De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Woord aan het woord laten! (4)

Bekijk het origineel

Het Woord aan het woord laten! (4)

9 minuten leestijd

Een analitische preek is dus min of meer een bijbellezing, te vergelijken met de oudchristelijke homilie.

Het zou in het kader van deze artikelenreeks te ver voeren om uitgebreid in te gaan op de verschillen tussen Voetius en Coccejus en hun volgelingen: de Voetianen en Coccejanen. Hiervoor verwijzen wij o.a. naar het handboek 'Geschiedenis der kerk' van dr. H. Berkhof en dr. Otto I. de Jong. Voor ons is van belang na te gaan of zij zich met allegorese, vergeestelijken hebben beziggehouden.

Preekmethode

Zowel de Voetianen als de Coccejanen preekten volgens de zgn. analystische methode. Daaronder is te verstaan, dat van een tekst woord na woord wordt verklaard en toegepast. Een analitische preek is dus min of meer een bijbellezing, te vergelijken met de oudchristelijke homilie. Maar al maakten beide groepen gebruik van dezelfde methode, daarna gingen hun wegen toch uiteen. De oude, ook wel dode Voetianen genoemd, zochten het in de dogmatiek. De zuivere leer werd verdedigd en bewezen. De jonge of levende Voetianen legden nadruk op de praktijk der godzaligheid. De Leidse Coccejanen hielden op de preekstoel zeer geleerde betogen, doorspekt met Hebreeuws, Grieks en Latijn. De nieuwe of ernstige Coccejanen waren aanhangers van de allegorische exegese en legden nadruk op het zedelijk leven. Het is alles nogal ingewikkeld en de indeling zoals hierboven gegeven is ook niet zo strak. Toch heeft deze indeling wel zijn waarde, omdat het ons confronteert met allerlei buitensporigheden.

Voetianen

Dat er buitensporigheden waren, is op te merken uit het feit dat bijv. de oude Voetiaan zich kon verdiepen in de vraag of de mens, geschapen naar Gods beeld, geschapen was naar het beeld van de Vader, of ook naar dat van de Zoon en Heilige Geest. En of Adam, toen Eva uit een van zijn ribben geschapen was, daarvoor in de plaats een andere rib gekregen had, dan wel of die plek open gebleven was. De jonge Voetianen wilden van zulke vraagstelling niets weten. Zij lagen het meest in de lijn van Voetius zelf. Zij weken echter op twee punten van hun meester af. Meer dan hun leermeester maakten zij onderscheid tussen de wedergeborenen en de onwedergeborenen. Hiertegen zijn niet zozeer bezwaren in te brengen - de prediking dient nl. altijd onderscheidelijk te zijn - als wel tegen het feit, dat de wedergeborenen werden onderverdeeld in bekommerden, beproefden, ingeleiden, bevestigden en heilbegerigen. Al deze classes werden in de prediking apart toegesproken. Men leze hierover het uitstekende geschrift van dr. T. Brienen nl. 'De prediking van de nadere reformatie'. Het tweede waarin de jonge Voetianen afweken van hun leermeester is, dat zij heel ver konden gaan in de toepassing van een tekst op het persoonlijk geestelijk leven. Wie regelmatig preken van oud-vaders leest, zal dit laatste zéker constateren. Ofschoon direkt neergeschreven moet worden, dat de beste vertegenwoordigers van de nadere reformatie zich in hun prediking min of meer hebben onthouden van allegoriseren. Zij zijn hieraan niet altijd ontkomen. Doch laten wij voorzichtig zijn om ze om deze reden te veroordelen of van geen enkele waarde te achten. Want, welke prediker vandaag ontkomt voor de volle honderd procent aan allegoriseren? Wie durft te zeggen nooit eens een woord, een tekst, een geschiedenis vergeestelijkt te hebben, terwijl men misschien na vele jaren er pas achter kwam, dat die geestelijke strekking niet in dat woord, die tekst, die geschiedenis verborgen lag? Het wordt anders wanneer men opzettelijk allegoriseert, de Schrift geestelijker wil maken dan zij is.

Ernstige Coccejanen

Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken, dat de ernstige Coccejanen wat het vergeestelijken betreft ver buiten hun boekje zijn gegaan. Beter gezegd: er buiten het Boek, d.i. de Schrift. Een grootmeester op dit gebied is Johannes d'Outrein geweest. In 1708 deed hij intrede te Amsterdam. Zijn intreetekst was: 'Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël; Die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elke hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege de schrik des nachts', Hooglied 3 : 7 en 8. Het thema van de preek luidde: 'Salomons bedkamer bewaakt door 60 helden'. Hoezeer d'Outrein deze vergeestelijkt blijkt hierin, dat de bedstede van Salomon de kerk van het Nieuwe Testament is, waar Christus, de hemelse bruidegom, verkeert met Zijn aardse bruid, de gemeente. De zestig helden zijn ten eerste de christelijke overheden, die de tekst bewaken, ten tweede de predikanten, de ouderlingen en de diakenen, maar 'dan toch ook de 'geoefende' christenen. d'Outrein was een echte Coccejaan. Dat blijkt hieruit dat hij de overheid noemt voor de kerkelijke ambtsdragers. In de verklaring van zijn intreetekst zegt hij dan ook nog dat in de tekst over 'helden Israels' wordt gesproken, omdat zij navolgers van Jacob zijn, die zich vorstelijk jegens God en de mensen gedroeg. Hun zwaard slaat op het zwaard des Geestes, en zij hebben het aan de heup, d.w.z. zij hebben het altijd bij de hand, niet alleen in hun huis en hun studeerkamer, maar ook in hun geheugen en in hun hart. Dat het zestig helden zijn heeft een diepe betekenis. Zestig is vijfmaal twaalf. Twaalf is een heilig getal, volgens Openbaring 8 : 5-8 het wortelgetal van de ware kerk. En vijf heeft te maken met Exodus 13 : 18, waar wij lezen, dat de Israëlieten bij vijven uit Egypte trokken. Welnu, vijf maal twaalf levert het getal zestig op. Het heeft naar onze mening weinig zin om hierop in te gaan en dit alles te weerleggen. Wie op deze wijze de Schrift uitlegt en toepast wordt meer beheerst door eigen geest en vernuft dan door de Heilige Geest. P. Geyl merkt terecht op, dat de uitlegkunde op die manier tot een volslagen onwezenlijk vernuftspel wordt.

Een staaltje van vernuft liet ook een Coccejaan horen, toen hij zijn tekst voor de preek nl. Numeri 15 : 12 als volgt aankondigde: Onze tekst is uit de grote oceaan van Mozes, de vierde springbron, de vijftiende emmer, de twaalfde druppel'. Wanneer wij dit lezen kunnen wij een glimlach niet onderdrukken, maar wij moeten niet vergeten, dat dit in alle ernst werd gezegd.

Ook de Groningse hoogleraar Driessen is niet aan allegorese ontkomen. Volgens Driessen verbeeldde het badwater van Betheseda de genade, de engel die in het water afdaalde de priester, en de zieke het Joodse volk.

Het moet gezegd worden, dat dergelijke exegesen als hierboven zijn neergeschreven terecht zowel door de oude als de jonge Voetianen werd afgewezen. Zij hielden vast aan de letterlijk, grammaticale betekenis van de tekst, en wilden van een vergeestelijken in deze zin niets weten.

De geschiedenis bewijst, dat de leerlingen vaak veel verder gaan dan de leermeester en tot extremiteiten komen. De volgelingen van Coccejus zijn ver over de streep gegaan. Coccejus had geleerd: 'De woorden betekenen wat zij kunnen betekenen in het geheel der Schrift'. De volgelingen van Coccejus vergaten: 'de tekst betekent, wat zij kan betekenen'. Daarmee was het hek van de dam. Uitlegkunde werd inlegkunde. Franciscus Burmann las Spreuken 25 : 2 als volgt: 'Het is Gods eer een zaak te verbergen, maar de eer der uitleggers een zaak te doorgronden'. Wanneer men zo met de Schrift omgaat is inderdaad het hek van de dam.

F. A. Lampe

Wij willen dit artikel gaan besluiten met nog een voorbeeld hoe men in de prediking allegoriseerde. Nadat Lampe (1683-1729) 17 jaar predikant is geweest, wordt hij hoogleraar te Utrecht. Hij wil zijn ervaring die hij gedurende 17 jaren van ingespannen predikantswerk heeft opgedaan, in dienst stellen van de studenten in Utrecht. Voor ons is van belang zijn betekenis als prediker. F. A. Lampe geeft aan de ene kant in zijn preken veel aandacht aan de verklaring van de tekst en van het tekstverband. Hij doet als geestverwant van de ernstige Coccejanen. Aan de andere kant is hij niet minder bevorderaar van het bevindelijk preken van de mystieke Voetianen. Dat Lampe bepaald geen aversie had tegen allegoriseren blijkt uit sommige preken die hij heeft nagelaten. Wij wijzen hier slechts op zijn drie preken over het Hooglied. Letterlijk alles wordt hierin vergeestelijkt. Voorzover wij hebben kunnen nagaan is Lampe hierin veel verder gegaan dan Hellenbroek in zijn verklaring van het Hooglied van Salomo, ofschoon ook Hellenbroek hieraan niet is ontkomen. Dat wordt trouwens ook vermeld in de ondertitel nl. 'verklaard en vergeestelijkt door A. Hellenbroek'. Lampe ging echter nog verder. Zelfs al de stoffen waaruit Salomo's koets was opgebouwd wist hij te vergeestelijken. ledere gelovig hart is een liefdekoets van de Heere Jezus. Met het zilver, goud en purper van de koets wordt de drievoudige vrucht van het middelaarsambt van Christus in de harten van de Zijnen weergegeven, resp van het profetisch, koninklijk en priesterlijk ambt.

In Hooglied 3 : 10b lezen wij: het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem'. Volgens Lampe betekent dit: 'In het inwendige Heyligdom der Ziele, opent zich de schouw-plaats der Liefde Christi...'.

Een moeilijke zaak

In ons pastoraat hebben wij mensen ontmoet, levende kinderen Gods, die inderdaad het gehele Hooglied vergeestelijkten. De eerlijkheid gebiedt om te zeggen, dat wij ze hierin niet altijd hebben kunnen volgen. Vooral niet wanneer de sexualiteit een woord ging meespreken, en de lichamelijkheid tussen man en vrouw werd overgebracht op de band tussen Christus en de Zijnen.

Met prof. L. H. van der Meiden zijn wij geneigd te zeggen, dat het Hooglied zich in het geheel niet aandient als een allegorie. Wanneer het Hooglied derhalve allegorisch wordt uitgelegd wordt de historische achtergrond verwaarloosd en kan de grootste fantast de meest wonderlijke dingen zeggen. Wanneer men veronderstelt, dat heel het Hooglied een allegorie is, dan exegetiseert men op grond van die veronderstelde allegorie. Dat is een grote methodische fout van exegetiseren. Hier dreigt het grote gevaar dat de uitleggers, met de beste bedoelingen, hun eigen gedachten dragen in de Heilige Schrift en die gedachten houden voor de geïnspireerde waarheid. Uit de voorbeelden die wij in ons vorig en dit artikel gaven kan men zien, welke dwaalwegen dan ingeslagen kunnen worden.

Wanneer prof. L.H. van der Meiden hierover spreekt wordt hij uiterst scherp. Deze overleden christelijk-gereformeerde hoogleraar schreef in een inleidend woord op het Hooglied: 'de historie van de allegorische exegese kan ons leren welke dwaalwegen dan worden ingeslagen. Op die dwaalwegen wordt, bewust of onbewust, de zin der Heilige Schrift tegengestaan en dus de Heilige Geest bedroefd' . Dit wijze maar scherpe woord moge ons er voor behoeden om in het Hooglied achter iedere tekst een waarheid achter de waarheid te gaan zoeken. De betekenis van het Hooglied bestaat voor ons in het volgende: in het monogame, ideale, heilige huwelijk doorschijnt de heerlijkheid der liefde van Christus tot Zijn bruid, en, als vrucht van Zijn liefde, de liefde van de bruid tot Christus. Dit moet bij de uitleg blijken. Het Hooglied zelf moet ons dit zeggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het Woord aan het woord laten! (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's