Boekbespreking
A. Kik, Geloof in mensenrechten, Kampen 1982, 125 blz., ƒ 17, 90.
Je kunt geen dagblad opslaan of je komt wel iets tegen over schending van mensenrechten. Waar komen deze rechten vandaan? Wat behelzen ze? En hoe moet je als christen daar nu tegenover staan? De schrijver van dit informatieve boekje schetst in hoofdstuk 1 achtergrond en ontstaan van de verklaring over de rechten van de mens. Hij laat in hoofdstuk 2 zien hoe weerbarstig de politieke en sociale werkelijkheid is en hoe makkelijk rechten geschonden kunnen worden. In een derde hoofdstuk komen een aantal bijbelse grondbegrippen ter sprake, zoals: mensen als beelddragers van God, vrijheid in gebondenheid. God als Bevrijder, voorrang voor verdrukten, heilsgeschiedenis. Terecht beklemtoont Kik de afstand tussen het bijbelse spreken, waar de mens voor Gods aangezicht leeft en de humanistische achtergronden van vele verklaringen. Wat betekent dat nu als we theologisch over mensenrechten nadenken? De schrijver werkt dat uit in hoofdstuk 3b. Hij leg sterke nadruk op het centraal stellen van de relatie tot God en de gemeenschapsgedachte, als mede op noties als recht doen aan de verdrukten. In de paragraaf over de rol van de kerken in het verleden laat hij zien hoe weinig soms ook in de kerken deze noties doorklonken. In hoofdstuk 4 schetst de schrijver
eeri aantal taken voor christenen en kerken. Prioriteit moet hebben de zorg voor de armen, de strijd tegen het machtsdenken en voor de vrede. Het boekje biedt veel, met name door de heldere wijze van presentatie. Ik blijf wel met enkele vragen zitten. Terecht accentueert Kik de betekenis van democratische rechten als vrijheid van meningsuiting enz. De vraag hoe verdraagzaamheid gepaard kan gaan met een theocentrische opstelling wordt m.i. ontweken. Ook over de taak van de kerk ten aanzien van politieke en speciale vragen zijn vragen te stellen. Komt de eigenheid van de kerk ook in haar werk voldoende tot zijn recht? Dreigt bij Kik toch niet een verschuiving van de opdracht in de richting van realisering van de mensenrechten? Het boekje is ook wat onhelder in die zin dat Kik enerzijds laat zien hoe allerlei verklaringen botsen met bijbelse noties, en anderzijds krijg je het gevoel dat christenen volop moeten inspelen op een gegroeide ontwikkeling. Kun je zeggen dat stellingname ten opzichte van mensenrechten van beslisssende betekenis is voor de geloofwaardigheid van kerk en christenen? Leidt dit toch niet tot vereenzijdigingen. Niettemin is het onderwerp onze aandacht meer dan waard. Bij de literatuuraanwijzingen miste ik de publicatie van prof. dr. W. H. Velema. Enkele bijlagen met zakelijke informatie verhogen de betekenis van deze publicatie.
Dr. W. V. 't Spijker, Doop in plaats van besnijdenis (serie Pasmunt), 72 blz., ƒ 9, 90, De Groot-Goudriaan 1982.
De aanvallen op de kinderdoop en de pleidooien voor herdoop gaan onverminderd voort. Menigeen wordt er door uitgedaagd en aangevochten. Op menige kerkeraadsvergadering keren de vragen hierover terug. Waarom kiezen we op grond van de Bijbel voor de kinderdoop? In dit geschrift gaat de apeldoornse kerkhistoricus na wat Luther, Calvijn, Zwingli, Bucer en anderen hierover hebben gezegd. Daarbij worden ook de motieven van de Dopers geanalyseerd. Het blijkt dat sinds de Reformatietijd de argumentatie nauwelijks veranderd is. De auteur maakt ons er op opmerkzaam dat de herdoop samen hangt met een andere visie op het heil, een andere belevingswereld, een andere visie
ook inzake de relatie van geloof en gevoel, alsmede de visie op de kerk. De accenten zijn bij de Dopers verschoven van God naar de mens, van Gods handelen naar menselijk handelen. De zekerheid komt te rusten op de subjectieve basis van ons beleven. Iets wat in onze tijd erg 'in' is. Ook het Schriftberoep alsmede relatie schepping-herschepping is in het geding. De schrijver gaat in een paar slotparagrafen nog in op de na-oorlogse discussie i.v.m. Barth, op de pastorale begeleiding wanneer men te maken krijgt met de zgn. 'overdoop'. Terecht wijst hij op de ernst die velen drijft in hun verzet tegen de kinderdoop. Maar ernst t.a.v. het beleven staat niet borg voor de waarheid. Omgekeerd zal wie er van uitgaat dat onze kinderen behoren in gezin te wezen, zich hebben af te vragen: Hoe beleven we deze doop persoonlijk, ingezin en gemeente. In een tijd van overaccentuering van het gevoel en de beleving hebben we de wind niet mee. Een blik in de historie kan ons leren dat er op dit punt geen nieuws onder de zon is. Laten we ons dan spiegelen aan het geloof van de Hervormers die in hun tijd opkwamen voor de vastheid van Gods Verbond en zijn woorden voor ons en onze kinderen. Moge de lezing van dit geschrift velen helpen in een dieper verstaan van de troost en de rijkdom van onze doop. Van harte aanbevolen.
A. N.
A. N. Hendriks, Om de bediening van de geest, Van der Berg, Kampen 1983, 122 blz., ƒ 16, 50.
Deze bundel bevat een aantal opstellen over ambt, prediking en pastoraat. Achtereenvolgens komen ter sprake de relatie tussen Geest en ambt, de schriftuurlijke fundering van het ambt van predikant, de visie van Schillebeeckx, en de relatie ambt-gemeente. Hendriks toont zich in deze opstellen een deskundig theoloog die uitgaande van het volstrekte gezag van de Schrift en de eenheid van de Schrift de discussie met de eigentijdse theologie niet uit de weg gaat. Een sociologisering van het ambt wordt door hem afgewezen. In een verhandeling over de positie van de zendeling wordt deze m.i. toch wel erg sterk aan de zendende kerk gebonden. Het is de vraag of dat in de huidige constellatie waarin de jonge kerken zelf hoe langer
hoe meer in hèt zendingswerk betrokken raken nog realiseerbaar en wenselijk is. Ook meen ik dat te gemakkelijk gesproken wordt over de relatie tussen de geref. belijdenisgeschriften en de jonge kerken. De artikelen van drs. Plaizier hebben m.i. duidelijk gemaakt dat we er niet zijn met overname zonder meer. Van betekenis zijn twee opstellen over de prediking, nl. wet en evangelie in de prediking, en de catechismusprediking, een vanuit de historie onderbouwd warm pleidooi voor de leerdienst dat we graag bijvallen. Twee opstellen gaan over de functie van de ouderling, t.w. de relatie tot de prediking alsmede de vraag of een ouderling de zegen mag opleggen. Over de betekenis van de zegen aan het eind van de dienst heeft Hendriks schone dingen te zeggen. Ten aanzien van de interpretatie van de groet heb ik toch mijn vragen of het vanuit het N.T. waar te maken is dat deze groet bediening van de verzoening is in uiterste concentratie. De verwijzing naar Luc. 24 : 50-53 is allerminst overtuigd, omdat het daar niet gaat om een groet aan het begin, maar juist om de priesterlijke zegen ten afscheid. Het laatste hoofdstuk gaat over vragen rondom het lijden, pastoraal en theologisch een belangrijk hoofdstuk. Terecht wijst de schrijver de moderne visie van Wiersinga e.a. af. Hier is niets minder in het geding dan de bijbelse visie op de almacht van God. Een belangrijke'bundel die we met name ambtsdragers gaarne ter lezing aanbevelen. Er valt veel uit te
A. N.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's