De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat staat ons te doen?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat staat ons te doen?

14 minuten leestijd

De beweging van Samen op Weg, het eenheidsstreven van de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk, dat sinds vorig najaar in een stroomversnelling is gekomen, houdt veler gemoederen bezig.

Samen op Weg

De beweging van Samen op Weg, het eenheidsstreven van de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk, dat sinds vorig najaar in een stroomversnelling is gekomen, houdt veler gemoederen bezig. Ook die van de gereformeerden in de Nederlandse Hervormde Kerk. Wij vragen ons immers af: wat groeit hieruit?

Dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond met Samen op Weg niet is ingenomen is al meerdere keren gebleken; herhaaldelijk heeft het naar voren gebracht deze eenheid niet te begeren. Het weet zich hierin tolk van verreweg de meeste hervormd-gereformeerden en van welhaast alle hervormd-gereformeerde gemeenten. Gaat ons dan de eenheid van Christus' kerk niet ter harte? Ons verzet tegen Samen op Weg zou zo uitgelegd kunnen worden. Ook zou gezegd kunnen worden, dat wij de situatie van ogenblik, de status quo, zo slecht nog niet vinden.

Noch het één noch het ander is het geval. Het zou bepaald niet naar de Schrift zijn noch zouden wij daarin de confessie op onze hand hebben, wanneer de scheuren en breuken in de kerk van Christus ons geen pijn zouden doen. Zo lijden wij menigmaal smartelijk aan het feit, dat wij als hervormd-gereformeerden (eigenlijk zouden wij moeten spreken van: gereformeerd-hervormden) kerkelijk niet één zijn met hen met wie wij ons geestelijk één weten, en dat zijn vooral onze broeders en zusters uit de gereformeerde gezindte, terwijl wij ons in één kerkverband bevinden met zovelen met wie de geestelijk eenheid helaas ontbreekt.

Terugkomend op Samen op Weg, vat ik nog eens samen een aantal bezwaren, dat eerder naar voren is gebracht. Ik ga er thans niet in den brede op in. Evenmin streef ik naar volledigheid:

1. De Gereformeerde Bond zet zich al jaar en dag in voor het reformatorisch karakter van de vaderlandse kerk. Het gaat er ons om, dat zij in haar beleid en actueel belijden volledig ernst maakt met haar gereformeerde afkomst en haar gereformeerde belijdenis, omdat deze naar het Woord van God is. Het samengaan van de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk zal, ook tot schade van ons volk en de samenleving, dit reformatorisch karakter eerder nog verder verzwakken dan versterken.

2. In de Gereformeerde Kerken grijpt een nieuw modernisme om zich heen. In dit verband noem ik het onlangs verschenen geschrift van dr. H. van Oeveren 'Een rood signaal - koersverandering in de Gereformeerde Kerken van Nederland ten aanzien van Schrift en belijdenis'. Eenwording zal zowel ten aanzien van dogmatische als ethische vragen bedenkelijke gevolgen hebben.

3. De basis van dit samengaan is niet een degelijke, bijbels verantwoorde theologie, maar een tijdgebonden Vermittlungstheologie die geheel en al bepaald wordt door het moderne levensgevoel.

4. Het ware ons liever wanneer we tegelijkertijd de eenheid met de andere kerken, die hun oorsprong hebben in de Afscheiding van 1834 werd nagestreefd. Daar voor hen de gereformeerde belijdenis nog relevant is en zij daarop aanspreekbaar zijn, zal hun terugkeer tot (of eenwording met) de kerk die zij destijds verlieten vanwege een gerealiseerd Samen op Weg praktisch onmogelijk zijn geworden.

5. Men ontveinze zich niet de onoverzienbare moeilijkheden die zowel op plaatselijk als landelijk niveau te wachten staan, moelijkheden van principiële en van practische aard. Twee voorbeelden: hoe stelt men zich voor, een uitgesproken volkskerk te verenigen met een kerk die nimmer iets moest hebben van een volkskerk, en een 'gesloten' karakter droeg. Hoedemaker en Kuyper zitten bepaald niet op één lijn. En: hoe gaat het met art. 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis? Wordt de verminking van 1905 ongedaan gemaakt of moeten de Hervormden alsnog Kuyper c.s. hierin volgen?

6. Wanneer door Samen op Weg de Nederlandse Hervormde Kerk als historisch gegeven, als vaderlandse kerk zou moeten worden opgeheven, omdat de Gereformeerde Kerken niet believen terug te keren (zoals het dan historisch juist zou zijn), dan wordt het hun die historisch denken feitelijk onmogelijk gemaakt in Samen op Weg mee te gaan. Het betekent een breuk met de geschiedenis, een breuk met hetgeen in de historie is aangereikt. Welk een overmoed van een 'toevallige' synode om zó met erfgoed van eeuwen om te springen!

7. Geweldige problemen met kerkelijke goederen en fondsen staan te wachten wanneer de Hervormde Kerk zou worden opgeheven om in een andere vorm en met een andere naam verder te gaan. Wie zal de honderden zelfstandige kerkvoogdijen kunnen dwingen de goederen en middelen die zij beheren ter beschikking te stellen van een andere kerk, dan waardoor deze goederen en middelen zijn bestemd, nl. de Nederlandse Hervormde Kerk?

8. Te voorzien is, dat men hierna nauwe samenwerking, wie weet enige vorm van eenheid met de kerk van Rome zal nastreven.

Deze en dergelijke bezwaren zijn eerder naar voren gebracht om aan te geven, dat de hervormd-gereformeerden niets van Samen op Weg moeten hebben.

Dit alles betekent evenwel niet, dat wij ons nu maar moeten terugtrekken in de plaatselijke gemeenten in de mening dat er intern niets aan de hand is om al het overige maar aan zichzelf over te laten. Wat dat laatste betreft: wij dienen, waar wij maar geroepen worden, te staan, getuigend en de Heere dienend. Soms zijn dat heel moeilijke posten. Toch zullen wij daar geen verstek mogen laten gaan. Wat dat eerste betreft: er zijn, dunkt me, in de plaatselijke gemeente toestanden en ontwikkelingen die alleszins onze inzet en waakzaamheid vereisen.

Te vaak onbreekt onder ons, naar het mij schijnt, het nodige zelfonderzoek ten aanzien van eigen kring. Dus ook de nodige zelfkritiek. Te vaak wordt nog gedacht, dat 'onze' gemeenten nog aardig goed zijn en hecht. Zo te denken is gevaarlijk. Zo kunnen we heel gemakkelijk in slaap raken, terwijl de boze vijand bezig is met zijn verwoestend werk. Daarom wil ik, eveneens puntsgewijs, zij het iets uitgebreider een aantal zaken aan de orde stellen dat ons als leden en ambtsdragers van hervormd-gereformeerde gemeenten wel meer dan soms het geval is ter harte mocht gaan. Ik doe dit, in de hoop, dat dit geluid, over deze jaarvergadering heen, ter plaatse wordt opgevangen en verwerkt.

1. In de eerste plaats wil ik pleiten voor kerkelijk denken en handelen. We moeten ons niet zó 'veilig' terugtrekken in de eigen kring, dat we het geheel van de kerk vergeten. Ook de organisatie van de Gereformeerde Bond is er ten dienste van de kerk en niet om zichzelf. Het is niet gemakkelijk midden in de kerk te staan, want je staat daar doorgaans erg op de tocht. En toch zijn wij daar gesteld. Daar ligt onze roeping. Zijn de herv. ger. organisaties enigszins met een thuishaven te vergelijken - de schepen moeten niet al maar afgemeerd liggen, ze moeten de zee op, hoe woelig die vaak ook is. Dat vergt liefde voor de kerk, moed, geloof, hoop en veel gebed. Alleen daarmee begiftigd als geschenken van God, kunnen wij staan in de kerk en in de wereld. Dat betekent mede, dat wij niet om de vragen die ons vanwege Samen op Weg gesteld worden heen kunnen gaan. Tot dit kerkelijk denken behoort ook, dat wij zo veel wij maar kunnen, als kerkeraden en ambtsdragers met name, handelen naar de orde van onze kerk. Het feit, dat velen maar doen alsof er geen kerkorde is en zich tegen elke vorm van orde en regel verzetten en in de praktijk de kerkorde aan hun laars lappen, geeft ons geen vrijbrief op gelijke wijze te handelen. Het naleven van de kerkorde voorz'over deze niet strijdig is met de gereformeerde beginselen zal ons in deze jaren vol ordeloosheid ernst dienen te zijn, tot beschaming van en mogelijk aanstekelijk voor hen die maar wat doen.

2. Ook met het ambtelijk besef staat het onder ons niet zoals het behoort. Wat generaliserend moet gezegd worden, dat men in grote lijnen in onze kerk geen zicht meer heeft op het ambt. Maar hoe is dat onder ons? Mangelt het daar niet evenzeer aan het besef wat de ambten in het midder der gemeente te betekenen hebben? Verstaan wij dat Christus door de ambten zijn gemeente leiding geeft? Sta mij toe in dit verband een tweetal verschijnselen te signaleren die er bewijs van afleggen dat het ambtelijk besef bij velen is zoekgeraakt. Het is mij niet bekend, dat binnen het gereformeerd protestantisme als wettige handeling aan de ouderling is toegestaan 'n kandidaat bij de bevestiging tot predikant de handen op te leggen. U zult dit te vergeefs zoeken in het klassiek formulier van de bevestiging van ouderlingen, in gereformeerde kerkorden en in de kerkorde van onze kerk. Toch komt dit in onze kring, tegenwoordig herhaaldelijk voor. Ja, het gebeurt wel, dat ouderling A uit de gemeente B betrokken is bij zulk een gebeuren in de gemeente C. Terwijl men toch zou kunnen weten, dat geen enkele ambtsdrager buiten de gemeente waar hij het ambt bekleedt ambtelijke handelingen mag verrichten. De enige uitzondering geldt predikanten, die, daartoe uitgenodigd door de wettige kerkeraad, elders een dienst mogen leiden. Doch velen rommelen maar wat aan. Het tweede voorbeeld. Het links en rechts voorgaan van predikanten in allerlei verbanden, welke naam ze ook mogen dragen, buiten de wettige gemeente om, neemt hand over hand toe. Als er maar een groepje mensen is dat dit begeert en honoreert, is men bereid een kwasi-kerkdienst te leiden. Dusdoende handelt men evenwel volgens een ander beginsel dan het gereformeerde, dat op ambtelijke samenkomst der gemeente alle nadruk legt. Dusdoende verscheurt men ook de allernauwste verbondenheid van Woord en sacrament. Alleen in uiterste gevallen, waar voor de gereformeerde prediking beslist geen plaats is, zal men noodmaatregelen mogen treffen en dan nog eigenlijk met een bezwaard gemoed.

Naar mijn waarneming is het met de kennis van de gemeente en soms ook van de kerkeraad niet zo best gesteld. Er zal beslist meer gedaan moeten worden aan de toerusting van de gemeenten en ambtsdragers. Er gebeurt gelukkig, al heel wat vanwege meer dan één instantie, maar het moet wel doorgaan, zich verbreden en verdiepen. Onkunde leidt tot beginselloosheid of tot een hoogmoedig veroordelen van alles wat men niet weet of anders is, of tot beide. Maar onkunde maakt ook een besliste keuze voor de Heere en zijn dienst onmogelijk. Bovendien wordt de groei van geestelijk leven zeer bemoeilijkt en het onderscheidingsvermogen ten aanzien van allerlei bewegingen en ontwikkelingen in onze tijd danig ondermijnd als er geen kennis is. De toerusting van jongere en oudere gemeenteleden zal krachtig ter hand genomen moeten worden. Er zal weerstand geboden moeten worden tegen de verslavende macht van de tv en het vullen van de vrije tijd met zinloosheden.

In het verlengde hiervan ligt ée geestelijke vorming van de jeugd. Meer dan wij doorgaans willen weten woelt en wroet de tijdgeest in onze gemeenten. Hij mikt daarbij vooral op de jeugd. Mij treft dikwijls hoe onkundig ouders zijn van wat er in de jeugd omgaat en hoe nalatig zij zijn om vooral met hun tieners mee te leven. Onze jonge mensen zitten dikwijls boordevol vragen - maar waar kunnen zij ermee terecht? Moeten ook op dit terrein niet vele dingen meer gebeuren dan nu het geval is? Waaraan ik denk? Aan belangstelling voor de jeugd; grondige catechese (en niet een minimaal aantal uren in een zo kort mogelijk seizoen); aan de inhoud van huisbezoeken; aan het betrekken van jonge mensen bij gemeentelijke aangelegenheden; aan een prediking, die een jong mens dat de moeite neemt te luisteren ook volgen kan. Vergeet niet, dat de jongelui van vandaag de ambtsdragers van morgen zijn. Er is reden zorg te hebben over de prediking. Er zou veel van te zeggen zijn, maar thans moet dit mij van het hart. Wordt er wel voldoende geëxegetiseerd? Kruipen de predikanten wel voldoende door de tekst heen, of staat men al bij het begin klaar met zijn schablones? Weet men eigenlijk alles al en weet de gemeente bij het begin van de preek al precies wat er komt? Wordt niet meer en meer door een overmatige nadruk op het gemoed en op de doorleving de vastigheid van Gods genade in Christus Jezus aan het wankelen gebracht? In dit verband citeer ik een woord van prof. dr. W. van 't Spijker: 'de zeer begrijpelijke en onmisbare accentuering van de beleving van het geloof, van een waarachtig doorle­ven van zonde en genade, blijkt voor velen vandaag een invalspoort te zijn voor een relativering van de rijkdom van Gods genade in het verbond, in de kerk, in de middelen der genade, in het ambt, in de structuur van de gemeente. In één woord: het werkelijk confessioneel beleven van wat gereformeerd is blijkt bij velen plaats te hebben gemaakt voor een simpel aandoende oppervlakkige beroering van het gemoed' (Doop in plaats van besnijdenis, blz. 64).

Daarbij verzucht ik, was het dan nog maar de gemoedelijke prediking als van de voorgangers in de Ledeboeriaanse en kruisgemeenten, maar het is nu meestal een kille, onbewogen, rationalistische prediking die bij gebrek aan inzicht voor een bevindelijke prediking wordt gehouden.

Hiermee samen hangt de zorg voor de eredienst. Als kerkganger én als gastpredikant ben ik nogal eens in de gelegenheid met gemeenten en kerkeraden kennis te maken. Mij dunkt is ook ten aanzien van de samenkomst van de gemeente op de dag des Heeren nogal wat te verbeteren. De sfeer in de kerkeraadskamer is vaak niet in overeenstemming met de dienst die volgt. Het roken in de kerkeraadskamer vóór de dienst acht ik ongepast. Ik vind het niet behoorlijk met een blauwe walm omgeven het kerkgebouw binnen te gaan waar de gemeente wacht en waar de Heere Zijn gemeente in de ambten en door Woord en Geest wil ontmoeten. Verder treft het mij dikwijls hoeveel oneerbiedigheid, slordigheid en ongeïnteresseerdheid er tijdens een dienst is. Wordt dit niet opgemerkt door voorganger en kerkeraad? Is daar werkelijk niets tegen te doen? Laten in elk geval de voorgangers met zorg en eerbied de dienst leiden en er aan werken, dat de gemeente groeit in het besef wat de bediening van Woord en sacrament inhoudt. Maar ook aan de gemeentezang mag wel eens aandacht worden geschonken. In menige gemeente is zowel de begeleiding als de zang zelf een eind onder het niveau dat een christelijke gemeente betaamt. Er wordt veelal slecht gezongen. En het ontgaat mij waarom de isometrische zangwijze de voorkeur verdient boven de oorspronkelijke. Is die mooier, beter, stichtelijker dan zoals de melodieën in Geneve en Straatsburg - in de bloeitijd van de Reformatie - werden gecomponeerd?

7. Ik had nog iets willen zeggen over de gemeente als gemeenschap en over de werfkracht van de gemeente. Om tijdsredenen volsta ik met slechts deze opmerkingen: laat er toch zorg en gebed voor elkaar zijn en meeleven met elkaar in de gemeente. En laten wij op onze hoede zijn voor verstarring en traditionalisme. Naar mijn vaste overtuiging gaat van een bij het Woord en door de Geest levende gemeente ook nu werfkracht uit en zijn de velden misschien niet wit om te oogsten, er moet allerwege worden gezaaid.

Neen, ik vergeet niet, dat het geestelijk leven noch een geestelijk opleven zich niet laten programmeren. Maar laten wij vurig staan naar de werking van de Heilige Geest, zowel in het geheel van onze kerk als in onze gemeente. In het kerkelijk jaar bevinden wij ons tussen de viering van de hemelvaart van Christus en het Pinksterfeest. Wij worden herinnerd aan Hem aan wie alle macht in hemel en op aarde gegeven is en als Koning heerst, zodat wij in deze moeilijke tijd vol dreigingen toch niet behoeven te versagen. En aan Hem, de Trooster, de Paracleet die zijn gemeente op haar tocht door de tijd terzijde staat.

Onze verwachting zij van de drieënige God.

Onze hoop op Hem.

En onze zorg en liefde gelde zijn werk, waaronder ook behoort de Nederlandse Hervormde Kerk met haar gemeenten en ambtelijke vergaderingen. Niet in het minst ook de gemeenten waarvan wij deel uitmaken. En laten wij daar, in biddend opzien tot de Heere, de hand aan de ploeg slaan. Dat is in elk geval noodzakelijk, als Samen op Weg doorgaat, als hel niet doorgaat en als hierdoor de hervormdgereformeerde gemeenten op een zelfstandig spoor zouden worden gerangeerd.

Woord ter opening van de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 18 mei te Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wat staat ons te doen?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's