Uit de pers
Omgang met God
Het blad Credo (juni '83) schenkt aandacht aan het thema 'omgang met God'. De redactie wijst er in de inleiding op dat veel mensen het er moeilijk mee hebben. Velen, zich beroepend op de mondigheid weten geen raad met het gebed. Anderen, aangetast door de twijfel aan de zin van het leven zitten met de vraag naar de verhoring. Ds. L. H. Kwast schrijft in zijn bijdrage dat geloof en gebed zijde en keerzijde zijn van dezelfde zaak. Als God de grote Onbekende wordt in de wereld dan is het gevolg een vaderloze wereld die haar eigen weg gaat. In de Bijbel komen we op elke bladzijde mensen tegen in gesprek met God. En Kwast wijst vooral op de omgang van onze Heere Jezus Christus met Zijn Vader.
'Christus zelf heeft voor zijn gebed de eenzaamheid gekozen. Of in het vallen van de avond of op een steenworp afstand van zijn vrienden in de Olijvenhof. Hij heeft voor het gebed ook de eenzaamheid aanbevolen (Mattheus 6:5).
We willen aan het gemeenschappelijke gebed in de eredienst niet tekort doen door te stellen dat gelovigen hun stille tijd nodig hebben. Er is al vaker herinnerd aan Voorthuizens Doleantie-predikant mr. dr. Willem van den Bergh (1850-1890) die elke dag begon met langdurig gebed in de studeerkamer en daarbij niet mocht worden gestoord! Van den Bergh moest niets hebben van het gebed als religieuze noodrem: een tussentijds beroep - het zgn. schietgebedje - op een tovergod die ijlings te hulp word geroepen. Bidden is het eerste werk van het geloof, wist Van den Bergh. Daarvoor moeten andere dingen wijken. Voor hem was het gebed geen reservewiel maar stuurwiel. We moeten eerlijk toegeven dat dit aspect van het gebed in ons gereformeerde verleden al te zeer verwaarloosd is. Waarom geen citaat van Helmut Thielicke:
''Bidden is zoiets als je dagelijks brood. Bidden maakt dat je afstand kunt nemen van je dagelijkse beslommeringen. Dat is moeilijk. Ik geef mij aan mijn werk over; ik identificeer mij met wat mij erg bezig houdt: politiek, kerk, beroep, gezin... Ik maak mij van bepaalde mensen van wie ik houd zo afhankelijk, dat ik de zin van mijn leven met hen laat samenvallen. Zo verdwijnt de distantie, die nodig is om te onderscheiden waar het in het leven op aankomt; wat werkelijk belangrijk en onbelangrijk is. Het gebed oefent je in het nemen van de nodige distantie. Als je het leven vergelijkt met een groot rad, dan vraagje om welke as dat rad draait - alles draait immers om de as. Als de as breekt, is de rest nergens meer. De as is zogezegd het hart van het rad. En er is maar één as. Wanneer het vertrouwen in God, in zijn liefde, zijn zorg, het centrum, de as, het middelpunt van mijn leven is, dan kan het niet anders, of al het andere groepeert zich daaromheen. Daarmee is al het andere - huilen, lachen, trouwen, bezitten, succes, schipbreuk, verdriet... niet waardeloos geworden, maar het wordt wel op z'n plaats gezet. Alles draait immers om de as. Wanneer die as mijn vertrouwen op God weergeeft, kan ik de juiste afstand nemen tot alles wat daarom draait. Wat dus niet tot de as zélf hoort. Dan kan ik het leven wel aan. Het gebed is er dan om mij steeds dit te laten ontdekken: De as en wat daaromheen draait. De dialoog met God doet mij inzien wat 'belangrijk' (as) en wat 'niet-wezenlijk-belangrijk' (wat eromheen draait) is. Het belangrijke is niet dat God alles van je weet; het belangrijke is dat God alles van jóu wil weten" (Geloven, wat stelt dat eigenlijk voor? Blz. 119, 120).
Her en der leest men in kerkbladen dat kerkeraden en predikanten gemeentevernieuwing op hun werklijstje hebben staan. Dat is verschrikkelijk hard nodig. Daaraan zullen we ons moeten geven of de dood ons op de hielen zit. Maar die gemeentevernieuwing zal geen voet aan de grond krijgen als het persoonlijke gebed - eventueel met gebruikmaking van de retraite - in ons leven niet terugkeert. Het vasten is uit ons leven al helemaal verdwenen. Laat het met ons gebed niet dezelfde kant uitgaan!'
***
Straat en binnenkamer
Van een andere kant komend komt dezelfde zaak aan de orde in een bijdrage van ds. T. Poot in het blad Woord en Dienst van 11 juni 1983. Ook Poot wijst op de crisis inzake de omgang met God in veler leven.
'Op de vraag: hoe beleeft u uw contact met God, antwoordde meer dan de helft van de ondervraagden: in mijn relatie met medemensen. Dat was bij een onderzoek naar ''de stand van het geestelijke en kerkelijke leven'' in een (kerkelijke) gemeente, ergens in Nederland. Slechts een klein percentage verklaarde rechtstreeks contact met God te oefenen. Een niet onaanzienlijke tussengroep had de vraag zelfs helemaal onbeantwoord gelaten. Geen verrassende uitslag voor ieder die het veld, waarop het onderzoekje verricht werd, een klein beetje kent. De binnenkamer is bij menig christen stoffig en klam geworden, net als een lang ongebruikte bijbel; spinrag hecht zich aan de deurklink. Natuurlijk, velen houden nog steeds gebedsritueel in stand. Samen met anderen in de eredienst en het gezin; misschien ook nog wel persoonlijk op de gebruikelijke tijden en wijzen. Maar of er dan ook echt gebeden wordt? of er dan ook ervaring is van ontmoeting en contact met God?
Bovenstaand plaatje is niet volledig. Er zijn binnen kerk en christendom groepen waar een nieuwe opbloei van meditatie en gebed te bespeuren valt. De christelijke boekhandel weet er van mee te praten. Over door oosterse religies beïnvloede stromingen zwijg ik nu maar in dit verband. Toch lijkt de conclusie niet te gewaagd dat voor menig hedendaags christen de binnenkamer in hoge mate problematisch aan 't worden is en derhalve nauwelijks of niet meer betreden wordt.
Op straat daarentegen is het druk geworden. Heel wat christenen, vroeger moeilijk in de benen te krijgen voor welke activiteit dan ook, zijn nu demonstrarie-vriendelijk en snel bereid tot publieke actie voor een aansprekend doel. Allerlei samenlevingsonheil en - onrecht drijft hen protesterend de straat op met spandoek en yell. Minder luidruchtige vormen van publieke protestacties zijn zelfs in zeer orthodoxe hoek bekend en aanvaard geworden: handtekeningenacties, advertenties in dag-en weekbladen, adhaesiebetuigingen bij verontruste brieven en adressen aan kerkelijke en wereldlijke instanties.
Is het te ver gezocht om enig verband te zien tussen de stilte in de binnenkamer en de drukte op straat? Toen in mijn jongensjaren een heftige discussie losbarstte over de vraag of een christen wel mocht dansen (o tempora o mores!) verklaarde een dominee dat dansen bidden met je benen is. Soms krijg je het gevoel dat de demonstratieve optocht de hedendaagse gestalte van bidden met je benen is. Als het die achtergrond dan nog maar heeft! Als het maar is: uit de binnenkamer de straat op omdat je, opstaande van je gebed, nu ook de weg van je gebed moet gaan. Maar ik ben bang dat ''de straat op'' een vlucht is voor de stilte van de binnenkamer. Mensen willen wat met hun geloof, maar ze hebben er geen weet meer van wat er in de binnenkamer te doen en te ervaren valt in ontmoeting met de Levende. Ze hebben er geen kennis, maar vooral geen vertrouwen (meer) in. Ze gaan de straat op uit gebedsverlegenheid.
De kerk belijdt dat ''het gebed het voornaamste stuk der dankbaarheid is welke God van ons vordert" (Heid. Cat. zohdag 45). Iets minder plechtig: bidden is hart en ziel van het Christen-zijn. En van de Knecht des Heeren wordt getuigd: Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen (Jesaja 42 : 2; Mattheus 12 : 19). Er is met de " mensen van de weg'' echt iets grondig mis als het pad naar de binnenkamer met gras begroeid raakt en de straatstenen onder onze voeten uitslijten. Als we dan al onze stem op de straat moeten laten horen, dan alleen nadat en omdat we onze stem bij God hebben laten horen. Anders zijn we in de meest letterlijke zin van het woord wereldgelijkvormig geworden.'
Een analyse die tot nadenken prikkelt. Ik ben niettemin Poot dankbaar dat hij er wel op wijst dat ook een wettige weg loopt van de binnenkamer naar de straat. Wij wijzen de vluchtweg af, maar hebben wel de marsroute te gaan (met excuus voor de wat strijdbare beeldspraak). Anders gezegd: Bidden naar de wil des Heeren voert niet tot lijdelijkheid, maar zet juist aan tot gelovig handelen. Klassiek voorbeeld is Maarten Luther die juist omdat hij veel te doen had, tijd nam voor het gebed in de binnenkamer. En het is oercalvinistisch om oog te hebben voor wat Noordmans noemde 'de liturgie op straat', het dienen van God in het gewone leven. Als de verbinding maar blijft met het gebed en de lofzang. Want zonder dat krijgen acties ook iets krampachtigs, drammerigs en geforceerds. Is dat misschien de oorzaak dat velen, moegepreekt door wettische actievoerders in een diepe geloofscrisis raken? En zouden we daarom niet terug moeten naar het bijbels ABC?
***
Omgang met de Bijbel
Als het gebed in de crisis raakt, is er ook wat mis met de omgang met de Schrift. Hoe gaan we om met de Bijbel? In Opbouw van 17 juni gaat ds. O. Mooiweer op de vraag naar het persoonlijk Bijbelgebruik in:
'Hoe is onze instelling tegenover de Heilige Schrift? Dat is de eerste vraag, die dient gesteld te worden. We moeten goed in de gaten houden, dat de Bijbel een boek van geheel eigen aard is. Daarom moet men hem niet beschouwen als een soort studieboek waarvan men de stof onder de knie moet zien te krijgen, terwijl daarvoor uiteraard een bepaald intellektueel niveau vereist is.
Het Woord van God krijgt niemand onder de knie. Wie zich zo opstelt gaat boven de Bijbel staan en lijdt aan verschrikkelijke hoogmoed. Nee, wij moeten in ootmoed leren luisteren naar de bijbelse boodschap en aan God vragen in het gebed of Hij onze ogen wil openen, opdat wij de wonderen van zijn goddelijk onderwijs mogen ontdekken. Dan zullen we het niet kunnen laten een loflied op de Bijbel te zingen. Een tweede voorwaarde is, dat we er de tijd voor moeten nemen. In dat verband heeft ds. C. A. van Harten, emeritus Hervormd predikant, eens het volgende geschreven: "Er was eens in een gemeente een boer, die de gewoonte had om na de hooibouw met zijn knechten een dagje uit te gaan, het ene jaar hierheen, en het andere jaar weer ergens anders naar toe. Op een keer kwamen ze op het idee om eens naar het Rijksmuseum te gaan. Daar hadden ze in de krant iets over gelezen. Dat moest buitengewoon interessant zijn. Zij erheen. Een toegangsbewijs gekocht. En toen al dat moois bewonderen. Ze gingen met grote stappen van de ene zaal naar de andere, want ze wilden alles zien. Ze werden doodmoe. Toen ze tegen melktijd thuiskwamen, waren ze het er allen over eens: Dat doen we nooit meer. Je kunt beter een week lang onder de hooivork lopen dan één dag door het museum sjouwen. Zoals deze boer met zijn knechten door het museum draafde, zó draven heel veel brave christenmensen door de Bijbel heen. Met hetzelfde resultaat. Ze worden doodmoe. En ze zien niets, dat de moeite waard is. Voor hen is de Bijbel a.h.w. één lange gang die smal is met aan weerszijden kaal geschopte deuren. Elk jaar hollen ze weer door die gangen heen en ze zien nooit iets anders dan diezelfde deuren, die almaar kaler worden vanwege de vele voeten, die er langs gaan en er tegenaan schoppen. Als ze er nu de tijd eens voor namen om bij zo'n deur stil te staan! En aan te kloppen! En dan geduldig te wachten tot die deur opengaat! Dan zouden ze ontdekken, dat er achter die verveloze deuren prachtige zalen liggen met grote ramen en een schitterend uitzicht. Als we zó de Bijbel lezen en op alle deuren kloppen, zullen we de ene verrassing na de andere beleven. En achter de deuren, die het moeilijkst opengaan, liggen soms de rijkste schatten verborgen''.
Het was een lang citaat, maar we wilden het u niet onthouden. Want het geeft nauwkeurig aan en brengt precies in beeld hoe wij vaak met de Bijbel omgaan, de goede uitzonderingen niet te na gesproken.
Maar wie zich serieus met Bijbelonderzoek bezighoudt zal ervaren hoe het hem in zijn geloofsleven enorm verrijkt. Hij is te vergelijken met iemand, die aan een vruchtdragende appelboom schudt en bemerkt, dat er altijd wel een paar appels naar beneden komen (het beeld is van Luther).'
Mooiweer wijst voorts op de betekenis van de prediking als uitleg en vertolking van de Schrift opdat we onderwezen worden in de weg van het verbond. Binnenkamer, eredienst en het gewone leven, het een heeft alles met het ander te maken. Vanuit de omgang met God, de kennis van Christus en Zijn heil, het leven door de Geest gaan vensters open naar het leven van alle dag en mogen wij in Gods wereld uitgaan om Zijn werken te vertellen.
***
Blinde liefde
Het opschrift is van prof. dr. A.S. v. d. Woude boven zijn bijdrage in Evangelisch Commentaar van 17 juni. Van der Woude signaleert een blinde liefde bij vele christenen voor alles wat Joods is, vooral wanneer men spreekt over dé joodse uitleg van het Oude Testament. Her en der worden z.i. joodse uitspraken aangehaald die klakkeloos als verklaring van de Schrift geduid worden. Van der Woude verzet zich daar scherp tegen:
'Het wordt hoog tijd een spaak tussen het wiel te steken: een "historische" spaak bij wijze van protest tegen een ahistorische bijbeluitleg, die de geschiedenis achter zich laat, de deuren openzet voor een ideologische invulling van de bijbelse gegevens en niet zelden het paulinische getuigenis aangaande Jezus Christus verwaarloost. Ik aarzel niet te onderstrepen dat het reformatorisch erfgoed essentieel in gevaar is, als de hervormde predikant dr. H. Jansen in het voorwoord van Max Arabs Mensenkinderen, de tien geboden schrijft: "Ook voor Hém (Jezus van Nazareth) bleef de Torah van Israël de énige hoop voor de toekomst van de wereld''. Als dat ook maar voor de helft waar is, is Paulus inderdaad de grote kwaaddoener, die alles tot op de grond bedorven heeft. Dan kan ik ook begrijpen waarom David Plusser en Geza Vermes door sommigen als dé gekwalificeerde uitleggers van het Nieuwe Testament worden binnengehaald. De beste remedie tegen dit alles zou waarschijnlijk zijn dat men eens serieus kennis nam van de geschiedenis van de joodse bijbeluitleg en van de ingrijpende wijzigingen die zich in het jodendom sedert de tijd van Oud-Israël voltrokken hebben. Wat als joodse uitleg aan argeloze gemeenteleden wordt voorgeschoteld, is globaal gesproken moderne liberaal-joodse omgang met het Oude Testament. Die is van huis uit ahistorisch ("in de Thora is er geen vóór en na") en activistisch (van de onderhouding van de Thora is de historische ontwikkeling en het heil van de schepping afhankelijk). Christenen die primair geïnteresseerd zijn in politieke vraagstukken, kunnen bij deze vorm van jodendom aansluiting vinden, te meer omdat deze joden door de westeuropese cultuur zijn heengegaan en die bepalingen van de Thora achter zich gelaten hebben, die hun functioneren in een moderne westerse samenleving belemmeren. Als dr. Jansen in het eerder genoemde boek dan ook uiteenzet dat er zonder Thora geen hoop voor de wereld is, bedoelt hij in feite niet de bepalingen van de vijf boeken van Mozes (die zouden onder andere besnijdenis, ceremoniële wetten, spijswetten etc. inhouden), maar "gerechtigheid, goedertierenheid en barmhartigheid, in aardse, in materiële verhoudingen" (aangehaald werk, p.9). Het gevaar is niet denkbeeldig dat daarmee het accent voorgoed verlegd wordt van de oerchristelijk-paulinische en door de reformatie opnieuw beklemtoonde rechtvaardiging door het geloof alleen naar een neo-modernistische werkheiligheid. Daarom is naar mijn mening de theologische vrijage van christenen met het jodendom een teken aan de wand, dat door nog te weinigen wordt opgemerkt als signaal van een wezenlijke bedreiging van de essentie van de christelijke boodschap. Een verwaterd christendom koestert zich aan een verwaterd jodendom. Om alle misverstand te voorkomen: "gerechtigheid, goedertierenheid en barmhartigheid in aardse, in materiële verhoudingen" is een groot goed, enge contacten met modernistisch denkende joden kunnen verrijkend zijn en anti-semitisme is een verwerpelijke zaak. Maar dat alles is iets anders dan de voorstelling te wekken dat (modern) jodendom en christendom niet principieel van elkaar zouden verschillen.
Men kan de zaak ook van een andere kant belichten, namelijk door zich af te vragen waar de legitieme voortzetting van het Oude Testament te vinden is: in het Nieuwe Testament of in de rabbijnse literatuur (mischna en talmoed). De verschillen tussen beide zijn te groot en te ingrijpend dan dat men zou kunnen antwoorden: in beide. De soms gehoorde these van een "dubbele heilsweg" is daarom historisch-theologisch onbegaanbaar. Aan een keuze valt niet te ontkomen. Van tweeën een: men is het eens met de opvatting dat Jezus de Torah van Israël als ''de énige hoop voor de toekomst der mensheid" beschouwde, overeenkomstig de overtuiging van het rabbijnse jodendom, óf men wijst met Paulus de Wet als heilsweg af. Historisch gezien kan niet eenvoudig een antwoord gegeven worden op de vraag waar wij de legitieme voortzetting van het Oude Testament vinden. Geschiedenis vraagt om interpretatie en de laatste draagt onvermijdelijk een persoonlijk element. Maar de geschiedenis, in dit geval de geschiedenis van het jodendom tussen Oude en Nieuwe Testament, kan wel bepaalde aanwijzigingen geven. Helaas richten degenen die een 'joodse' verklaring van de bijbel voorstaan, zich niet of nauwelijks op een bestudering van de intertestamentaire periode.'
Van der Woude wijst er dan op dat juist studie van het Jodendom in de eerste eeuwen voor onze jaartelling en de eerste eeuw na Chr. ons kan leren dat er ingrijpende verschuivingen zijn opgetreden vergeleken met het Oude Testament. Het Nieuwe Testament sluit volgens Van der Woude nauwer aan bij het Oude Testament dan bij het rabbijnse Jodendom. Dat alles heeft natuurlijk consequenties voor het gesprek met Israël. Het luistert hier nauw. Wie zoals Van der Woude bezwaar maakt tegen dit zoals ik het nu maar noem 'modern Judaïsme' loopt gevaar verdacht te worden van anti-Semitische smetten. Dat is natuurlijk geen faire benadering. Maar het illustreert de vaak felle en emotioneel gevoerde discussie. Toch is helderheid geboden, terwille van prediking en kerk. De 'hartekreet' van Van der Woude is me uit het hart gegrepen. Moge zij gehoor en navolging vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's