Uit de pers
Ds. Johannes Rottenberg
Wellicht zal deze naam velen van onze lezers weinig zeggen. Mogelijk hebben oudere lezers uit Rotterdam of omgeving nog enige herinnering aan deze Messias-belijdende poolse jood, wiens getuigenis velen de ogen geopend heeft voor de trouw van God jegens Zijn volk Israël. In het Hervormd Weekblad geeft dr. J. Haitsma de volgende gegevens over ds. Rottenberg:
'Ds. Rottenberg was een poolse jood, zoon van een rabbijn en werd zelf ook aanvankelijk als rabbijn opgeleid. Kontakt met de joodse zendeling Friedental in het joodse centrum Krakau bracht hem steeds meer tot Christus. Friedental heeft hem toen geholpen dat hij naar Holland kon gaan, waar hij in Rotterdam, in Elim, door zendeling Zalman werd opgevangen. Maar Rottenberg wilde verder en als wetenschappelijk gevormd man onder de joden werken. Hij ging toen naar Amerika, o.a. naar het Calvin-College in Grand Rapids, en het theologisch semenarie te Chicago. Daar werd hij doctorandus in de theologie en geordend predikant in de Presbyteriaanse kerk. Na een tijd in Londen werkzaam te zijn geweest, werd hij tenslotte directeur der vereniging van de verspreiding van het evangelie onder Israël in Holland. De bekende gereformeerde predikant dr. J. van Lonkhuizen, die jarenlang in Amerika met hem samenwerkte, introduceerde hem toen in verschillende christelijke bladen alhier.'
Naast vele publicaties is ds. Rottenberg bekend geworden door zijn Bijbelavonden. Haitsma vertelt hoe een hoogbejaarde jood hem eens het verwijt gemaakt had dat christenen de oordelen van het Oude Testament gemakkelijk op de joden betrekken en de beloften zichzelf toeëigenen waarbij dan de gemeente de plaats van Israël in zou nemen. Deze jood wees hem op ds. Rottenberg. Over, diens arbeid schrijft Haitsma:
'Waarover ds. Rottenberg die avond sprak, weet ik niet meer. Maar ik weet wel dat hij buitengewoon indringend sprak. Echt als een jood tot de joden. Hij sprak ongeveer een uur. Ademloos luisterden we naar zijn originele exegese, in goed hollands, al was zijn pools-joodse afkomst nog duidelijk te horen. Aan het eind van zijn betoog werd er gepauzeerd en iets geserveerd. En bij de debatten die toen losbrandden, openbaarde hij zich pas in zijn volle kracht en in zijn vurige joodse aard. Hij riep zijn tegenstanders op: "vrij en ongereserveerd" hun meningen naar voren te brengen. Nu, die oproep: "vrij en ongereserveerd" met je mening naar voren te komen, nam bij mij alle schroom weg. En ik vatte direct de koe maar bij de horens. Ik zei zoiets als: ds. het valt mij op dat u het joodse volk van vandaag nog altijd ziet als de erfgenamen van de oud-testamentische profetieën. Maar dat zijn wij, de nieuw testamentische gemeente nu toch? " Nog nooit ben ik door een antwoord zó getroffen dan door hetgeen ik toen van hem te horen kreeg: Pardon, mijnheer Haitsma, u bent als lid van de nieuw testamentische gemeente niet de erfgenaam van de oud-testamendsche profetieën, maar mede-erfgenaam, zoals de apostel. En waar een mede-erfgenaam is, is ook een erfgenaam en dat zijn de joden!!
Ik weet niet of ik op mijn lezers kan overbrengen dat ik mij volkomen "knock-out" geslagen voelde. Inderdaad, wij zijn méde-erfgenamen zegt Paulus in Efeze 3 : 6 en waar een mede-erfgenaam is, is ook een erfgenaam. Vanaf dat moment ging ik de verhouding tussen Joden en Christenen, oude en nieuwe testament, heel anders zien. De genoemde tekst ging heel mijn denken beheersen en ik deed er mee m'n intrede, zowel in de gereformeerde kerk van Rockanje als van Noord-Scharwoude.
Ik wil nog even iets vertellen over een andere onvergetelijke avond onder leiding van ds. Rottenberg. 't Was weer bij dezelfde joodse familie. Ds. Rottenberg had eerst gelezen Zach. 12 : 10-14: de rouwklacht over een eerstgeborene. En toen vroeg hij: wat is nu die rouwklacht geweest? Daarna sloeg hij Jes. 52 : 13-Jes. 53 : 12 op. Hij zei: hier staat die rouwklacht. En hoe aangrijpend las hij hem toen voor. Het joodse volk belijdt hier: Wij hebben Hem niet geacht. Wat sloeg die uitleg bij mij in. Ik heb de zondagen daarop als candidaat er meerdere malen zó over gepreekt. O.a. in Noord-Scharwoude. Ik weet nog dat ik daar tijdens het zingen der gemeente de kanttekeningen van de Staten Vertaling over dat "wij" raadpleegde en toen tot m'n grote verrassing las: Wij", d.w.z. de Joden. 'k Kon toen ook niet laten de gemeente daar in de prediking met nadruk op te wijzen.
Ik zei reeds: in de nabespreking was hij op z'n hoogste kracht. Hij was zeer gevat, altijd ad rem, nooit grof of krenkend. Een bepaalde uitdrukking is mij o.a. bijgebleven. Als iemand het geloof in Christus meende te moeten afwijzen, heb ik hem vaak tegen zo iemand horen antwoorden: 'wat voor récht hebt u het niet te geloven? '
In 1943 kwam ds. Rottenberg om in de mijnen van Mauthausen als een van de velen die vielen onder het beulsregiem van de Nazi's. De kring orn hem herdacht hem tijdens een bijeenkomst waarbij Miskotte sprak over Fil. 1 : 12vv. Boven Haitsma's artikel staat: Nóg een bijzonder predikant... Je moet uiteraard wat oppassen met woorden als 'bijzonder', maar ik meen dat ze in dit geval voluit van toepassing zijn. Deze bewogen prediker beoefende het gesprek met Israël lang voordat die term in de kerkelijke wereld ingang vond en hij opende veler ogen voor de betekenis van het Oude Testament met het oog op Israël lang voordat in de officiële theologie hiervoor aandacht was. Daarom geven we gaarne deze fragmenten uit dit recente stukje kerkhistorie aan u door.
***
De oecumene na veertig jaar
In 1943 verscheen het eerste nummer van Scheps' Kerknieuws. Aanvankelijk als bescheiden bulletin met nieuws uit de Geref. Kerken. Na de oorlog werd het blad uitgebreid. Het onderging vele gedaantewisselingen, maar het doel bleef hetzelfde: zonder binding aan kerk of richting nieuws doorgeven uit de verschillende sectoren van het Protestantisme. Het blad heeft zich temidden van de vele kerkelijke bladen een eigen plaats veroverd. Een hartelijke gelukwens bij dit jubileum is op zijn plaats. In die veertig jaar zijn er allerlei verschuivingen opgetreden op de kaart van Kerkelijk Nederland. Aan drie hoogleraren, nl. prof. dr. Bronkhorst, prof. dr. H. N. Ridderbos en prof. dr. Versteeg stelde de redactie de vraag naar hun visie op de oecumene na veertig jaar. Bronkhorst geeft als kerkhistoricus een aantal feiten, en wijst op het veranderde klimaat. In vele opzichten is er z.i. toenadering gekomen. Daarnaast spreekt, hij over de zorg van identiteitsverlies als remmende kracht. Ridderbos geeft een zeer genuanceerd antwoord op de hem gestelde vragen: '1. De roep "Geen schotjes meer" zal altijd wel in Nederland weerklinken omdat zij nooit vervuld zal worden. Men kan ook niet alle pêle mêle in één vergaarbak werpen. Wel zijn de verhoudingen tussen de kerken in Nederland met name de grote, sinds 1943 sterk verbeterd. Ik acht dit een groot voordeel.
2. ''Oecumenisch'' is een groot woord. De kerk is oecumenisch en wij behoeven haar niet meer oecumenisch te maken, behalve door zending te drijven, waar het evangelie nog niet is gehoord. De organisatie van de oecumene is nog weer een andere zaak. Zij is in de laatste veerdg jaar stellig voortgeschreden. Zij wordt bevorderd én bedreigd door de steeds meer veldwinnende gedachte van de pluraliteit van de kerk; bevorderd, omdat als de kerk geen verscheidenheid toestaat haar eenheid te eng wordt opgevat; bedreigd, omdat als de pluraliteit enkel onderlinge tolerande betekent van hetgeen elkaar wezenlijk niet verdraagt, voor de eenheid van de kerk iets anders in de plaats treedt.
3. In de worsteling om haar bestaan zullen de kerken slechts dan overleven als zij zich concentreren op de kern van het Evangelie. Behoefte aan onderlinge innerlijke versterking zal daarom sterker zijn dan die aan steeds verder grijpende organisatorische uitbouw. Beslissend zal zijn of de kerk haar eigenheid in de wereld en vóór de wereld zal weten te (her-)vinden en te bewaren.'
Versteeg tenslotte benadert de vragen vanuit de Chr. Geref. Kerken die z.i. een eigen bijdrage kunnen leveren aan het proces van de oecumene:
1. Het is onmiskenbaar, dat na de oorlog voor het hele kerkelijk leven in Nederland een nieuwe periode aanbrak. Ook al vond een toenadering van de verschillende kerken tot elkaar niet zo snel plaats als velen in de oorlogstijd als ideaal zagen, de periode van het zich afzetten als kerken tegen elkaar was grotendeels voorbij. Ook voor de Chr. Ger. Kerken werd na de oorlog een nieuwe, meer oecumenisch gezinde periode ingeluid. In een boek over de plaats van de Chr. Ger. Kerken in kerkelijk Nederland onder de dtel Kerk tussen klem en knoop (blz. 153 t/m 154) ziet ds. J. H. Velema terecht door de synode van Utrecht van 1947 een nieuwe fase in het leven van de Chr. Ger. Kerken gemarkeerd. Deze synode ging spreken over een profetische roeping tegenover andere kerken. Ds. Velema schrijft daarover: "Dit betekende een positieve houding tegenover andere kerken. Een reeks samensprekingen is het gevolg van dit besluit geweest. In 1950 sloten we ons aan bij de Internationale Raad van Christelijke Kerken... Het duurde tot 1962 voor onze kerken zich aansloten bij de Gereformeerde Oecumenische Synode. Dit alles wees op een andere houding tegenover andere kerken dan voor de tweede wereldoorlog."
2. De oecumenische situade is in de afgelopen veertig jaar radikaal veranderd. De kerken zijn in een steeds meer ontkerstenende samenleving steeds meer op elkaar aangewezen. Ook al hebben de Chr. Ger. Kerken tal van bezwaren tegen allerlei kerken, zodat een breed oecumenisch streven in die kerken bepaald niet gevonden wordt, toch is het besef op allerlei kerken in verschillende opzichten aangewezen te zijn algemeen in de Chr, Ger. Kerken aanwezig. Óp allerlei terrein wordt dan ook duidelijk met andere kerken samengewerkt. Veertig jaar geleden was dit in de vorm waarin dit nu gebeurt ondenkbaar.
3. De oecumene zal van steeds grotere betekenis worden. Daarbij zal binnen de Chr. Ger. Kerken gepoogd worden het streven naar de eenheid blijvend te verbinden met het bewaren van de waarheid. In kerkelijk Nederland zal het "Samen op Weg" van de Ned. Herv. Kerk en de Ger. Kerken in de komende tijd het kerkelijk beeld bepalen. Het is te verwachten, dat het inderdaad binnen afzienbare tijd tot een vorm van kerkelijke eenheid tussen beide kerken zal komen. Mede daardoor zal de Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk zich haar verwantschap met de Chr. Ger. Kerken en de andere kleine gereformeerde kerken nog meer bewust worden en intensiever naar wegen zoeken om die verwantschap gestalte te geven. Binnen de Chr. Ger. Kerken zal de kerkelijke eenheid met de Ned. Ger. Kerken de komende jaren zich steeds sterker doorzetten. De eenheid die nu reeds op een aantal plaatsen gevonden is, zal niet meer ongedaan gemaakt kunnen en mogen worden. Daardoor zullen de Chr. Ger. Kerken een bescheiden, maar concrete bijdrage kunnen leveren aan de oecumenische toenadering binnen de gereformeerde gezindte in ons land.'
Inderdaad zal het in de oecumene steeds weer gaan om de spanning van eenheid en waarheid te bewaren. De vraag naar de verhouding van Reformatie en Oecumene komt in de drie uiteenzettingen niet expliciet naar voren. Stellig hebben de Reformatoren geweten van de wijdheid en de ruimte van de katholieke Kerk. Noch Luther noch Calvijn waren sectarische 'nieuwlichters'. Zij wilden de kerk der eeuwen reformeren. Maar hun nadruk op de rechte Evangelieprediking, de rechte leer betekende geen eenheid tot elke prijs. Dat maakt het oecumenisch vraagstuk zo ingewikkeld. Men kan tot op zekere hoogte, denkend aan Johannes 17 spreken over het beloofde Land van de ene heilige algemene christelijke Kerk in een zinspeling op Numeri 13 (Bronkhorst). Maar de belofte in dat land in te gaan is altijd verbonden met de weg van geloof en gehoorzaamheid aan Gods Woord. Eenheid én waarheid. Het samengaan van die beide polen bewaart voor absolutisme en relativisme. Hoe dat concreet moet? Wellicht geeft Versteeg aan waarom het dan gaat: belangstelling en meeleven, meedenken en meespreken. Ook daar waar we vauit de Schrift een kritisch 'neen' moeten laten horen tegen allerlei ontwikkelingen zal dit alleen maar van invloed zijn als het gedragen wordt door een positief getuigenis dat de ander niet loslaat maar begeert te dienen met de waarheid van het Evangelie. En wie in het geheel van de Kerk en de kerken oproept tot gehoorzaamheid aan de waarheid zal in de eerste plaats zichzelf hebben te onderzoeken of het Woord in eigen leven en in eigen sector werkelijk aan het Woord komt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's