De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

We zijn toch zo gek nog niet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

We zijn toch zo gek nog niet

9 minuten leestijd

Een beetje een populair opschrift boven een stuk dat de bedoeling heeft om de aandacht te vestigen op een wetenschappelijke publicatie, verschenen in de serie Apeldoornse Studies, van de hand van dr. W. H. Velema, onder de titel 'Hoe Christelijk is de Christelijke ethiek? '

Het probleem

Hoeveel christenen hebben niet van anderen die dit niét wilden zijn, gedacht: wat zouden zij parels in de gemeente, wanneer zij aan die gemeente zouden mogen worden toegevoegd. We zijn dan onder de indruk, niet alleen van hun handel en wandel, maar ook van hun fijngevoeligheid en innerlijke adel. Het kan ons zelfs tot jaloersheid verwekken, hoe goed we er wellicht ook van doordrongen kunnen zijn dat christen-zijn en hoog scoren in het vak van de 'deugd' - wat deze dan ook zijn moge - twee heel verschillende zaken zijn, en dat christen-zijn niet afleesbaar is aan enige - christelijke - prestatie.

Dan kan ook de volgende gedachte opkomen: is er dan buiten de bijbel om geen enkele goede potaarde te vinden waarin het plantje van een sierlijke en heilige levenswandel bloeien kan, en gaat het met die andere aarde eigenlijk niet net zo goed? Zou de Heere Zich niet zo in de wereld weren dat buiten de Bijbel om het meest nodige voor een christelijk leven óók te vinden is?

Dit zijn vragen van mensen en van christenen, en de theologie doet niets anders dan deze vragen onder ogen zien, wil zij in het leven van de gemeente blijven wortelen. Dit doet Velema dan ook, en vandaar de titel van zijn boekje.

Een grootste gemene deler?

Stel nu eens dat het 'christelijke' in de christelijke ethiek iets is wat iedereen hebben kan, doordat hij het zich verwerft buiten de Bijbel om, wat is dan de betekenis van het christelijk geloof nog voor de ethiek? Deze kan dan weinig méér zijn dan de aan de Bijbel ontleende 'motivatie', de gezindheid. Een christen is dan iemand die net als de wereld het goede zoekt en doet, daarbij uit dezelfde bronnen leeft als de wereld, en daar tenslotte zijn geloof aan toevoegt - een geloof dat dan ook niet echt noodzakelijk is om het goede te kunnen doen.

Dit is nu wat men in theologie 'de evidentie van het ethische' noemt. Men neemt dan aan dat er in het geweten, het verstand of het invoelingsvermogen, of in alle drie, zoveel zedelijkheid steekt, dat wij, mensen, best in staat zijn om aan de werkelijkheid de nodige normen te ontlenen voor het rechte leven. We hebben als het ware allemaal een zedelijke grootste gemene deler gemeen. Wie in dit verband dan nog over openbaring wil spreken, kan dit alleen doen door deze grootste gemene deler als een gegeven te zien dat van God komt, of door God in te schakelen bij het kiezen van de norm die voor ons de goede is, maar de normen blijven er even onafhankelijk van de Bijbel door. Heeft men het bestaan van deze grootste gemene deler eenmaal aanvaard, een ervaringswerkelijkheid waarin ieder deelt en waarin de normen voor het oprapen liggen, dan nóg staat het een ieder vrij zijn eigen norm uit te kiezen, zelfs om het een 'algemene norm' te noemen, zelfs 'wil van God'. Dit neemt echter het feit niet weg dat deze normen niet uit de Schriftopenbaring stammen, maar uit de mens en zijn ervaring. Theologisch uitgedrukt: de mens 'emancipeert' zich van het zedelijke: hij maakt er zich vrij van. Niet de norm is eerst, maar hij is zélf eerst, daarna kiest hij uit de normen die zich aanbieden.

Wanneer de zaken in moderne theologie zo blijken te liggen, gaat de titel van Velema's boekje nog meer spreken. Immers, wanneer we de gedachtengang van de onafhankelijke moraal, van de 'autonomie van het zedelijke', verwerpen, wat maakt dan het christelijk leven christelijk? Wat is het eigene?

Velema als apologeet

Velema is vaak daar op zijn best waar hij de zwakte van anderen kan aantonen, hun grondstelling blootleggen, hun ballonnen doorprikken, en zo ruimte te maken om aan te tonen dat het eigen standpunt 'zo gek nog niet is', juist niet voor iemand die behalve zijn hart ook zijn hoofd gebruiken wil. De schrijver heeft een wat apologetische instelling: hij spreekt van zich af met de bedoeling iemand aan het vragen te brengen, en zo naar zich toe te halen. Vroeger was 'apologetiek', zij het soms onder andere naam, zelfs een officieel theologisch vak, en mijnentwege mag het in ere hersteld worden.

De stelling van Velema is nu dat deze grootste gemene deler niét bestaat, dit overal zedelijk evidente, die werkelijkheid als een broedplaats van normen. Er is niet zoiets als een universeel geldend normbesef dat ons ethiek - bezinning op de norm - oplevert.

Nu kunnen we ter ondersteuning van deze stelling al genoeg hebben aan het Schriftgetuigenis van bijv. Rom. 1 en 2 dat ermee afrekent - het nieuwe is blijkbaar het oude in een nieuw kleed - . Velema zegt er echter nog iets bij dat alle aandacht verdient en mij bovendien uit het hart is gegrepen: op het eerste gezicht lijkt het alsof de aanvaarding van een allesomvattende 'evidentie van het zedelijke' de mensen samenbindt. Is hier niet iets wat we allemaal gemeen hebben? In de praktijk is het echter iets dat juist het tegengestelde bewerkt: het doet de mensen uiteenvallen. Immers, zodra de mens onafhankelijk maakt, autonoom, in staat om zijn eigen normen te ontdekken en te kiezen, buiten de openbaring om, heeft men een mens voor zich die aan zichzelf genoeg heeft, dus ook geen ander nodig heeft. De gedachte van de 'evidentie van het zedelijke', hoezeer ook uitgebreid over alle mensen, maakt de mens een eenling. Zo'n mens kan zich alleen nog maar thuisvoelen en herkend worden in een groep van gelijkgezinden en - denkenden.

Terecht noemt Velema dit 'empirisch pragmatisme' . 'Empirisch': de normen worden uit de ervaring, de empirie van een mens, geboren. 'Pragmatisme': ieder 'bedenkt' zijn norm al naardat hij zélf is, of zijn cultuur is, en beoordeelt die norm dan aan de hand van de vraag of hij 'werkt, het doet, voor hem deugt'. Anders kan hij er immers niet mee uit de voeten. Samengevat: de stelling van de algemene evidentie van het zedelijke werkt juist vervreemdend, vereenzamend, maakt mensen tot monaden in plaats van tot één geheel, tot atomen in plaats van tot een lichaam.

Heil en theocratie

In afweer van en als alternatief vóór de autonoom gemaakte zedelijkheid stelt Velema de openbaring.

De openbaring is allereerst: de heilsopenbaring. Hierin ligt immers de wet al besloten. De verhouding tot God is van meet af aan bepalend voor onze levenshouding. Ik gebruik even een voorbeeld: wie op zijn trouwdag ja zegt en die unieke relatie aanvaardt die wij huwelijk noemen, zegt daarmee, al doet hij dit niet hardop, nee tegen iedere met het huwelijk vergelijkbare relatie en tegen iedere handelswijze die het welzijn van het gesloten huwelijk verstoort. Ja zeggen tegen de Heere betekent tegelijkertijd dat men kiest voor een aan de regels en wetten gebonden levenshouding die bij dit geloofsantwoord horen.

Voorts voert de schrijver de algemene openbaring in. Hij wijst er op hoezeer deze zich, ondanks de zonde, bij alle mensen krachtens de overrnacht Gods doet gelden, en hoezeer deze een platvorm schept waarop christenen en niet-christenen elkaar ontmoeten, en, voegen we eraan toe, van elkaar kunnen leren. Wie aan de algemene openbaring vasthoudt komt dan ook, in tegenstelling tot modern denken, niét bij de vereenzaming uit. Waar de autonomiegedachte de mens tot enkeling maakt, maakt die van de algemene openbaring de mens juist tot medemens, tenminste wanneer hij de algemene openbaring goed gebruikt.

Nu is er uiteraard groot onderscheid tussen het leven uit Gods gaven in de algemene openbaring en dat uit het heil Gods: daar zit het geloof tussen. Wie nu vraagt naar het 'christelijke', ' het eigene van de christelijke ethiek, krijgt dan ook ten antwoord: dit zit in het werk van de Heilige Geest. Hij is het Die de geboden voor ons open doet gaan en ons het houden van de geboden leert, in de weg van de liefde.

Hoewel Velema het niet met zoveel woorden zegt, moet de vraag 'Hoe Christelijk is de Christelijke ethiek? ' dus óók open blijven: men kan over de christelijke ethiek vele fundamentele dingen zeggen, maar men kan het christelijke nooit helemaal de maat nemen.

Velema als wegwijzer

Met grote nadruk wijst Velema er op, dat het leven uit het geloof en met gebruikmaking van hetgeen God in Zijn algemene openbaring schenkt, het leven dus naar de geboden Gods, een wéldaad is voor de mensen. De gehoorzaamheid bindt mensen samen, in tegenstelling tot de autonomiegedachte die juist verdeelt en vereenzaamt. De wet Gods is goed voor het mensenleven. Het is erg goed het zo nog maar weer Qens duidelijk te stellen, in een tijd waarin zij die ook de letter van het gebod willen laten meetellen telkens te horen krijgen dat zij het zijn die de communicatie en de solidariteit met de wereld verbreken. De zaken liggen bijbels gezien, net andersom.

Ik schreef hierboven 'We zijn zo gek nog niet'. Een wat populaire titel. Toch: bewijzen wij de wereld niet een geweldige dienst wanneer we haar de wet voorhouden, omdat het deze wet is die bij de scheppingsopenbaring aansluit, daarom universeel is, en mensen samenbindt, en doet de wereld er niet 'wijs' aan om daar acht op te geven? En moeten we er dan maar niet gelijk bij zeggen dat de invoering van een soort algemene zedelijkheid die op de bodem van de werkelijkheid ligt en waaraan een ieder zijn normen ontlenen kan, de mensenwereld juist versplintert? Juist omdat men het tegendeel zo luiddruchtig en als voor geen tegenspraak vatbaar beweert.

Slot

Natuurlijk heb ik ook vragen bij hetgeen Velema geschreven heeft. Bijvoorbeeld of hij (de intellectualistische) Kuitert niet te veel op één lijn zet met (de meer personalistische) Rothuizen; en of hij het onderscheid tussen Pannenberg en Ebeling wel voldoende in rekening gebracht heeft; en of hij de algemene openbaring niet wat overbelast; en of er niet meer spanning zit tussen het historische heilsdenken en het theocratische denken dan bij hem blijkt; en of hij wel een echt concreet antwoord op de vraag van zijn titel gegeven heeft, al zou het maar het antwoord zijn dat een sluitend antwoord niet te geven is; en waarom hij wél de (later nationaal-socialistische) A. D. Muller gepakt heeft, en niet de zoveel sympathiekere Brunner. Dit zijn echter alle vragen van de school, van de theologie, die hier niet verder thuis horen.

Ik denk dat de Theologische Hogeschool te Apeldoorn zich bepaald niet hoeft te generen voor de manier waarop zijn rector in september 1982 met het uitspreken van deze rede zijn taak overdroeg.

W. H. Velema, Hoe christelijk is christelijke ethiek, Apeldoornse Studies, uitgave Kok, Kampen, ƒ 14, 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

We zijn toch zo gek nog niet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's