat God getrouw en waarachtig is, hoewel wij mensen leugenachtig zijn.

De Schrift spreekt ons nergens van mensen, die nooit eens twijfelen maar spreekt ons wel ook altijd over mensen, die met hun vertwijfelde vragen weten tot God te mogen gaan. We mógen Hem vragen, doorvragend tot op de diepte van onze existentie, naar de zin van ons bestaan, het waarom van ons falen en lijden, van onze onopgeloste vragen, van ons maar niet kunnen geloven ook.

De mens is schepselmatig maar gezien de zondeval ook twijfelmatig. Daarom komen we ook nooit boven geloof uit. In de zin van: ik gelóóf het wel? Nee, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp.

Ziekte van de twijfel

Toen in 1972 prof. dr. A. A. van Ruler aspecten in het geestelijk leven binnen de Gereformeerde Gezindte onder de loep nam in een artikel, getiteld 'Ultra-gereformeerd en vrijzinnig' kwam daar ook een passage in voor onder het hoofdje 'de ziekte van de twijfel als normaal'. Van Ruler zegt daarin terecht dat in de Reformatie de kwestie van de zekerheid van het geloof één van de hoofdpunten was in de strijd met Rome. Zowel Luther als Calvijn hebben met kracht geponeerd, dat de zekerheid des geloofs de normale stand van het geestelijke leven was. Toch zijn de Reformatoren ook telkens pastoraal ingegaan op de menselijke twijfels en de aanvechtingen van binnen en van buiten, die die twijfel voeden. Maar dan stelden ze er tegenover de zekerheid van de genade (buiten onszelf in Christus). Dan verwezen ze de mensen niet naar zichzelf en hun ervaring, maar richtten ze om zo te zeggen de slang op, die in de woestijn verhoogd was, opdat allen die daarop zagen genezen zouden van hun twijfel en ongeloof.

Me dunkt dat, als het gaat om het genezen van de twijfels de vraag is wat prioriteit krijgt: het Woord, dat instrument van de Heilige Geest is, óf het menselijke gevoel. Wanneer de mens zichzelf opsluit in zijn gevoelens of wanneer de prediking hem daar in opsluit dan kan de twijfel een ziekte worden. Wordt zó de twijfel gevoed dan wordt zij tenslotte als normaal ervaren, terwijl ze van God uit gezien en vanuit zijn genade abnormaal is, zeker niet bij het geloof behoort, al behoort ze wel bij de gelovige.

Ik zie dominees voor mij, die elke zondag de preekstoel op moeten. Mensen, mannetjes uit het stof verrezen. Ze moeten maar niet te parmantig doen, want ze sjouwen hun hele menselijke hebben en houden met zich mee de kansel op, met al hun zorgen ook, vertwijfelde vragen en onzekerheden. Ze, zijn echt niet anders dan de hoorders aan de voet van de kansel, hóé anders mensen hen soms ook willen hebben. En het komt alleen maar ontwapenend over als ze hun mens zijn niet achter hun ambtsgewaad verbergen. Ze mogen laten zien, dat ze de vragen van het leven kennen. Calvijn merkt ergens op dat het voor een ambtsdrager een voorrecht is om getrouwd te zijn en een gezin te hebben, zodat de mensen ervaren dat hij weet heeft van de vragen van het leven. Maar toch mogen ze tolk van God tot het volk zijn, ambtelijk. Ze mogen goddelijke zekerheden uitzeggen in menselijke onzekerheden. Ze mogen uitzeggen dat Gods zekerheden onwrikbaar zijn, vanwege het bloed des Kruises, het bloed der Verzoening, de verkiezing in Christus. Genade is souverein maar ook daarom vast. Daarom mogen dominees toch achter hun toga vandaan komen om dicht bij de mensen te komen in hun twijfels en benauwde vragen, in hun concrete zonden en hun existentiële vragen van hun van nature godeloze bestaan; maar om zó ook ambtelijk dichtbij hen te zijn met Gods beloften, die in Jezus Christus 'ja en amen' zijn. De prediking blijft dan niet steken in gevoel, omdat dan de twijfel wordt gevoed. Want als mensen dat normaal vinden hebben ze dunkt me van de genade nog nooit iets gevoeld. God rechtvaardigt goddelozen, geen vrome goddelozen, die hun gevoelens en ervarjngen koesteren, die hun twijfel als normaal beschouwen. God rechtvaardigt goddelozen, maar doet dit wis en zeker.

Modern levensgevoel

In genoemd artikel van prof. van Ruler zegt hij intussen ook dat twijfel en onzekerheid de kwaal van onze moderne westerse cultuur zijn geworden. Maar de moderne mens heeft dan ook de Openbaring uit het vizier verloren. En thans zien we gevoel en ervaring als nieuwe normen naar voren komen. Twijfel en onzekerheid worden gekoesterd, zijn normaal. En een nieuwe ervaringstheologie sluit er bij aan. Alles mag onzeker worden gesteld. De vraag naar God en naar de waarheid worden vanuit de menselijke ervaring beantwoord. En intussen komen de waarheden op z'n kop te staan en wordt God zelf tot een vraag. Wordt ook genade tot een vraag. Het zou niet best zijn als er raakvlakken zouden blijken te zijn met gereformeerde theologie of prediking, die óók zo in ervaringen blijft steken, dat de twijfel wordt gevoed en normaal wordt.

De gereformeerde theologie mag vanuit de Schrift beter weten en de prediking dus eveneens. Ik sluit af met wat ds. G. Boer daaromtrent heeft gezegd in het boekje ' op het Scherp van de snede'. Is twijfel normaal? Ds. Boer zegt:

'En toch valt niet te ontkennen, dat de stralende zekerheid van het geloof van de reformatoren helaas is ondermijnd. Dat kan verband houden met het niet opmerken van de teeltbodem van de vreze Gods in de opvoeding, de prediking en het volbrachte werk van Christus. Dat kan verband houden met het verschuiven van het onderwijs aangaande de verkiezing - zoals wij dit bij Calvijn vinden in zijn Institutie, boek III na de rechtvaardiging enz. - naar de hoofdplaats. Wie de prediking bagatelliseert als de levende stem van God komt op dool wegen. Wie de prediking verlaagt tot een beschrijving van het proces van wat inwendig doorleefd moeten worden, zonder op te komen uit de prediking van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, ondermijnt de zekerheid des geloofs.

Maar afgezien van al deze overwegingen en zelfs afgezien van de reformatie en de nadere reformatie, het is bijbels om zeker te zijn van je geloof. En dan niet alleen van de inhoud van het geloof maar ook van het geloof, waarmee je gelooft. Nooit zullen deze twee geheel samenvallen. Dat wil zeggen, dat voor de gelovige de inhoud van zijn geloof vaak veel zekerder is dan zijn eigen aandeel. Nooit zijn deze twee te scheiden, maar zij mogen wel onderscheiden worden. Met handhaving van deze onderscheiding blijkt in het leven van elke dag, dat er een nauwe samenhang is tussen het geloof naar zijn inhoud (God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest) en het geloof waarmee men gelooft. Wie tot God komt moet geloven, dat Hij is en een Beloner is van hen, die Hem zoeken. Het is dan ook een zaak die te denken geeft (en professor Van Ruler wijst er terecht op) dat de zogenaamde subjectieve twijfel (dat is de twijfel over het aandeel aan Christus) uitloopt zo al niet in één mensenleven dan toch in de geslachten op de zogenaamde objectieve twijfel (dat is de twijfel over het bestaan van God). Dat wil zeggen: hoezeer de bovengenoemde onderscheiding een plaats mag hebben, niemand scheide wat God bijeengevoegd heeft. Daarom is het bekende gezegde: ik geloof wel alles wat God zegt in de bijbel, maar van het op mij gerichte Woord geloof ik niets, ook niet waar. Want wanneer ik waarlijk geloof dat wat God zegt in Zijn Woord waar is, geloof ik ook dat de wedergeboorte uit de Heilige Geest voor mij nodig is om de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan. (...)

Twijfel is een gevolg van de zonde, ja is zelf zonde. Het is een ziekte van de geest, want niemand kan in de onzekerheid rusten, maar alleen in de zekerheid. Wie door God uit het lood geslagen wordt - en dat gebeurt! - wordt verscheurd en komt langer of korter in de crisis. August Hermann Francke bad eenmaal: "O God, indien Gij er zijt, openbaar U aan mij!" Ge hebt misschien wel het een en het ander aan te merken op dit gebed. Ik denk, dat God de Heere wel de meeste aanmerkingen op dit gebed kon maken. Hij deed het niet, maar verhoorde Prancke, zodat hij de Heere leerde kennen en voor veel mensen tot een zegen werd. Twijfel legt een nevel over de waarachtigheid en de betrouwbaarheid van God. Daarom mag er geen goed woord over gezegd worden. Het is zonde voor God en dient als zodanig beleden en bestreden te worden.

Zijn er dan geen bekommerden? , hoor ik iemand vragen. Die zijn er. In zekere zin is elke christen bekommerd over zijn zonden, zoals David in Psalm 38. Zouden wij er niet beter aan doen, wanneer wij spreken over zwakgelovigen? En dat niet om geloof te suggereren, waar geen geloof is, maar om de bijbelse geneeswijze te hanteren bij hen, die zeer heilbegerig zijn, maar meer onder dan boven liggen. Het gaat niet aan om hier uitvoerig te gaan schrijven over de goede werken en de verborgen omgang met God, en van daaruit conclusies te gaan trekken die behulpzaam kunnen zijn de mensen tot de zekerheid van het geloof te brengen.'

Hier kunnen we het allen mee doen, moderne mensen en gereformeerde mensen. Twijfel is toch niet normaal, hoe wél menselijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Twijfel normaal of abnormaal?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's