De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

Naar een nieuwe schoolstrijd? Het onderwijs is volop in beweging. Niet alleen zijn er vele voorstellen tot vernieuwing van allerlei systemen en methoden, maar vooral de bezuinigingen brengen onrust. Er ontstaat een 'strijd om de leerling'. Elke school wil graag zijn leerlingenaantal op pijl houden. Ten behoeve van de werkgelegenheid. Maar er is het gevaar van oneigenlijke en onzuivere motieven. In Schoolschrift van mei 1973 gaat drs. K. de Jong in op de vrees van velen dat er een nieuwe schoolstrijd op komst is en dat het chr. onderwijs het moeilijk gaat krijgen. De Jong vreest nog iets anders, nl. wat hij noemt 'branche-vervaging' , nl. het gevaar dat én openbaar én christelijk onderwijs zich te weinig van elkaar onderscheiden, te weinig uitkomen voor hun specifieke eigenschappen.

'Om het wat concreter te zeggen: er is sprake van "branche-vervaging" wanneer de openbare school net doet alsof de ouders bij haar ten principale evenveel of nog meer te vertellen hebben als op de bijzondere school.

Als men verdoezelt, dat een keuze voor de openbare school voor ouders in feite (en dat is een mogelijke én legitieme keuze!) betekent dat men de zeggenschap over de school, het onderwijs overlaat aan de overheid. Die is volgens de wet daar het bevoegd gezag. Zodra dat niet meer het geval is, is het een bijzondere school geworden. Maar, hierover hoor je tegenwoordig weinig van de kant van het openbaar onderwijs. Liever beschuldigen ze het bijzonder onderwijs ervan, dat daar de ouders vaak buiten de deur worden gehouden. Maar ook de christelijke, de bijzondere school mag op dit gebied niet aan branchevervaging doen. Dat doet ze, als ze bijv. niet een echte bijzondere school is, d.w.z. als m.n. de ouders (die de grondslag onderschrijven) in de praktijk weinig te vertellen hebben.

Gelukkig mag ik bij mijn vele tochten door het land constateren dat in het overgrote deel van de protestants-christelijke scholen de ouders een hoofdrol spelen. Maar, men blijve attent: het kan nog beter, vooral waar het schoolbestuur een stichting is. Stichtingen zijn eigenlijk ondingen in het christelijke onderwijs.

Er is nog een tweede voorbeeld van branche-vervaging. Openbaar onderwijs betekent ook: onderwijs zonder een bepaalde richting, pluriform. Doch wat zien we: vele openbare scholen zijn allerminst neutraal, ze kiezen duidelijk voor een bepaalde richting. "Een goede linkse openbare school is nooit weg", hoor je nogal eens zeggen. Maar: in feite is dit een innerlijke tegenstrijdigheid. Een openbare school kan nooit kiezen voor een bepaalde richting, dit past niet bij een overheidsschool. Toch gebeurt dat maar al te vaak, en dat is branche-vervaging. Want keuze voor een bepaalde richting komt alleen de bijzondere school toe. Maar die moet dat dan ook doen. Dat wil zeggen: een christelijke school doet ook aan branche-vervaging als zij niet duidelijk voor "dat christelijke" uitkomt, en het zich tot een dure plicht rekent er voortdurend mee bezig te zijn, daar vorm aan te geven, om herkenbaar te zijn en te blijven. Samenvattend: de openbare school blijve overheidsschool, kieze niet voor een bepaalde richting. De christelijke school blijve een bijzondere school, kieze wel voor een bepaalde richting. Dan houden we de zaken zuiver.'

De Jong gaat ook in op de verhalen dat het bijzondere onderwijs zoveel kostbaarder zou zijn dan het openbare onderwijs, hij noemt dit fantasieverhalen. Wat zijn z.i. de feiten?

'a) Dat er een onderzoek ingesteld zal worden naar de kosten van de verzuiling, door het Nederlands Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven. 't Lijkt me redelijk dat dat gebeurt.

b) Dat al enige tijd geleden uit een onderzoek van de Commissie Londo is gebleken, dat het openbaar lager onderwijs op tal van punten duurder is dan het bijzonder lager onderwijs, m.n. op het gebied van de kosten van bestuur en beheer, de administratiekosten, de materiële exploitatiekosten. Daar valt dus zeker iets te bezuinigen. Vast staat in elk geval dat als Nederland alleen maar bijzonder onderwijs zou hebben, dit een aanmerkelijke bezuiniging zou betekenen.

c) Daar komt nog bij dat m.n. vele grote gemeenten allerlei mensen in dienst hebben ten bate van het openbaar onderwijs, zoals eigen inspecteurs en onderwijsdeskundigen, en waarvan de kosten niet worden doorberekend naar het bijzonder onderwijs. Wat ik het belangrijkste vind is, dat we hier in Nederland nuchter, zakelijk en genuanceerd over moeten kunnen praten. Niet op grond van fantasieverhalen, wel op grond van feiten. En ook zonder de indruk te wekken, dat er eigenlijk verborgen doelstellingen zijn, die veel verder strekkend zijn. Er zijn twee fundamentele rechten, vrijheden, afspraken in het geding:

1) De gelijkberechting van openbaar en bijzonder onderwijs. (Dus niet: openbaar onderwijs regel en bijzonder onderwijs uitzondering, luxe.)

2) Het recht op eigen scholen voor hen die onderwijs wensen gebaseerd op hun eigen levensbeschouwing. In twee woorden samen te vatten: gelijkberechtiging en recht op levensbeschouwelijk onderwijs.

Aan degenen die nogal ongenuanceerd hard roepen dat er heel wat te bezuinigen valt op de verzuiling, op het bijzonder onderwijs, zou ik recht op de vrouw, man af willen vragen: Staat u nog voor honderd procent achter de twee bovengenoemde rechten, of zijn uw aanvallen daar eigenlijk op gemunt?

Op dat punt vind ik, dat er veel meer duidelijkheid moet komen. Laat men zich eerlijk uitspreken! Dit is bovendien ook dringend nodig nu er allerlei veranderingen in het basis-en voortgezet onderwijs aanstaande zijn. Deze worden onvolstrekt onmogelijk als ze gepaard zouden gaan met een nieuwe schoolstrijd.'

De christelijke school zal ook de hand in eigen boezem moeten steken, vindt De Jong. Hoe zuiverder zij het pand bewaart, dés te meer heeft ze recht van spreken. Ze zal zich duidelijk dienen te profileren. Ik meen dat dit terecht gesteld is. Lauwheid en vaagheid zijn de grote gevaren die het christelijk organisatieleven bedreigen. Tegelijk dient gezegd te worden dat deze profilering in onze tijd niet eenvoudig is. Maar bezinning en bewustwording is wel broodnodig. Als we overtuigd zijn dat het Evangelie perspectieven biedt, zal dat ook tot uiting dienen te komen in heel de schoolwereld. De Jong schrijft: 'Juist het geloof van een christen geeft hem het uitzicht op een betere wereld, niet in de eerste plaats in een "hiernamaals", maar vooral "hier en nu'". Ik vraag me wel af: hoe is dit bedoeld? Men versta mij wel: ik pleit niet voor onzuivere tegenstellingen. Juist wie weet van het 'hiernamaals' zal zich hebben in te zetten in het 'hier en nu'. Maar of wij hier en nu van een betere wereld kunnen spreken is voor mij de vraag. Zullen we nooit verder komen dan flitsen en fragmenten, een klein begin? En juist de zekerheid van de nieuwe wereld die God doet komen dwars door de crisis heen, geeft moed en volharding bezig te blijven. Maar nogmaals: De Jong's pleidooi voor een chr. school die bezig is en blijft met het gestalte geven aan de christelijke identiteit is me uit het hart gegrepen. Als de school daar ernst mee maakt zal ze in een eventuele schoolstrijd niet weerloos zijn. Mits ze gaat en staat in de wapenrusting van het Evangelie.

***

Worms een bezoek waard

Naar aanleiding van het Lutherjaar gaf het Centraal Weekblad van 11 mei een Luthernummer uit. Daarin schrijft H. Gringhuis over de Luthersteden in de Bondsrepubliek die z.i. een bezoek meer dan waard zijn. Over Worms schrijft hij:

'Wat de betekenis van Maarten Luther als reformator betreft, viel het op, dat zijn naam en werk in ons land veel meer betekenis heeft dan in Duitsland zelf. Hij is daar één van de grote zonen die dit land heeft voortgebracht. Wél beschikt men over een meer dan ruime kennis van Luther's leven. Frappant was op te merken dat een van de begeleidsters een r.k. vader had en een moeder die evangelisch was. Na haar Konfirmation was zij niet meer in de kerk geweest. Andere begeleiders behoorden tot de r.k. kerk. De route langs de Luthersteden begon in Worms, de stad waar Luther in 1521 voor de Rijksdag verscheen.

Van het Johanniterhof, waar Luther verbleef na zijn aankomst, is niets meer te vinden. Een gedenksteen in de Hardtgasse is het enige dat aan Luther's verblijf herinnert. En deze gedenksteen is aangebracht in de gevel waar nu een herenmodezaak is gevestigd, en waar men daarnaast ook nog een broodjeszaak en een juwelier aantreft. Worms was de reformator destijds niet vijandig gezind. Hij werd zelfs met gejuich binnengehaald. Men kan dus zeggen dat deze stad reformatorisch vriendelijk gestemd was. De stad kreeg haar bekendheid door de verschijning van Luther voor keizer Karel de Vijfde. De keizer had besloten dat hij Luther niet ongehoord zou veroordelen, zoals zijn vijanden dat wilden. Hij zou in de gelegenheid gesteld worden om zich te verantwoorden. Op 17 april 1521 begint dr. Johann van Eek met het verhoor. Men wil dat Luther zijn geschriften zal herroepen. Meer werd van hem niet verlangd. Hij vraagt bedenktijd en bij zijn nieuwe dagvaarding ontstaat er een discussie waarop Von Eek hem toevoegt, dat men niet bijeen is om te discussiëren. Daarop antwoordt Luther: ''Daar uwe keizerlijke majesteit en uwe hoogheden een eenvoudig antwoord vragen, zal ik het onomwonden en ondubbelzinnig geven. Als ik niet door het getuigenis der Schrift op redelijke gronden overtuigd word, want ik geloof noch de paus noch de concilies alleen, daar het volkomen duidelijk is dat zij vaak gedwaald hebben en met zichzelf in tegenspraak waren - ben ik door de woorden van de Heilige Schrift die ik noemde, gebonden in mijn geweten en gevangen in Gods Woord. Daarom kan en wil ik niets herroepen, want het is onjuist en gevaarlijk iets tegen het geweten te doen". Daarop volgden de bekende woorden: "Hier sta ik. God helpe mij almachtig.-Amen''. Van het Rijksdaggebouw is net als van het Johannieterhof niets meer over. Alleen een gemetselde steen met het opschrift ''Hier stand vor Kaiser und Reich Martin Luther 1521" duidt de plek aan waar Luther gestaan moet hebben.

Luther is tot 25 april in Worms gebleven, de dag waarop dr. Von Eek hem mededeelde, dat er maatregelen tegen hem genomen zouden worden en dat zijn vrijgeleide nog drie weken zou gelden. Op de terugreis werd hij op 9 mei, niet ver van Eisenach door keursaksische ruiters ''overvallen" en naar de Wartburg gebracht, waar hij begon aan de vertaling van het Nieuwe Testament.

In de onmiddellijke omgeving van de plek waar Luther stond, staat de schitterende Kathedraal uit de 11e eeuw. Op één van de muren is ook weer een gedenksteen aangebracht, waarop in het kort de historie van Worms beschreven staat. Men leest "dit is een van de gedenkwaardigste plaatsen van het Avondland. Hier bevond zich de heilige tempelwijk van de Romeinen, de koningsburcht van de Nibelungen, het paleis van keizer Karel de Grote, het hof van de vorstbisschop van Worms, door de Fransen verwoest in de jaren 1689 en 1794. Meer dan honderd Rijks-en Vorstendagen vonden hier plaats. Hier stond voor keizer en rijk, Martin Luther''.

In Worms staat ook het zeer bekende Luthermonument, dat tot stand kwam met geldelijke bijdragen uit Europa, Noord en Zuid-Amerika. Het werd gebouwd door Ernst Rietschel en in 1868 onthuld. Uit de annalen blijkt, dat deze onthulling een groot feest voor de evangelische christen was. Meer dan 20.000 mensen waren aanwezig, waaronder talrijke vorsten. Het monument bestaat uit afbeeldingen van personen en wapens van steden, die de Reformatie steunden. In het midden staat Luther, omgeven door Hus, Wyclif, Waldus en Savonarola.

In Worms staan ook een aantal evangelische kerken. De oudste kerk is de Magnuskirche uit 1411. Deze kerk werd in 1945 bij een bombardement zwaar getroffen en werd in 1953 herbouwd. Dat lot trof ook de Reformations-Gedachtniskirche zur heiligen Dreifaltigkeit (1709-1725), de Friedrichskirche en de Lutherkirche. De Lukaskirche is een kerk die door de Amerikaanse Lutheranen geschonken werd als noodkerk in 1950. Worms biedt op dit terrein nog veel meer dat het bezoeken waard is. Het stadsmuseum bezit een Lutherbibliotheek, er is een Lutherboom, - een sage vertelt, dat een in de grond geplaatste stok uitgegroeid is tot een geweldige iep. Het zou gelden als een waarheidsbewijs hoe de leer van Luther in Duitsland uitgegroeid is - en tenslotte is er nog een doorgang te zien in een van de oude stadsmuren, dat de legendarische naam draagt van "Lutherpförtchen".'

Ook Spiers en Augsburg zijn zeer de moeite waard. En natuurlijk de vele, vele 'Lutherstatten' in de DDR. Mocht u deze zomer naar Duitsland gaan, overweeg dan eens om het nuttige met het aangename te combineren en eens op zoek te gaan in de plaatsen waar de grote Reformator leefde en werkte. Aan goede gidsen en lectuur is geen gebrek. Naast de vele nieuwe publicaties zijn de boeken van W. J. Kooiman nog altijd boeiend en belangwekkend.

***

Man en vrouw elkaar tot hulp

In een artikelenreeks in het Kerkblaadje gaat dr. W. Aalders in op de betekenis van huwelijk en gezin in onze tijd. Hij pleit voor een ernst maken met het scheppingsgegeven van het huwelijk. Man en vrouw zijn door God aan elkaar gegeven om elkaar te complementeren en te verrijken. Samen zijn zij volledig mens. Aalders meent dat niet alleen het huwelijk, maar heel de samenleving daarop gebouwd is.

'Het is daarom een kapitale fout met trieste gevolgen voor alle geledingen van de maatschappij om óf de man óf de vrouw in volledige zelfstandigheid naast of tegenover het andere geslacht te plaatsen en min of meer tot elkaars concurrent te maken. Een nieuwe klassenstrijd zou er het gevolg van zijn, maar dan één die invreet tot in de huiskamers en de gezinnen. Er mag hier geen sprake zijn van het elkaar verdringen om de voorrang of van het elkaar misgunnen van voorrechten. Beiden hebben voorrang en voorrechten, maar op verschillend terrein. Ook zijn beiden onderbedeeld en achtergesteld daar, waar de ander krachtens aanleg en roeping glorieert. Het komt er maar op aan, dat men geleerd heeft de andersoortigheid te erkennen en dankbaar te zijn voor de rijke geschakeerdheid die man én vrouw vanaf de schepping als gave Gods hebben meegekregen. Wie daar oog voor gekregen heeft, kan niet anders dan de Schepper prijzen over Zijn menigvuldige rijkdommen in de andere geaardheid en roeping van man en vrouw. En als uitvloeisel ervan zal de één de ander uitnemender achten dan zichzelf.

Ik durf mij er niet aan te wagen, een opsomming te maken van wat gerekend zou moeten worden tot de wezenlijke kenmerken van de man of van de vrouw. Onuitputtelijk zijn de mogelijkheden, die sluimeren in man zowel als in vrouw. Een belangrijke factor erbij zijn de omstandigheden en de tijd, waarin zij leven. In een bepaalde situatie kan daardoor man of vrouw uitgroeien tot een grootheid, die anders nooit verwerkelijkt zou zijn. De Bijbel geeft daar treffende voorbeelden van, niet alleen bij mannen als de richters en de profeten, maar ook bij vrouwen. Ik noem slechts de wijze vrouw van Tekoa (II Samuel 14), de vrouw uit de stad Abel-Beth-Maächa die de bewoners der stad van de dood redde (2 Samuel 20), en de heldin Rizpa (II Samuel 21). Ook onze vaderlandse geschiedenis kent voorbeelden te over van wat uit een man of een vrouw groeien kan onder bijzondere omstandigheden. Elke schematische indeling van wat de karakteristieke eigenschappen zijn van de man of van de vrouw schiet tekort. Noch man noch vrouw weet, waartoe hij of zij in staat is als de tijdsomstandigheden een beroep op hen doen. Hoofdzaak is, dat zij hun man-zijn of vrouw-zijn beleven en aanvaarden als een roeping, bijna zou ik zeggen: als een ambt. Ik ben er zeker van, dat elk mannen-of vrouwenleven dan iets uitstraalt van de grootheid en heerlijkheid van de Schepper.

Zó gezien moet het wel een gans verkeerde instelling genoemd worden als er een strijd ontbrandt over de vraag, wie de meerdere is en wie het recht heeft om te domineren. Zelfs het compromis van een machtsevenwicht van man en vrouw is onjuist. Noch overwicht noch evenwicht past in de verhouding der geslachten. Het gaat lijnrecht in tegen de bedoeling van de Schepper. Man en mannin zijn bestemd om elkaar te completeren, aan te vullen en in elkaars behoeftigheid te voorzien. Soms is de vrouw de zwakkere, maar niet zelden de man. Als het goed is tussen beiden, weten zij van elkaars zwakheden en komen daarin voor elkaar op. Zo worden zij tot een geheimzinnige twee-eenheid. Eén plus één is hier niet twee, maar drie. Samen vormen zij een eenheid van hogere hoedanighed. De rijkste en hoogste vorm ervan is huwelijk en gezin.

Die eenheid is echter geen vanzelfsprekende en natuurlijk zaak, maar een roeping die slechts in het geloof tot stand komt. Daarom was het vanouds gewoonte om te spreken van: in het huwelijk treden en van: de huwelijkse staat. Men aanvaardt een ambt. Daarmee hangt het ook samen, dat in de Bijbel het huwelijk een verbond genoemd wordt. Een verbond wordt gesloten voor Gods aangezicht. Hij heeft ons ertoe geroepen. In het huwelijk staat men onder ede, zoals dat ook het geval is met de aanvaarding van de roeping tot het priesterschap of het koningschap. Vandaar dat in de Oosterse kerk de huwelijksvoltrekking ook wel genoemd wordt: kroning (stefanosis). Men is gebonden tot het nakomen van de verplichtingen, die met roeping samenhangen. Maar ook draagt men erin mee de belofte van zegen. Prachtig is in dit verband het woord uit Prediker 4: "Een drievoudig snoer wordt niet spoedig verbroken". Het beeld, dat hier gebruikt wordt, is dat van een uit drie strengen gevlochten koord, namelijk man, vrouw en de Here God. Het huwelijksverbond is zulk een gevlochten koord!'

Ik meen dat dit alles ook voor een juiste waardering van het verschijnsel emancipatie van belang is. Wie een revolutionaire emancipatiedrift afwijst zoals die zich maar al te vaak voordoet, zal tegelijk oog moeten hebben voor het wettige verlangen naar een samenleven van man en vrouw in huwelijk en gezin waarbij beiden elk met de geschonken gaven tot hun recht komen. De eerlijkheid gebiedt dat de door Aalders gesignaleerde en door hem afgewezen machtsstrijd, ook onder ons niet afwezig is. Laten we bedenken: Christus maakt vrij tot de dienst der liefde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's