De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Doop, avondmaal en ambt

Bekijk het origineel

Doop, avondmaal en ambt

Een zich opdringende nieuwe visie (3)

11 minuten leestijd

Komende tot een nadere bepaling van het ambt wordt in de Verklaring gebruikt het woord representatie. Het ambt heet allereerst representatie van het volk Gods (II. 10) en vervolgens, dus pas in de tweede plaats representatie van Jezus Christus (II. 11).

Terminologie

Wij zijn toegekomen aan het derde gedeelte van de Verklaring van de Wereldraad van Kerken over Doop, eucharistie en ambt, dus: het stuk over het ambt.

Het is - om maar dadelijk met de deur in huis te vallen - meer dan erg wat men daar van gemaakt heeft. Alleen al de terminologie die gebruikt wordt kan bij een reformatorisch christen niet anders dan hevig verzet oproepen. Over de plaatselijke gemeente wordt meer dan eens gesproken als een 'eucharistische gemeenschap' (III.27 en 30). Over ambtsdragers wordt gesproken als 'bisschoppen' en 'priesters'. Wij lezen van het 'episcopale ambt' (IV.38) en worden ertoe opgeroepen een 'apostolische successie' te aanvaarden (idem). De 'ordinatie' heet een 'sacramenteel teken' (V.41).

Ik behoef hierbij niet op te merken dat dit katholiserende uitdrukkingen zijn, iedereen weet wel dat men onder andere in de roomskatholieke kerk deze en dergelijke uitdrukkingen er op nahoudt. En het zijn niét alleen maar woorden en namen, de rooms-katholieke werkelijkheden worden eveneens overgenomen en geaccepteerd. Weliswaar enigszins gemoderniseerd, in de lijn van Vaticaan II of nog een paar stappen verder, maar nog duidelijk hun afkomst verradend.

De inzet

De inzet van dit stuk over het ambt is: 'De roeping van het gehele volk van God'. Sinds in de rooms-katholieke kerk een nieuw theologisch denken op gang is gekomen kunnen roomse theologen met deze inzet instemmen. Er is op zich ook geen bezwaar tegen, mits maar het eigene van het bijzonder ambt in de kerk tot uitdrukking wordt gebracht.

Maar reeds onmiddelijk wordt in deze Verklaring de hele wereld erbij betrokken. Want het heet dat Jezus zich gaf tot een offer 'voor allen'. Daarmee is weggevaagd het particuliere in de verzoening, het particuliere van de gemeente, en ook van het ambt. De woorden van Petrus, dat de kerk een 'uitverkoren geslacht' is (1 Petrus 2 : 9) zijn geheel uitgeschakeld. Er loopt geen scheidslijn tussen kerk en wereld. Van de kerk kan in dit verband alleen gezegd worden, dat zij een 'voorlopige gestalte' is van het rijk Gods, en dat rijk Gods omvat dan de hele wereld (1.4). Er valt in de Verklaring als het gaat over de kerk in haar geheel, een eenzijdige nadruk op het 'getuigenis' en het 'liefdebetoon'. Maar Petrus zegt in de aangehaalde tekst dat het de roeping is der gemeente de deugden te verkondigen van Hem die haar geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. En Paulus heeft de gemeente genoemd een pilaar van vastigheid en waarheid (1 Tim. 3 : 15). Van al deze zo wezenlijke gegevens uit de Heilige Schrift vindt men in dit stuk niets. Er wordt trouwens in heel deze eerste paragraaf maar één bijbeltekst aangehaald en die heeft nog maar zijdelings met de zaak die behandeld wordt, wat te maken. Eigen gedachtenspinsels nemen de plaats in van het Woord des Heeren.

Presentatie

Komende tot een nadere bepaling van het ambt wordt in de Verklaring gebruikt het woord representatie. Het ambt heet allereerst representatie van het volk Gods (II. 10) en vervolgens, dus pas in de tweede plaats representatie van Jezus Christus (II. 11). De volgorde is typerend. Het komt niet helder tot uitdrukking dat het ambt een instelling van Christus is, dat er een goddelijke roeping nodig is, dat het ambt in de allereerste plaats dienst is aan het Woord Gods, dat de ambtsdragers met het Woord Gods tegenover de gemeente staan (waar zij zelf als gemeentelid bij inbegrepen zijn).

Niet de dienst des Woords staat in deze Verklaring centraal, maar de viering van de eucharistie (II. 14). De ambtsdrager is hier allereerst de bedienaar van het sacrament van het avondmaal, hetwelk hier eucharistie wordt genoemd. Zijn ordinatie (bevestiging), zo heet het, moet plaatsvinden in de eucharistie (net zoals in de roomse kerk gebeurt, V.41). Geen wonder: die ordinatie is, aldus deze Verklaring, een 'sacramenteel teken'.

Waar de Reformatie voor gevochten heeft, nl. dat het Woord Gods weer centraal zou komen te staan, zoals ook in de tijd van het Nieuwe Testament in het werk van Christus Zelf en van de apostelen, dat is hier weer ongedaan gemaakt.

De bisschopsfiguur

Wij hebben al opgemerkt dat de naam bisschop wordt gehandhaafd. Het is een naam met talloze associaties. Niemand denkt bij de naam bisschop aan een gewone predikant, een dienaar des Woords. Men heeft bij deze naam een bovenlokale ambtsdrager voor ogen. Een ambtsdrager die staat boven de plaatselijke dienaren, die, in de kerk van Rome en elders, priesters worden genoemd. Welnu, zo'n figuur wordt nu ook hier in deze Verklaring voorgedragen. Het ambt van het opzicht wordt aangeduid als het 'ambt van eenheid'. De bisschopsfiguur zou 'de dienst van eenheid op het regionale vlak' uitoefenen (III.27). En zulk een dienst zou in de kerk nodig zijn! Met andere woorden: wij hebben bisschoppen nodig, en onder 'bisschoppen' verstaat de Verklaring dan figuren zoals wij allen kennen uit de rooms-katholieke kerk! Van deze bisschoppen heet het, dat zij staan mogen in een 'apostolische successie', dat wil zeggen: in een onafzienbare rij vanaf de dagen der apostelen. Het kan bekend zijn dat de kerk van Rome aan deze apostolische successie een beslissende waarde voor het ambt toekent. De Verklaring roept op haar als een 'teken' te waarderen en te aanvaarden (IV.38). Zij zegt ook - met typische roomse bewoordingen - dat de bisschoppen zorgen 'voor de legitieme overdracht van de ambtsvolmacht in de kerk' (III.29). Hierin lees ik dat het de wens van de Wereldraad is, dat niemand meer gehouden zal worden in de kerk van de toekomst voor een legitieme ambtsdrager dan alleen wie door een bisschop is benoemd en aangesteld. Hiermee klopt ook wat even verderop wordt gezegd (V.39) dat de ordinatie (bevestiging) zal moeten worden verricht door mensen 'die daarvoor aangesteld zijn', dus: bisschoppen! Over de paus wordt niets gezegd. Wijselijk gezwegen. De zaak ligt te gevoelig. Maar, is hij daarom binnen het kader van hetgeen in deze Verklaring over het ambt gezegd wordt een onmogelijke figuur? Ik meen van niet. Als men eenmaal een bisschop heeft geaccepteerd, ligt principieel gezien, de weg naar een paus open. Men heeft dan nl. het ambt losgemaakt van de lokale gemeente; men heeft dan een figuur geschapen die zeggenschap kan uitoefenen over een aantal andere gemeenten dan die ene waarin hijzelf werkzaam is; en men heeft dan het personele losgemaakt uit het collegiale, en op zichzelf gesteld. Als er regionale bisschoppen kunnen zijn, waarom zou er dan ook niet een wereldwijde paus kunnen zijn als bisschop der bisschoppen? Maar dat zal wel het volgende punt van bezinning zijn op het program van de commissie voor Geloof en Kerkorde. Als eerst maar eens aanvaard is wat nu ter tafel ligt.

Religieuzen

Hoever men het pad van Rome (en andere katholieke kerken) is opgegaan, blijkt ook uit hetgeen gezegd wordt over de zogenaamde religieuzen, dat wil zeggen: leden van een of andere monniken-of nonnen-orde. Zij worden zonder stoot of slag aanvaard. Hoor maar: 'Religieuzen vervullen een dienst die van bijzonder belang is voor het leven van de kerk' (III.32). Wij krijgen dus de kloosters weer terug. Och, waarom ook niet? Van een genade, die lijnrecht tegenover een gerechtigheid uit de werken der wet weet deze Verklaring immers niet.

Heilige Schrift

Nu zou men kunnen zeggen: Maar de Heilige Schrift zegt tóch ook het een en ander over het ambt? Dat is zeker waar. Maar: Volgens deze Verklaring kunnen wij het allemaal rustig terzijde schuiven. Er is volgens haar in het Nieuwe Testament zulk een 'veelvoud van vormen' dat er geen norm aan is te ontlenen. Dus wég met al die woorden van de apostelen waarin zij spreken over opzieners, ouderlingen en diakenen. Er is niet, zegt de Verklaring 'één exclusief nieuwtestamentisch patroon' (III.22). Dat Calvijn en onze gereformeerde vaderen met uiterste zorgvuldigheid, omdat zij een absoluut gezag van de Heilige Schrift erkenden, ook ten aanzien van de ambten en de inrichting van de kerk, uit die Schrift hebben afgelezen, dat er in dé kerk drieërlei ambt moet zijn, zoals men lezen kan in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 30 dat wordt hier door de heren van Geloof en Kerkorde met een machtspreuk aan de kant gegooid. En inplaats daarvan kiest men dan een orde die meer rooms is dan protestants, ja dwars ingaat tegen al wat reformatorisch is. Is die dan soms bijbels? Neen, zullen zij wel zeggen. Maar dan de vraag: En waar haalt u haar dan vandaan? Het antwoord zal wel moeten zijn: uit ons oecumenisch verlangen en uit hetgeen, naar ons besef, de tijd heden vereist. Maar dan vraag ik: Kan men daar een kerk op bouwen? Is de kerk soms iets waar wij mee mogen doen naar het ons goeddunkt? Is zij niet het lichaam des Heeren? Heeft niet Hij, Hij alléén, het recht om te zeggen hoe men zich in Zijn Huis gedragen moet?

Vrouw en huwelijk

Ik kom tot een laatste punt. De Verklaring is, zoals nu wel gebleken is, sterk katholiserend. Maar daarnaast is zij ook modern. De kerkopvatting en daarmee verbonden de ambtsopvatting die hier wordt voorgedragen verschilt niet veel van wat men bij moderne rooms-katholieke theologen over kerk en ambt lezen kan. En dan horen er twee dingen bij, die tot op de dag van vandaag in de rooms-katholieke kerk nog niet verwezenlijkt zijn. Men laat daar nog geen gehuwde priesters toe, en men laat er nog niet de vrouw tot het ambt toe. De Verklaring voert voor beide een pleidooi. Er staat: 'God kan zowel gehuwden als ongehuwden voor het kerkelijk ambt gebruiken' (V.45). Het spreekt voor zichzelf dat wij hier niets tegen willen inbrengen. Maar van de kant van de rooms-katholieke hiërarchie zal er, dunkt ons, nog een zware wijs moeten opgaan, eer deze stelling wordt geaccepteerd.

Wat betreft de vrouw in het ambt, lezen wij: 'Waar Christus aanwezig is, worden menselijke grenzen doorbroken', en dan volgt een pleidooi om ook de vrouw tot het kerkelijk ambt toe te laten. Aan het slot van deze paragraaf staat: Toch zijn veel kerken van mening dat de traditie van de kerk in dit opzicht niet veranderd mag worden' (II. 18). Ik maak hierbij de volgende opmerkingen. In de eerste plaats, ik protesteer ertegen dat hier gesproken wordt over 'menselijke' grenzen die moeten worden doorbroken. Het onderscheid tussen man en vrouw is niet een grens die ooit door mensen getrokken is. De Schrift legt dit onderscheid vast in de schepping Gods. En Christus is wel gekomen om de zonden te verzoenen en de mensen te verlossen, maar niet om het scheppingswerk van Zijn Vader ongedaan te maken. Als Paulus zegt dat er in Christus geen man of vrouw is, een tekst waarnaarde Verklaring verwijst (Gal. 3 : 28), dan mag men dit woord niet losmaken uit het verband waarin Paulus dit zegt. Hij spreekt hier over de eenheid der kinderen Gods. Hij zegt: Gij zijt allen één in Christus Jezus. Er blijkt uit dit Schriftgedeelte allerminst dat deze eenheid in Christus opheft het door God Zelf gestelde onderscheid tussen man en vrouw, neen, zij veronderstelt zelfs dit onderscheid. Eenheid kan er alleen zijn op basis van onderscheid.

Vervolgens, de Verklaring laat het voorkomen alsof het weigeren van de vrouw tot het ambt een zaak van traditie is. Over de zogenaamde 'zwijgteksten' schijnt men nooit wat gehoord te hebben! Het is waarlijk niet slechts een zaak van traditie. Het is een zaak van een duidelijk Schriftgetuigenis! Het is onmogelijk dat wie de vrouw in het ambt aanvaardt, gelooft in het absolute gezag van het Woord Gods. Maar in heel deze Verklaring is nergens sprake van dat absolute gezag, dat is, zoals wij al steeds hebben aangetoond, haar eigenlijke manco.

Ik keer terug tot het begin. Er is ons vanwege de Commissie voor Geloof en Kerkorde de vraag voorgelegd: In hoeverre kan uw kerk in deze tekst het geloof van de kerk door de eeuwen heen herkennen? De vraag is listig gesteld. Er wordt niet gevraagd de tekst van de Verklaring te toetsen aan de belijdenis van eigen kerk. En nog minder haar te toetsen aan Gods woord. Neen, eigen belijdenis komt niet eens in aanmerking. Daarvoor in de plaats stelt men 'het geloof van de kerk door de eeuwen heen'. Ik vraag: Welk geloof? Een grootste gemene deler soms van wat in alle bij de Wereldraad aangesloten kerken in de loop der eeuwen geloofd is? Waar vind ik dat geloof dat hier tot norm verheven wordt? En welke eeuwen tellen allemaal mee? Ik wil maar zeggen: de norm is vaag. De bedoeling zal wel zijn dat wij de Verklaring toetsen aan het geloof dat in deze Verklaring zelf vertolkt wordt. Dus: de Verklaring toetsen aan haar zelf!

Ik neem de vrijheid om deze norm te verwerpen. Als de Verklaring op de kerkelijke vergaderingen aan de orde wordt gesteld, dan zal zij, naar ik hoop, naar Geneve worden teruggestuurd (daar wacht men immers op een antwoord) met slechts dit ene woord erbij: Onaanvaardbaar!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Doop, avondmaal en ambt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's