Erfgoed der vaderen
'Wat ge van uw vaderen hebt geërfd, verwerf het om het te bezitten'.
Het is een bekend gezegde dat 'genade geen erfgoed is'. Het blijkt de realiteit te zijn in het leven van veel mensen vandaag. Kinderen van godvrezende ouders, uit meelevende gezinnen haken soms af, gaan andere wegen, worden soms geheel buiten kerkelijk. Het kan een grote aanvechting zijn voor ouders als ze hun kinderen zien wegdolen. Hebben we het ze toch niet goed voorgehouden? Hebben we toch gefaald in de opvoeding? Het laatste zal uiteraard ook voorkomen. Maar niet zelden spelen toch heel andere factoren mee. Jongeren gaan studeren, ontmoeten de wereld van wetenschap en cultuur en kunnen niet meer mee met wat ze van thuis meekregen. We moeten daarom ook nog een keer zeggen, dat niets in het Koninkrijk Gods erfelijk is. Erfelijk is alleen de zonde. Die krijgen we geslacht op geslacht mee. Maar genade blijft genade, is niet menselijk overdraagbaar.
In een vraaggesprek in Koers met de heer J. Kwantes, evangelist van de Gereformeerde Gemeenten in Alkmaar, trof me hoe in het evangelisatiewerk soms ook de sterkste weerstanden ontmoet worden bij mensen, die van huis uit kerkelijk, orthodox-kerkelijk zijn. Heeft men eenmaal afgehaakt dan kunnen de weerstanden extra groot zijn.
Ook kerkelijk
Ook wat het kerkelijk leven betreft is niets zomaar erfelijk. Ook kerkelijk is genade nodig om in de rechte sporen te blijven, om te blijven bij het erfgoed der vaderen. Want dat erfgoed overgeleverd krijgen is nog wat anders dan het ook werkelijk bezitten. Er is een uitdrukking die zegt: 'wat ge van uw vaderen hebt geërfd, verwerf het om het te bezitten'. Ik was eens ergens in een universiteit in het buitenland van Nederlandse origine. Men zei dat op een zolder een grote partij Nederlandse 'oude schrijvers' , geschriften van de Nadere Reformatie dus, lag maar dat men er niets mee deed. Het was wel overgeërfd maar geen geestelijk bezit gebleven, terwijl men er dunkt me best profijt van zou kunnen hebben als het gaat om b.v. de bevindelijke noties in de prediking, die toch wel vaak verdwenen waren.
Kerken kunnen intussen ook respectabele archieven hebben met documenten uit het verleden, terwijl de erfenis, die er in ligt, geestelijk voor een deel al verspeeld is. Is het zo in de twee grote protestantse kerken niet het geval met betrekking tot de belijdenis? Hoewel niet te generaliseren valt is het buiten kijf, dat ondanks het feit dat de belijdenissen als document zijn bewaard en zelfs als accoord van belijden worden genoemd, er toch grote delen van de kerken zijn, waar de belijdenis niets meer zegt? Waar de belijdenis, vanuit de Schrift, niet meer bepalend is voor de grondstructuur van de prediking? Ds. G. Boer schreef in het boekje 'De Gereformeerde Gezindte nu en in de toekomst': 'Alles wat in de belijdenis voorhanden is en wat niet of nóg niet of niet méér in de prediking van nu wordt verkondigd als de schat van het Evangelie, dat wordt kerkelijk bezien slapend bezit. Wanneer zich dat uitbreidt wordt het vergeten bezit. Daarbij blijft het niet, want slapend en vergeten bezit wordt bestreden bezit en straks geëlimineerd bezit'.
De belijdenis zal echter levend bezit moeten zijn en als zodanig ook door elke generatie opnieuw verworven moeten worden. De bekende these 'reformata semper reformanda', gereformeerd zijn is telkens weer gereformeerd wórden, zal ook hierin waar moeten zijn, dat we telkens teruggaan naar de bronnen, om ons zo eigen te maken met wat in het verleden voorhanden is aan schatten die uit het Woord zijn opgediept.
Twee zijden
Als het gaat om het verwerven en doorgeven van de erfenis uit het verleden doet zich intussen altijd een moeilijkheid voor. Namelijk dat de tijd niet stil gestaan heeft. Dat verandert uiteraard niets aan de grondstructuren van geloof en belijden. Het verandert ook niets aan het wezenlijke van het mens-zijn en daardoor ook niet aan wat voor de mens nodig is om getroost te leven en zalig te sterven. Maar het verandert wél iets aan de ervaringswereld van de mens, de vragen waarvoor hij staat, de hele wijze waarop hij het leven beleeft. En bovendien, taal is levend, altijd in ontwikkeling. Zodat het brengen van de boodschap nu op zich al in een ander taalveld plaats vindt dan in de eeuwen voor ons, zelfs dan bijvoorbeeld in de vooroorlogse jaren. Dat leer de praktijk in alle kerken. Ook kerkelijke taal is levend.
Maar de kerk en daarin ook de prediking staan ook voor andere vragen en uitdagingen dan inhet verleden het geval was. Dat geeft op zich toch een noodzakelijke wijziging in woordgebruik, vormgeving, keuze van thema's soms. De kerk is geroepen ook vandaag de boodschap zo dicht mogelijk bij de mensen te brengen en ook om in te gaan op vragen, waar de vaderen nog niet van wisten.
'Ieder moet in eigen tijd de Raad Gods dienen' , stond vorige week te lezen in het vraaggesprek met ds. J. H. Cirkel. Dat betekent altijd weer bezig zijn naar twee kanten. In de eerste plaats: altijd weer terug naar de bronnen. In de tweede plaats: het oor te luisteren leggen bij de vragen van de tijd. We kunnen ons intussen enerzijds zo in beslag laten nemen door de vragen van de tijd, dat we de bronnen uit het oog verliezen. We kunnen anderzijds ook zo geïsoleerd bezig zijn met het verleden en wat toen door de kerk is opgediept uit het Woord, dat we het niet vruchtbaar maken voor de eigen tijd.
Ook het hervormd-gereformeerde verwerven
Soms wordt de klacht geuit - in alle kerken dunkt me - het is niet meer als vroeger. En wie zal ontkennen dat er soms een verbijsterend snel vervreemdingsproces van het erfgoed der vaderen kan plaats vinden. Geen enkele kerkelijke kring of kerk is voor dat gevaar te goed. Ik denk, dat we daarom ook waakzaam moeten zijn, ook in eigen hervormd-gereformeerde kring. Het bezig zijn met datgene, waarmee het hervormd-gereformeerde voorgeslacht zich bezig hield, blijft ook vandaag nodig, het kan immers ook verspeeld worden. Wie zich met het verleden van de hervormdgereformeerde beweging bezig houdt zal enerzijds relativeren ten opzichte van de situatie nu. Altijd waren er vleugels. Altijd waren er accents verschillen, hier wat meer de nadruk op het onderwerpelijke, daar wat meer op het voorwerpelijke. Altijd zijn er verschillen geweest inzake (de verhouding van) verbond en verkiezing. Maar we zullen vandaag kunnen leren van het gereformeerde én het hervormde, het hervormde én het gereformeerde van markante 'voormannen', die overigens hun eigen onderlinge verscheidenheid hadden. Altijd maar weer hebben ze gehamerd op de confessie als het onopgeefbare voor een werkelijk belijdende kerk. Zouden we er als hervormd-gereformeerden te goed voor zijn om pit en merg te verliezen in een proces van vervaging ten opzichte van wat als levend bezit in de belijdenis voorhanden is? Hetzij door vervloeiing naar het midden van de kerk, hetzij door grensvervaging naar evangelische groepen, die van de belijdenis niet weten willen (en óf dat consequenties heeft voor de structuur van gemeentelijk leven en voor de structuur van het geloofsleven!).
En wat het hervormde betreft, het voorgeslacht heeft gestaan voor de versmade en verguisde hervormde kerk, toen anderen heen waren gegaan of heengingen. Zouden we er te goed voor zijn om in deze tijd, met zijn nog weer toenemende problemen en de immense vragen, die nu op ons af komen, en de toenemende polarisatie in de kerk(en), méér en méér in de separatie terecht komen? Staan we echt midden in de kerk en de kerkelijke verbanden, 'deernis hebbend om haar gruis', zoals ds. Cirkel het opmerkte?
En wat het bevindelijke element in de prediking betreft. Zouden we er te goed voor zijn, om zoals we de verschraling in andere kerken zien, een dergelijke verschraling ook zelf te krijgen als het gaat om de vertaling van de bijbelwoorden naar het hart van de mensen, het zicht op het werk van de Heilige Geest, die mensen wederbaart en vernieuwt en godsvrucht schept, die uitkomt in woord en wandel, in getuigenis en levensheiliging? Hoe gemakkelijk kan ook hierin de verschraling of de verstarring toeslaan!
Wat ge van uw vaderen hebt geërfd, verwerf het om het te bezitten! Ik denk dat de jonge generatie - of het nu om predikanten gaat of om leden van de gemeente, die geroepen (kunnen) worden om mee leiding te geven aan de gemeente - het aan de kerk verplicht is om grondig kennis te nemen van wat het voorgeslacht verworven heeft onder de genade des Heeren. Om zo ook zelf gefundeerd in de Kerk te staan in de lijn van het voorgeslacht. Want ook kerkelijke genade is geen erfgoed. En onkunde is altijd nog één van de beste wapenen, die de boze hanteert om kerk en gemeente uit te hollen.
Het leven is in ontwikkeling. Als de grondpatronen maar blijven. Dat is wat de gereformeerde sector in de Hervormde Kerk betreft: nadruk op Schrift én belijdenis, zicht op de Hervormde Kerk vanwege het verbond, het voorwerpelijk onderwerpelijke in de prediking (het voorwerpelijke voorop, en daaruit opkomend het onderwerpelijke), en een godvruchtige levenswandel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's