Het Woord aan het woord laten! (2)
Is het noodzakelijk om na een gedegen uitleg ook een gedegen toepassing te geven? Of kan men de uitleg wel vergeten en direkt op de toepassing overgaan?
In het eerste artikel merkten wij op, hoe in het verleden een overtrokken aandacht voor de exegese is geweest. Een stroom van geleerdheid werd in de prediking over het hoofd van de gemeenteleden uitgegoten waarbij sommige predikers zich ook niet ontzagen in het gebruik van Latijn en Grieks én allerlei filosofische stelsels. Terecht zijn gemeenteleden hier tegen opgekomen. Wij vermoeden niet, dat er op deze wijze nu nog wordt gepreekt. En gesteld dat dit wel het geval is, dan zal de predikant dit zeer zeker in het pastoraat ter ore komen en zal de kritiek hem niet bespaard blijven. De preek dient eenvoudig te zijn. Dat wil niet zeggen: simpel. Enige inspanning om de preek te kunnen volgen mag werkelijk wel van ons gevraagd worden, maar dat behoeft 'eenvoudigheid' niet uit te sluiten. In dit en de volgende artikelen willen wij ons bezighouden met een andere eenzijdigheid dan die zich in de 17e en 18e eeuw heeft voorgedaan. Een eenzijdigheid die veel ouder is dan de eenzijdigheid uit de 17e en 18e eeuw. Wat deze eenzijdigheid betreft moeten wij teruggaan tot de vroeg-christelijke kerk. Het gaat hier om de overtrokken aandacht voor de tekening van de geestelijke mens in de openbaring Gods. Het zgn. allegoriseren of vergeestelijken.
Schriftgebruik
Hoe hebben wij de Schrift te gebruiken? Is het noodzakelijk om na een gedegen uitleg ook een gedegen toepassing te geven? Of kan men de uitleg wel vergeten en direkt op de toepassing overgaan? De reformatoren hebben ons geleerd, dat de preek 'explicatio et applicatie' dient te zijn, d.w.z. 'uitleg en toepassing'. Ernstig waarschuwen zij ons om direkt tot de toepassing over te gaan, omdat er dan wel dingen gezegd kunnen worden die in de verste verte niet uit de tekst en het verband afgelezen kunnen worden. Hun waarschuwing kunnen wij ter harte nemen. En van hun gebruik van én omgaan met de Schrift kunnen wij veel leren. Het valt immers niet te ontkennen, dat er ook onder ons zijn die menen dat de uitleg van de Schrift niet zo belangrijk is. Het gaat in de openbaring Gods - naar hun mening - om de tekening, het beschrijven van de geestelijke mens. In die openbaring Gods is voor ons alleen van belang, hoe God een mens trekt uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Het historische doet er eigenlijk niet zoveel toe. Dat kan men wel missen. Het gaat er om, dat de geestelijke mens die op reis is de weg met alle zorgen en vreugden, met alle wederwaardigheden daarop leert kennen en herkennen en die uit de Schrift leert aflezen. De 'geestelijke mens' staat dus centraal. Hij wordt in z'n 'gangen' in de Schrift getekend. De openbaring Gods is voor hem op al die 'gangen' een reisgids. Het gaat om 'de weg' die uit de Schrift afgelezen moet worden en waardoor de prediking enkel en alleen bepaald wordt.
Grote ernst
Wij zullen de grote ernst waarmee het bovenstaande naar voren wordt gebracht in een bepaalde prediking niet mogen ontkennen. Op een ernstige manier wordt met de zielen omgegaan en men poogt op een pastorale wijze om te gaan met allen die deze prediking horen. Dat het tekenen van de geestelijke mens en 'de weg' die men gaat gevaren kent, zal duidelijk zijn. Bekommerde zielen kunnen hierdoor in het nauw gebracht worden, omdat men op die 'weg' nog niet zover is. Ook kan men bij een tekening hiervan tot zelfwerkzaamheid gebracht worden, terwijl het ook niet uitgesloten is, dat er zelfverheffing ontstaat, omdat men toch reeds zo ver op de weg is gevorderd. Niettemin, willen wij de ernst hiervan toch niet zomaar weg werpen. Temeer niet, omdat er grote ernst gemaakt wordt met de realisering van het heil, de genade in de mens. En dat is op zichzelf een belangrijke zaak. In de openbaring Gods horen wij niet alleen over wat God vóór de mens heeft gedaan én doet, maar niet minder wordt erin gesproken over het werk der genade in de mens. Dit mogen wij in geen geval uit het oog verliezen, want dan doen wij ook schromelijk tekort aan datgene wat in de openbaring Gods staat geschreven. Het onderwerpelijke gaat voorop, maar het onderwerpelijke mag niet gemist worden. God werkt óók in de mens. En waar God in de mens werkt wordt dat bevonden, ondervonden.
Toch eenzijdig
Ofschoon wij dus de grote ernst niet ontkennen en daarmee nog minder het werk van God in de mens, zijn wij toch de mening toegedaan, dat men zeer onjuist en eenzijdig te werk gaat, wanneer men in de gehele openbaring Gods een tekening of beschrijving van de 'geestelijke mens' gaat aflezen. Het gaat niet hierom alléén in de Heilige Schrift. Méér dan het heil alléén voor de enkeling komt aan de orde. Gods werk kent wijdere perspectieven. Wereldwijde uizichten. Zijn werk gaat in in de geschiedenis. Hij heeft de kerk gegeven, opdat deze een taak in de wereld zou hebben. Volgens wijlen prof. dr. A. A. van Ruler is de kerk een vreemde tent op de markt waar de kennis der ijdelheid in volle gang is. Dat is juist! Maar door middel van de kerk mag het heil uitwaaieren niet alleen naar de enkeling, doch naar gehele volkeren.
De Heilige Schrift heeft ook alles te zeggen in het maatschappelijk bestel! Dat met de richtlijnen daarvan weinig of niet rekening wordt gehouden, is een tweede. Doch het maatschappelijk bestel, de samenleving gaat niet buiten de openbaring Gods om. In de Heidelberger Catechismus worden om die reden bepaalde vragen en antwoorden aan het publieke leven gewijd. Ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis laat ons wat dit betreft niet in het onzekere o.a. in het laatste gedeelte van artikel 36. Wanneer de samenleving niet en nooit in de prediking aan de orde wordt gesteld, maar alleen de 'weg' van de enkele mens in het middelpunt staat, wordt aan een deel van de openbaring Gods tekort gedaan. Laten wij in dit verband ook Israël niet vergeten. Het werk Gods in en met Israël in de geschiedenis is duidelijk zichtbaar. Uit Israël is toch Christus naar het vlees voortgekomen. Dat het heden ten dage, ondanks alle vijandschap, bestaat, is te danken aan de bijzondere bemoeienis van God met dit Zijn volk. Wat zijn er bovendien een rijke profetieën zowel in het Oude als het Nieuwe Testament juist voor dit volk die nog in vervulling zullen gaan. Wanneer slechts de mens en zijn weg wordt gepredikt laat men veel van de openbaring Gods liggen. De tekstkeuze is dan ook vrij beperkt. Daar komt nog bij, dat er niet eens zoveel teksten zijn die direkt over het werk van God in de mens handelen. Zij zijn ontegenzeggelijk in de Schrift aanwezig, maar - nogmaals - het aantal is zeer beperkt.
Het vergeestelijken van Schriftgegevens
Juist omdat het aantal teksten zeer beperkt is waarin gesproken wordt over het werk Gods in de mens gaat men zoeken naar geestelijke elementen in andere Schriftgegevens waar het bevindelijk element niet in wordt gevonden. Hier komen wij op het terrein van 'de waarheid achter de waarheid'. Het gebied van het nevelig mysticisme. Wat van bepaalde personen gezegd wordt in de openbaring Gods gaat men als 'de weg' zien die men ook moet gaan. Men moet dan een Jacob, een Mefiboseth, een Manasse of een Paulus zijn. Het is opvallend, dat meestal personen in de heilsopenbaring die op een krachtige wijze getrokken zijn als voorbeelden worden genomen. Zelden een Samuel, een Andreas, een Johannes of een Timotheüs. De bekeringsgeschiedenis wordt dan afgemeten naar eerstgenoemde personen. Als men hetzelfde niet heeft door-en meegemaakt is het niet echt. Nog erger wordt het als men zijn of haar bekeringsgeschiedenis gaat afmeten naar allerlei geschriften buiten de openbaring Gods om. In het pastoraat hebben wij wel mensen ontmoet, die een bekeringsgeschiedenis van een man óf vrouw uit het begin van deze eeuw hadden gelezen en die alles wat zij van Godswege hadden ondervonden overboord wierpen om reden, dat zij dit zó niet hadden meegemaakt. In het lezen van een bekeringsgeschiedenis zien wij op zichzelf geen kwaad. Als wij dan maar niet menen dat de Heere met ons één en dezelfde weg moet gaan. Als het goed is verwonderen wij ons over de grote daden Gods in het leven van de ander. Maar voorzover zij de openbaring Gods in de weg staan, ja Gods eigen werk in ons leven, kunnen wij ze beter niet lezen. Wij dwaalden af, niet ten onrechte overigens, doch omdat het bovenstaande buiten de reeks van deze artikelen valt kunnen wij hierop niet nader ingaan. Duidelijk zal wel zijn geworden, dat personen als Jacob, Mefiboseth en Manasse in de prediking vergeestelijkt kunnen worden. Dat het mensen zijn geweest van vlees en bloed, dat zij in een bepaalde tijd hebben geleefd en midden in de historie hebben gestaan wordt al te zeer vergeten. Wanneer zij worden vergeestelijkt worden het levenloze mensen, zonder vlees en bloed. Vergeestelijken kan men ook sommige wonderen van Christus. Ook bepaalde gelijkenissen ontkomen niet altijd aan allegorie. Calvijn wijst in dit verband op de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Hierover later meer! Zelfs pure geschiedenis weet men te vergeestelijken. De dragers die de verlamde in Lukas 5 naar Jezus dragen worden de wet, die als een tuchtmeester tot Christus brengt. Het sterkste voorbeeld van vergeestelijken troffen wij aan in een verhandeling van ds. G. van Reenen. Het is een samenspraak van Bart en Kees over de woestijnreis der kinderen Israels n.a.v. Numeri 21. ledere rustplaats in dat hoofdstuk opgesomd is een aanwijzing voor de geestelijke weg. Het gebeurt wel, dat de letterlijke betekenis van die rustplaatsen wordt vergeestelijkt. In het voorwoord schreef wijlen ds. G. van Reenen: 'Wij rekenen er op, dat duizenden zich aan ons eenvoudig gesprek zullen ergeren.' Wij hebben ons bij het lezen van deze verhandeling in 't geheel niet geërgerd, omdat wij hierin authentiek geloofsleven hebben ontmoet, waardoor wij zelfs gesticht werden. Wel hebben wij onze bezwaren - en dat is iets anders dan ergeren - tegen het gebruik van de openbaring Gods op deze wijze. De rustplaatsen van Israël in de woestijn zijn op deze wijze geen historische rustplaatsen meer. Bovendien is Israël niet meer het historische Israël, mensen van vlees en bloed die toen en toen in die situatie zegeningen Gods hebben ondervonden, maar ook tegen de God des levens zijn opgestaan. Wanneer het Israël in de woestijn puur wordt vergeestelijkt, wordt ook weldra vergeten, dat het niet alles Israël was wat Israël werd genoemd. Wij lezen toch ook, dat aan het merendeel van hen God geen welgevallen had.
ledere prediker en iedere hoorder zal er te allen tijde voor moeten oppassen, dat men de Schrift niet maakt tot een openbaring in beeldtaal over de weg van de geestelijke mens. Werkelijk niet bij ieder beeld dat in de Schrift wordt gebruikt behoeven wij een geestelijke betekenis te zoeken. Het getuigt juist van eerbied tegenover de Heilige Schrift om dit niet te doen. De Schrift is op zichzelf al geestelijk genoeg. Wij behoeven deze niet geestelijker te maken of van iets natuurlijks iets bovennatuurlijks te maken, misschien zelfs iets onnatuurlijks. Wij zijn maar al te zeer geneigd om waarheden achter de waarheid te zoeken.
Dat dit niet van vandaag is, zelfs niet van de 17e of 18e eeuw, hopen wij een volgend keer nader te illustreren aan enkele voorbeelden uit de geschiedenis van de christelijke kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's