De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Betreffende het rapport over homofilie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Betreffende het rapport over homofilie

Drs. S. Meijers op hervormde synode

11 minuten leestijd

De kernvraag waar alles om draait is deze, hoe men de bijbelse gegevens inschat.

Er is denk ik alle reden toe de leden van de commissie te danken voor hun persoonlijke inzet en voor hun openhartigheid. Niet alleen de openhartigheid waarmee zij hebben geschreven, vooral in de meer persoonlijke stukken, maar ook voor de wijze waarop zij met hun gemeenschappelijke verlegenheid voor de dag zijn gekomen. Zij hebben zich hun verwarring niet geschaamd. Zij hebben de afgeronde vorm vermeden, waardoor de dingen dichtslaan en er iets ontstaat dat als een juk kan gaan werken waar een ieder onderdoor moet. Laten de verschillen in inzicht in en gebruik van de Schrift maar openkomen, en laten mensen maar uitspreken op welke wijze dingen in hen leven: het dient het onderling begrip. Keerzijde is echter dat het m.i. af te raden valt dit rapport - als het al een rapport mag heten - de gemeente in te sturen. Het is niet rijp daarvoor, evenmin als het spreken der kerk over het verschijnsel homofilie tot rijpheid is gebracht.

Ik maak nu een paar inhoudelijke opmerkingen waarmee ik hoop de voortgaande meningsvorming in de kerk te kunnen dienen.

1. De kernvraag waar alles om draait is deze, hoe men de bijbelse gegevens inschat. De fout die bij herhaling gemaakt wordt is deze, dat men, op grond van het feit dat de bijbel de homofiele praxis ontmoet heeft in het heidens leefpatroon, de overhaaste conclusie trekt dat, met de actualiteit van dit heidens leefpatroon, ook die van het verbod van de homofiele praxis achterhaald is. Men gaat dan voorbij aan het feit dat het cultische en het algemene dooreenlopen en onafscheidelijk zijn. Met name in Leviticus 18 komt het verbod van de homosexuele praxis voor in de huwelijksdekaloog: het gaat hier door elkaar om het algemene én om de cultus. Hetzelfde geldt voor Romeinen 1 waarin algemene uitdrukkingen - het beroep op de orde Gods - en cultisch gebonden waarschuwingen elkaar afwisselen.

Hoe men ook over het rapport van de Gereformeerde Kerken denken mag, exegetisch vinden we hierin alle materiaal dat nodig is, ook dat ter ondersteuning van de algemeenheid van het verbod van de homofiele praxis.

Het voorafgaande betekent dan concreet dat de bezinning der kerk naar mijn overtuiging dar zou moeten inzetten waar dit harde schriftgegeven erkend is. En wij als mensen de ervaring opdoen dat de geopenbaarde wil van God niet blijkt te kloppen op de werkelijkheid die zich onontwijkbaar aan ons opdringt: dat de homofiele medemens niet alleen bestaat, maar ons ook als naaste is toegewezen. Het gebod Gods en de gegeven werkelijkheid liggen met elkaar overhoop.

Aan deze kernvraag is de commissie vanwege de onderlinge verschillen niet toegekomen. Dit is begrijpelijk, maar met name in het minderheidsstandpunt van dr. Hoek is naar deze grondvraag zelfs niet verwezen, terwijl men het toch juist daar zou verwachten.

2. Hieraan aansluitend ondersteun ik de opmerking van de commissie van rapport, dat het eigenlijk ondoenlijk is aan een commissie op te dragen tot een standpuntbepaling te komen inzake de vragen rondom de homosexuele praxis, zonder dat de wijze waarop men met de Schrift als kerk om dient te gaan duidelijk is geworden. Toen 'Klare Wijn' verscheen bevonden wij ons in een situatie waarin de vloedgolf van het denken vanuit de menselijke ervaring ons nog niet overspoeld had. In enkele tientallen jaren zijn wij in een andere cultuursituatie terechtgekomen. Ik heb geen enkele behoefte te pleiten voor een nieuw groot boek, of voor een buurman van het rapport van de Gereformeerde Kerken over het Schriftgezag, maar het zou voor de kerk uiterst verhelderend zijn als de verwarring inzake het schriftgezag eens door de kerk zelf zou worden uitgesproken. Een kerk die in een motie schuld heeft beleden over haar eigen verdeeldheid, om zo de weg naar de Gereformeerde Kerken te effenen, mag toch gevraagd worden die schuld ook in te vullen, en open te leggen welke scheidslijnen er door de kerk heenlopen wanneer het gezag van de bijbel aan de orde wordt gesteld, temeer omdat dit altijd weer het onderhuidse probleem is dat in alle discussies speelt. In dit geval is de kernvraag deze: heeft iets dat in de bijbel doorlopend als een verbod terugkeert voor ons in het heden het karakter van een verbod, ja of nee.

3. De opmerking van de commissie van rapport op blz. 2 en 3, dat het vreemd is dat de gedachte van een voortgaande openbaring door de commissie wordt afgewezen, is m.i: volkomen ter zake. De algemene en gemeenschappelijke afwijzing van de gedachte van de voortgaande openbaring is uiterst bevreemdend. Men beseffe: de voortgang van de openbaring is niet in het geding - anders zou de kerk haar bestaansgrond kwijt zijn - maar de voortgaande openbaring, het voortgaan van mededeling van openbaringsinhouden. De vraag of het openbaringsproces ons in het heden dingen opleveren die niet uit de Schrift zijn geput, maar uit de werkelijkheid.

Wie de bijbel iets anders laat zeggen dan hetgeen er staat, nl. dat de homofiele praxis verboden is, ontkomt aan de gedachte van de voortgaande openbaring niet. Het is daarbij om het even hoe men te werk gaat. Men kan de eigen leefwereld of ervaring te hulp roepen, en deze aanwenden als criterium voor de beoordeling. Onze leefwereld stelt zich dan in plaats van het schriftgetuigenis. Wij zijn dan bezig de bijbel te herinterpreteren aan de hand van onze eigen gedachten over de rechte humaniteit. Men kan ook anders te werk gaan, en een tussenconstructie bedenken die de stelling moet onderbouwen dat weliswaar de bijbel de homofiele praxis verbiedt, maar dat datgene wat in de bijbel doorlopend verboden is het nog niet voor óns hoeft te zijn. Dan wordt deze tussenredenering maatgevend en stelt zij zich in de plaats van het gezag van de Schrift. Hoe ook, men verwerft zich op deze wijze openbaring die niet in de bijbel staat. Waaraan ontleent men dit recht? Naar mijn overtuiging is de gemeenschappelijke afwijzing van de voortgaande openbaring dan ook een tegenstelling in zichzelf.

4. Ik ontdek in het spreken der kerk een sterke dubbeltongigheid. Bij het vraagstuk van de homofiele praxis is de scheppingwet in het geding, voor zover aan ons mensen geopenbaard. Het 'van den beginne', de vraag naar wat de schepping is naar Gods bedoeling. Wanneer nu in de zaak van de atoombewapening de argumentatie ter tafel komt, worden bijbelgegevens over de schepping haast tot over de grens heen uitgebuit: het rentmeesterschap, de opdracht in het gebruiken van de aarde haar ook te dienen, het perspectief van de nieuwe aarde enz. Komt echter de homofiele praxis ter sprake, dan is ieder beroep op enige scheppingsordening opeens verdacht omdat het niet klopt op hetgeen waar wij naar toe willen. Dan gaat het opeens over de individuele menselijke humaniteit en over de waarden die ook de homofiele naaste onze cultuur schonk. Of zou het wellicht zo zijn, dat het scheppingsmotief én het humaniteitsmotief hetzelfde zijn, nl. beide ingekaderd in één grondgedachte, nl. dat wij onze belevingswereld schepping noemen, om door dit woord gedekt vanuit die belevingswereld frank en vrij stellingen te betrekken? Dat alle spreken over schepping of humaniteit op dezelfde wijze horig is aan de gedachte van zelfontplooiing? In dit geval - en ik vrees dat het aan de orde is - is er in heel de kerk sprake van de vervanging van het schriftgetuigenis door een neventhema. Hetgeen dan mijn vraag naar duidelijkheid - althans enige duidelijkheid - inzake de wijze van omgang met de Schrift weer meerder klem geeft.

5. Ik ben dankbaar dat de commissie eenstemmig is op het punt van de gelijkwaardigheid van homofielen en heterofielen. Het misverstand moet de wereld uit dat het feit dat men vraagtekens zet bij de homofiele praxis op enigerlei wijze een discriminatie zou inhouden van de homofiel. Of, dat dit vraagteken-zetten iets te maken zou kunnen hebben met de geschiedenis van maatschappij en kerk die ons laat zien hoezeer de homofiele medemens is geschoffeerd. In deze hebben we ook als kerk grote schuld, en ons te schamen. Wij zijn geen naaste voor de homofiel geweest, en hebben hem de mogelijkheid ontnomen voor ons een naaste te zijn.

Tegelijkertijd moeten we er nu voor op onze hoede zijn dat de pendel niet nodeloos ver doorslaat. Wanneer ik lees en hoor van de geweldige inbreng van de homofiel in de menselijke humaniteit, een inbreng die de heterofiel zo niet biedt, is mijn vraag deze: welk criterium wordt hier aangelegd voor wat rechte humaniteit is? Men versta mij goed: ik denk dat het waar is dat de cultuurgeschiedenis veel aan homofielen te danken heeft, en mensen veel aan homofiele medemensen. Alleen: de vraag of iets gerechtvaardigd is wordt niet beantwoord uit hetgeen het oplevert en opgeleverd hééft, maar aan de hand van de norm voor het mensenleven. Wanneer we niet oppassen verschuift de discussie van het gebod naar het rendement. Dan treedt een typisch consumptieve beoordeling in de plaats van een normerende. Dan hebben we meegewerkt de pendel te laten doorslaan en zijn we het probleem als een probleem dat zich meldt tussen enerzijds de Schrift en anderzijds de werkelijkheid, wéér ontlopen.

6. Ik heb mij laten overtuigen door hetgeen mij uit de gereformeerde traditie is aangereikt dat de manvrouw-verhouding van grondslagleggende betekenis is voor heel de schepping, in samenhang met die van Christus met zijn bruidsgemeente, goed voor de schepping dus, en goed voor de mensen daarin, en in deze overtuiging ben ik, hoe wonderlijk het wellicht klinkt, gestimuleerd door hetgeen Barth schrijft over deze verhouding als grondgestalte van de humaniteit. In onze positiekeuze ten aanzien van de homofiele praxis, of deze al dan niet gerechtvaardigd is, staat de rechte humaniteit op het spel waarvoor de kerk geroepen is op te komen. Voor deze rechte humaniteit wil ik mij niét beroepen op zaken als: puurheid van humaniteit bij homofielen, of: veelkleurigheid van menselijke gevoelens en belevingen. Ik heb geen enkele behoefte ze te ontkennen, maar acht ze als argument niet ter zake. Ik ben niet bereid mij op de werkelijkheid te beroepen ter wille van de beantwoording van de waarheidsvraag. Wél op de schepping, maar dan niet op andere wijze dan dat dit in de bijbel zélf gebeurt, en bij herhaling. Nooit op de schepping-sec, als ervaringsgegeven, maar altijd op de schepping zoals deze in de bijbel zelf ter sprake wordt gebracht.

Vanuit deze grondhouding keer ik nu terug naar mijn tweede punt: het conflict tussen enerzijds de ondubbelzinnige taal van de Schrift, en anderzijds de onontwijkbare werkelijkheid bij hem of haar voor wie ik een naaste heb te zijn. Daar ligt het eigenlijke probleem, en zou de bijbel ons nu werkelijk in dat probleem niet kunnen bijstaan? Mógen we zeggen: 'Het moet maar buigen of barsten?' Is dat bijbeltaal? Ik zeg hier, en ik hoop dat u bewogenheid herkent in deze haast banale woorden: 'Het zal je kind maar wezen'. Moeten we dan niet niéuwe vragen aan de orde gaan stellen, vragen die niet ter tafel zijn gekomen omdat de hele discussie al te zeer is opgeëist door die ene vraag 'of het nu ja of nee mag, of zelfs moet?' Vragen die aan de orde komen in de werkelijkheid bij mensen die met een gebod geconfronteerd worden dat op hen of op hun kinderen niet schijnt te kloppen? Ik vraag: 'Wat betekent 1 Cor. 13, het hoofdstuk over de liefde die alle dingen hoopt, en draagt, en zelfs bedekt, concreet voor de christelijke gemeente?' 'Heeft het antwoord hierop soms ook betekenis voor wat we de gemeente te melden hebben straks?'­

Als ik het goed hoor worden vragen in deze geest, zij het fluisterend, op het ogenblik gesteld in fundamentalistische kringen, die kringen waarin men altijd een uiterst rechtlijnige opstelling bepleit heeft ten aanzien van de homofiele praxis. Het zal goed zijn voor de kerk daarnaar te luisteren. Ik denk dat daar de eigenlijke vragen liggen: daar waar het schijnt alsof mensen aan de naleving van het gebod te gronde zullen gaan. Wie deze vraagstelling eenmaal in de werkelijkheid van concrete mensen heeft ontmoet, zal er nooit meer aan voorbij kunnen gaan. En zal naar de Schrift grijpen als een om raad verlegene.

Ik vrees dat deze commissie of een commissie als deze aan dit huiswerk niet toe kan komen, omdat de verwarring aan de herkenning voorafgaat. Nochtans geloof ik dat dit het eigenlijke huiswerk van de kerk is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Betreffende het rapport over homofilie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's