Schriftgegevens inzake homofilie (5)
Voorop moet staan het luisteren naar hem of haar die ongewild anders is dan anderen en biddend worstelt om met zijn/haar geaardheid een navolger van Christus te zijn.
Vrij breed ben ik ingegaan op de eerste twee hoofdstukken van het gereformeerde Rapport Homofilie. Van de resterende drie hoofdstukken wordt in dit artikel een globale aanduiding gegeven, terwijl dan nog een evaluerende slotbeschouwing volgt.
Horen naar Gods Woord - het beroep op de Schrift
Hoofdstuk 3 gaat over juiste en minder juiste of zelfs onjuiste omgangsvormen met de Bijbel. 'De Schrift is Gods Woord. Tegelijkertijd is dit weerloze Woord een Boek dat mensen op hun manier hebben leren lezen.' Abraham Kuyper had ook op dit punt weer eens een mooi beeld bij de hand: de grote kerkelijke tradities hebben paden uitgeslepen in het landschap van de Schrift, waarlangs de mensen hun tochten ondernemen. Zulke paden zijn onder andere de manieren waarop men normen aan de Bijbel ontleent. Sommige teksten worden naar de letter gehoorzaamd, aan andere wordt minder gezag toegekend. Die keuze is traditioneel bepaald. Zo'n keuze heeft een bepaalde waarde, maar er komt geen absolute betekenis aan toe. In onze dagen zullen we opnieuw in volle verantwoordelijkheid moeten zoeken naar de betekenis van het Evangelie met het oog op vragen die óns, hier en nu, bezighouden. Het beroep op de Bijbel is niet eenvoudig, zeker niet als we eerbiedig naar de Schrift willen luisteren. Zo is het bijvoorbeeld onverantwoord zich voor zijn morele opvattingen louter en alleen te beroepen op het feit dat iets in de Bijbel staat. De vraag blijft welk gebod wél gezag krijgt in het leven van de christenen en welk gebod niet. Dat is een kwestie van uitleg en toepassing van de Schrift. Tegenwoordig gebruikt men in dit verband vaak de term 'hermenentiek'. Men wil naar regels zoeken om zo te trachten willekeur in het Schriftberoep te voorkomen. Bekend is bijvoorbeeld de onderscheiding tussen morele, ceremoniële en burgerlijke wetten in het Oude Testament. Zo'n onderscheiding gaat maar ten dele op, het is een gebrekkige hulpconstructie. Nog op andere manieren wordt gepoogd om in de Bijbel blijvende van tijdgebonden geboden te onderscheiden. Terecht concludeert het Rapport Homofilie dat men zich in zijn beroep op de Schrift inzake moraal niet tot het citeren van bepaalde geboden of verboden mag beperken. We mogen niet zomaar en zonder meer losse teksten aanvoeren. Altijd moet het centrum en het geheel van de Schrift verdisconteerd worden. Men moet alle geboden en verboden uitleggen vanuit het centrale gebod, het liefdegebod! Met al deze overwegingen kan ik van harte instemmen. Maar die instemming houdt abrupt op wanneer vervolgens gesteld wordt: 'Het blijkt onmogelijk om te rechtvaardigen dat men bepaalde teksten wél en andere teksten niét als gezaghebbend voor deze tijd aanvaardt'. Door zo' n uitspraak wordt het zoeken naar een verantwoorde methode bij voorbaat gefrustreerd. Is het niet mogelijk uit de Schrift zélf een aantal hermeneutische regels af te leiden, bijvoorbeeld door te letten op constante elementen in Oude-en Nieuwe Testament? Zonder een dergelijke methode kant en klaar voor ogen te hebben, meen ik toch dat het de moeite waard is er naar te blijven zoeken. En zo moet het mogelijk zijn zónder in willekeur te vervallen, bepaalde teksten wél en anderen niét als gezaghebbend voor deze tijd te aanvaarden. Wanneer de Schrift zelf aangeeft dat de nieuw-testamentische gemeente niet aan (de letter van) bepaalde geboden behoeft vast te houden, dan is er volstrekte vrijheid om er van af te wijken. Maar wanneer de Schrift zelf over de gehele linie richtlijnen handhaaft, is het de Kerk niet geraden zich daarvan ook maar een milimeter te verwijderen.
Op dit punt wijst het Rapport Homofilie ons niet de goede weg. Op blz. 29 wordt betoogd dat de grondregel van liefde en trouw in verschillende culturen en situaties verschillende uitwerkingen krijgt. Daaruit zou dan blijken dat de manier waarop men het centrale liefdegebod begrijpt van situatie tot situatie en van cultuur tot cultuur verschilt. Het is duidelijk dat op deze wijze een bijzonder zwaar accent gelegd wordt op de situatie en de cultuur, kortom op de totale kontekst waarin het Woord vertolkt moet worden. Ik wil de noodzaak van die vertolking niet ontkennen. Maar het is van groot belang in te zien dat de Heilige Schrift ons niet alleen een grondregel in verschillende tijdgebonden concretiseringen biedt. Er is wel degelijk ook een trans-culturele uitwerking, een concretisering die mede normatief is voor ons. Hoezeer de culturele situatie van het oude Israël en van de christelijke gemeente onderling verschilden, niettemin bleken een groot aantal lijnen te kunnen worden doorgetrokken vanwege de gemeenschappelijke oriëntatie op het éne Woord en de éne Wet van de éne God! We zijn dus ook in onze twintigste eeuwse, west-europese situatie en cultuur, zomaar niet klaar met wat Paulus in aansluiting bij Genesis of Leviticus geschreven heeft over de man-vrouw verhouding, of de homoseksualiteit! Als we niet vasthouden aan het normatief karakter van die apostolische uiteenzettingen, zijn we een wissel gepasseerd waarachter we niet meer terug kunnen. We hebben dan in feite het spoor van het gereformeerde Schrift-geloof verlaten en zijn op weg naar het station van een neo-vrijzinnige ervaringstheologie. Hoe voorzichtig en ingehouden het Rapport Homofilie ook formuleert, niet onduidelijk is dat deze wissel hier inderdaad gepasseerd is. In de visie op en het verstaan van de Schrift is dan ook een principiële overeenstemming met en een praktische toepassing van het inmiddels alom bekende rapport over de aard van het Schriftgezag 'God met ons' te constateren. Een rechtstreeks of direct beroep op de Bijbel wordt in alle gevallen uitgesloten. Dat is intussen een ernstige ontsporing! Zeker is nodig dat we geleid door de Geest zicht ontvangen op de Schrift als geheel en zo op Gods bedoelingen. Maar juist vanuit dat zicht en inzicht, zal het Schriftberoep op de letter van de teksten telkens weer plaats moeten vinden. Zo gold het immers ook voor de Heere Jezus zelf bij de verzoekingen in de woestijn? Het 'gegraptai', 'er staat geschreven', was Zijn hoogste wijsheid en laatste woord.
Het gebod en de geboden
Het uitvoerige vierde hoofdstuk (blz. 33-46) handelt over de plaats van de wet in de navolging van Christus. Sterk wordt het liefdegebod als het in de nieuwe genadebedeling bij uitstek geboden gebod naar voren gehaald. De kruisdood van Christus betekende een ingrijpende wijziging in de functie van de wet der geboden. Héél de Wet en elk gebod afzonderlijk is door het kruis en de opstanding van Christus heengehaald en daardoor getransformeerd, wezenlijk van karakter veranderd. Deze transformatie is te omschrijven als een 'binnenste-buiten-keren'. De harde bolster van de wet der geboden 'in inzettingen bestaande' is opengebroken (Efeze 2 : 15). Het liefdegebod kwam als kern uit de bolster naar voren en kon voor de gelovigen nu in volle kracht opbloeien. Niet als een bron voor (nieuwe) regels van dankbaarheid, die 'achter de rug van de genade om' weer intree kon doen. De liefde is een geschenk van de Geest, die als gave tegelijk een impuls is tot Navolging. De geboden zijn voortaan betrekkelijk. Ze dragen het stigma (wond-teken) van het kruis. Behartenswaardige opmerkingen worden in dit verband gemaakt over de betekenis van het liefdegebod. We zullen er goed aan doen in ernstig zelfonderzoek de vraag onder de ogen te zien óf juist in de orthodox gereformeerde traditie niet al te vaak schromelijk vergeten is dat liefde de vervulling van de wet is. En indien ik de liefde niet had, en inmiddels een enorm gedetailleerd gebodenstelsel in mijn hoofd, zo ware ik niets... Er is inderdaad een onbedwingbare neiging tot een wetmatige invulling van de dankbaarheid op te merken. Zo bevat dit vierde hoofdstuk veel goeds. Toch moet gezegd worden dat er op de beeldspraak bolster-kern wel het één en ander af te dingen is. Op blz. 44 worden de gebondenheid aan de apostelische woorden en de eigen verantwoordelijkheid van de gemeente te gemakkelijk (en met een onjuist beroep op 1 Cor. 7!) tegen elkaar uitgespeeld.
De homofiele mens als naaste
Jezus leert ons een manier van naaste-zijn waar we niet vrijblijvend onderuit kunnen. Het grote gebod wordt concreet wanneer de naaste subject wordt, dat wil zeggen dat de ander geholpen wordt zoals hij geholpen wil worden en zoals wij - in een vergelijkbare situatie - dus óók geholpen zouden willen worden. In het vijfde en laatste hoofdstuk worden de gevolgen van dit uitgangspunt voor de kerkelijke benadering van de homofiele naaste aangegeven. Voorop moet staan het luisteren naar hem of haar die ongewild anders is dan anderen en biddend worstelt om met zijn/haar geaardheid een navolger van Christus te zijn. We mogen de homofiele medemens nooit achter een bepaald tekstgegeven laten verdwijnen. Dan zou de wet afstandelijk - aan de overzijde voorbijgaand (Luc. 10 : 31) - gehanteerd worden. 'Men heeft de mens om wie het gaat nog niet goed in de ogen gezien.' Bij homofiele medemensen kunnen de teksten als lood in het hart liggen, juist wanneer ze daar niet slordig en lichtvaardig mee om wensen te gaan! We zullen ons ook als Waarheidsvriend-lezers en lezeressen deze woorden voor gezegd moeten houden en nooit uit het oog mogen verliezen dat het vraagstuk van de homofiele daarom zo netelig en ingrijpend is, omdat het mensen raakt in hun diepste wezen. Het Rapport Homofilie loopt niet uit op een aantal aanbevelingen voor ethische uitspraken die de synode zou moeten doen. Er wordt geëindigd met een appèl om elkander te aanvaarden, groeiend in begrip en voortgaand in bezinning. Dat betekent dat de gemeente homofiel geaarde mede-christenen die na strijd en gebed de beslissing nemen zonder partner door het leven te gaan, biddend zal steunen en dragen. Maar anderzijds hén niet veroordelen 'die - eveneens onder veel strijd en gebed - in de weg van een groeiende kameraadschap een echte vriend of vriendin leren kennen in de bereidheid om lief en leed samen te delen'. Het gaat er echter niet om mensen vanuit de hoogte te veroordelen. In het geding is de vraag of zo'n homoseksuele relatie naar Gods wil kan zijn. Ook na lezing en overweging van het Rapport Homofilie zie ik niet hoe dié vraag, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, positief te beantwoorden zou zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's