De Dokkumer Wouden, kerkelijk en geestelijk
Het koude hoge noorden (10)
Waren ze er maar nooit uitgegaan. Want wat men toen wilde ontlopen, dat vinden we nu in onze eigen kerk.
In het boek 'Beproefde Trouw' (herdenkingsbundel 75 jaar Geref. Bond in de Ned. Herv. kerk, blz. 67) beschrijft prof. dr. C. Graafland twee godvrezende ouderlingen, van wie de ene in 1886 ging doleren, terwijl de andere bleef in de Ned. Herv. kerk. Eerstgenoemde was volgens overgeleverde getuigenissen meer dan de actieve man van de daad, meer op leer en plicht gericht en minder bevindelijk ingesteld. Laatstgenoemde, die bleef, was van aard meer ingetogen, bang om met menselijke activiteiten de Heere voor de voeten te lopen, maar met meer gevoel voor geestelijke vragen en zielenoden. Prof. Graafland merkt dan op, dat het voor de kennis van de Doleantieperiode de moeite waard is om dergelijke getuigenissen te vergaderen, maar dan moet het wel gauw gebeuren, anders zijn ze niet meer te achterhalen.
Kerlielijk of geestelijk
Persoonlijk mocht ik te Wouterswoude nog dergelijke getuigenissen noteren uit de mond van zeer oude mensen, die de eerste generatie van dolerenden nog goed hebben gekend. Ik vroeg wat toch de reden kon zijn, dat er in 1881 een viertal personen uit Wouterswoude belijdenis deed bij ds. J. J. A. Ploos van Amstel te Reitsum, terwijl toch de Hervormde Gemeente van Wouterswoude duidelijk van gereformeerde signatuur was. Het waren Johannes van der Schaaf, Sybe van der Galiën, Jan Gosses Hoekstra en Ruurd Gosses Hoekstra. Van hen stonden met name Johannes van der Schaaf (alias Johannes Timmerman) en Jan Gosses Hoekstra bekend als godvrezende jongemannen. Ook werden genoemd een Mient Mients Bouma, Jan Jilderda en Elle van der Veen. Laatstgenoemde was terwille van zijn vrouw gereformeerd geworden. Maar ten aanzien van anderen werd mij heel eenvoudig en duidelijk verteld: deze mensen zochten het aanvankelijk meer in het kerkelijke dan in hel geestelijke. Later braken sommige van hen echter meer door in het geestelijke en kwam het kerkelijke meer op de achtergrond. Inderdaad waren er zo te Wouterswoude verscheidene godvrezende mensen, die aanvankelijk wel in doleantie waren gegaan vanuit een zeker kerkelijk activisme, maar die het geestelijk al spoedig niet meer in de Gereformeerde Kerken konden vinden. Deze mensen kwamen dan soms niet meer in de kerk, maar hielden thuis gezelschappen. Iemand als Johannes van der Schaaf had er zelfs pertinent bezwaar tegen om zijn kind nog in de Geref. kerk te laten dopen en hij schaamde zich niet om weer bij de Hervormden ter kerk te gaan. Van zo'n gelegenheid - zo werd mij verteld - moet zijn vrouw gebruik gemaakt hebben om tóch, buiten aanwezigheid van de man en zonder zijn weten, het kind in de Geref. kerk te laten dopen. Dat was in de dagen dat de Hervomde Gemeente gediend werd door ds. J. H. Koster (1918-1923), die kerkgangers trok van heinde en verre. Anderen bleven ondanks bezwaren de Gerf. kerk wel trouw en trachtten zo lang mogelijk het bevindelijke element er te bewaren. Inmiddels is dat echter, overeenkomstig het landelijke beeld, nagenoeg verdwenen, zeker van de kansels.
Was het maar nooit geschied!
Een oudere gereformeerde zei mij eens: 'Het goed, waar onze ouders voor gestreden hebben in de Doleantie, dat vinden we nu bij jullie. Waren ze er maar nooit uitgegaan. Want wat men toen wilde ontlopen, dat vinden we nu in onze eigen kerk'. Wij zien dus hoe in de periode van een mensenleeftijd de Gereformeerde Kerken wel zeer van gedaante zijn veranderd. Waar zijn de rechtzinnigen gebleven, die zij met geweld zo wegzogen uit de Ned. Hervormde kerk?
Daarentegen is er in tal van Hervormde Gemeenten in Friesland, hoezeer zij ook onder de uittocht van dolerenden hadden geleden, steeds nog een rechtzinnige onderstroom gebleven. Soms leidde dit tot de vorming van (meest confessionele) evangelisaties. Die te Kollum en te Hardegarijp kregen op den duur zelfs weer de Hervormd-gereformeerde signatuur. Maar de meeste confessionele evangelisaties in Friesland zijn inmiddels weer in de plaatselijke Hervormde Gemeenten opgenomen, waarbij men dan helaas meestal verviel tot de midden-orthodoxie. Trouwens, de midden-orthodoxie liet ook in het algemeen de confessionele gemeenten niet onberoerd. Waren de Friese confessionelen vanouds nog behoorlijk 'bevindelijk' van inslag, thans is het oude confessionele element ver te zoeken, hoewel daar ook nu nog onder het rechtzinnige kerkvolk dikwijls wel een hunkering naar is. Helaas bemoeilijken thans allerlei onrechtzinnige moderniseringen (b.v. Liedboek en de vrouw in het ambt) de toegang voor Schriftuurlijk-bevindelijke predikers en bevorderen het toenemende verval, ook daar waar toch nog enige klankbodem voor die prediking zou zijn.
Zo moeten wij vaststellen, dat de slag die de Hervormde Kerk in Friesland van de Doleantie te verduren kreeg, gevolgd door het snel toenemende verval in de Hervormde en Gereformeerde kerken, een historische verklaring geven voor het huidige dieptepunt van de kerkelijke en geestelijke situatie in Friesland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1983
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1983
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's