Referaat voor de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 18 mei 1983 in 'De Schakel' te Nijkerk.
Heilige Schrift-natuur-cultuur (I)
Aard en aanleiding van het onderwerp
- op een dag als deze ontmoeten we allerlei oude bekenden. Mensen die we niet dagelijks en ook niet wekelijks tegenkomen, die we wellicht van jaar tot jaar juist op de jaarvergadering van de Geref. Bond aantreffen. Mag ik u vragen in de lijn van de opwekking van de apostel Paulus in 1 Thess. 5 : 26 'Groet al de broeders met een heilige kus', of u elkaar hartelijk gekust hebt? Neen, zult u zeggen, daarmee zouden we een vreemd figuur hebben geslagen. Maar we gaven elkaar de hand, de rechterhand van de gemeenschap! Intussen nemen we daarbij de vrijheid om af te wijken van de letter van de Schrift en dat omdat we in een andere cultuurwereld leven waar de handdruk in vele gevallen de plaats heeft ingenomen van de kus. Daarmee zijn we dan meteen midden in ons onderwerp, de verhouding van openbaring en cultuur, ofwel 'Heilige Schriftnatuur-cultuur'. Ds. Abma die dit voorbeeld ergens aanhaalt (in de bundel Het hoge Woord, Amsterdam 1976, blz. 75), voegt er terecht aan toe: 'aan een klein voorbeeld zien wij de volle omvang van het vraagstuk waar het om gaat'. Ex ungue leonem - aan een nagel wordt de leeuw herkend.
Heilige Schrift-natuur-cultuur
Aanleiding tot de keuze van dit thema voor de jaarvergadering is een passage in het boek van prof. dr. G. Th. Rothuizen (hoogleraar ethiek aan de Th. H. van de geref. kerken - syn. - te Kampen), Een bezige bij - of de gereformeerde zede bestaat niet meer (Kampen 1980). Op blz. 84 van dit boek wijst Rothuizen op allerlei veranderingen in de zede, afbuigingen van de tot voor kort gangbare moraal. Een andere man-vrouw verhouding, een andere attitude ten aanzien van sexualiteit en gezag. Hij schrijft dan 'dat kan gemakkelijk als een aanslag worden ondergaan op het, althans volgens de gereformeerde zede, eigenlijke in het leven: het gezag van de bijbel. Dat hoeft niet het geval te zijn. Het is verbazingwekkend - of vanzelfsprekend! - te zien dat en hoe gereformeerden zelfs hun huidige afwijkingen van de bijbel nadrukkelijk o.a. aan deze zelfde bijbel wensen te ontlenen en dat zonder deze te laten buikspreken'. Rothuizen geeft dan een voorbeeld ontleend aan 1 Cor. 11 : 14v. Paulus is daar bezig met het aantonen en benadrukken (terwille van een zekere onderdanigheid van de vrouw aan de man) van het verschil tussen de geslachten. Hij zegt dan: 'of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is? Maar zo een vrouw lang haar draagt dat het haar een eer is, omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?' Kijk - merkt Rothuizen op - 'De apostel geneert zich dus niet om i.p.v. enkel op het schriftuurlijke zich ook op het natuurlijke te beroepen. Nu weten wij dat "het natuurlijke" niet bestaat omdat het varieert van tijd tot tijd en van plaats tot plaats. Het "natuurlijke" is het "cultuurlijke". D.w.z. in andere tijden en op andere plaatsen - bijv. in onze tijd en cultuur - zullen wij weer andere dingen als "natuurlijk" ondergaan dan Paulus. Intussen heeft hij ons zelf een alibi gegeven om van zijn visie af te wijken. En dat zou dan ook wel eens kunnen gelden, niet alleen terzake van een even andere man-vrouw ver houding, maar óók terzake van iets, dat Paulus als toppunt van onnatuurlijkheid uit de grond van zijn hart meende te moeten verwerpen: de homofilie'.
Een bijbels alibi?
Tot zover dit brede citaat van Rothuizen waaraan deze de conclusie verbindt: 'zo kunnen zelfs afwijkingen van de bijbel met een beroep op dezelfde bijbel tot stand komen'. Immers, als Paulus de vrijheid nam zich op de 'natuur' ofwel 'de cultuur' te beroepen, dan hebben wij die vrijheid niet minder. Dan kunnen we bijvoorbeeld stellen: door de culturele ontwikkelingen hebben wij een heel andere kijk gekregen op het verschijnsel homosexualiteit dan die welke bij de bijbelse auteurs gevonden wordt. De natuur zélf leert ons vandaag dat er niets op tegen is wanneer homofielen in hun relaties tot homosexuele praxis komen. Een andere culturele ontwikkeling is bijvoorbeeld de uitvinding van 'de pil' als anticonceptivum: Hier voert een nieuwe techniek tot een nieuwe zede - men kan immers de geslachtsgemeenschap vóór het huwelijk nu niet langer zomaar onverantwoordelijkheid voor de voeten werpen! In zijn van 1973 daterende boek Wat is ethiek? gaat Rothuizen breder op deze zaken in. Hij bestrijdt dat 'christelijke ethiek' enkel 'christelijk' zou zijn. De bijbel zelf maakt ons immers attent op allerlei waardevols dat buiten Israël is te vinden. In het boek Spreuken werden wijsheden van buiten Israël, algemene regels van goed en kwaad, ordeningen des levens aangehaald. En Jezus gebruikt zelfs in de Bergrede de niet specifiek israëlietische, noch specifiek christelijke 'gulden regel'. Paulus greep in zijn onderwijs aangaande de levensheiliging terug op wat de heidense filosofie van de Stoa hem te bieden had. Zo zou de Bijbel ons een alibi, zo niet een verplichting verschaffen om óók rekening te houden met wat wij, vandaag, in onze cultuur als buiten bijbelse waarheid, goedheid, schoonheid en wijsheid ondergaan. Het bijbelse ethos moet gezien worden in de historische contekst van de toenmalige cultuur. Zo was Paulus kind van zijn tijd. En wij zijn als bijbellezers kinderen van onze eigen tijd. Daarom kan het christelijk ethos in 1983 onmogelijk gelijk staan met het ethos in de Bijbel. 'Ga maar na. Een christelijk echtgenote zal haar man zien thuiskomen met een man-vrouw verhouding, die hij uit de bijbel overgeschreven heeft! Daar - in de bijbel - ontkomt men toch niet aan de indruk, dat de man eerst komt en daarna de vrouw, terwijl een dergelijke volgorde in de staat der Nederlanden zelfs verboden is in zoverre de man niet langer hoofd is van het gezin' (a.w. 110). 'Tenslotte krijgt men niet de indruk, dat christen-homofielen zich in de praktijk van hun liefde ernstig laten storen door uitvallen als die van de apostel Paulus in Romeinen 1. En zal men hen dat kwalijk nemen? ' (a.w., 111).
Een nadere verantwoording van deze standpuntbepaling heeft Rothuizen gegeven in een debat met dr. S. Meijers uit Leiden (Wapenveld 32-1, februari 1982). Ook daarbij stelt hij weer: 'En zo veroorloven wij ons af te wijken van de Schrift, zij het met een beroep óp de Schrift'. We mogen ons tegenover de bijbelheiligen beroepen op de algemene opninie in onze dagen, in onze cultuur - en we zouden daarmee niets anders doen dan de vaderen uit de Reformatietijd in hun voetspoor volgen. Bekend is immers dat ook bij Calvijn door Rothuizen een 'tweeërlei ethiek' gesignaleerd is. Een terugdringen van het specifiek christelijke door de aparte aandacht voor het natuurlijke en cultuurlijke. Wellicht horen we op die stelling vanmiddag nog kritisch commentaar van drs. de Reuver.
Referaat voor de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 18 mei 1983 in 'De Schakel' te Nijkerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's