De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Heilige Schrift-natuur-cultuur (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heilige Schrift-natuur-cultuur (2)

8 minuten leestijd

Het Woord van God is ingegaan in de tijden en in de culturen van de mensen. Vandaar ook verschillen tussen de moraal in het O.T. en in het N.T.

Kritici van Rothuizen

U zult verstaan dat de visie van Rothuizen niet onweersproken is gebleven. Ik volsta met een tweetal van zijn kritici hier te noemen: drs. S. Meijers en drs. A. Noordegraaf. Volgens Meijers laat Rothuizen de norm in de bijbel en in het christenleven een bepaalde 'behandeling' ondergaan. De historische continuïteit in de norm en in het verstaan van die norm en zo ook in het leven uit die norm, wordt naar de achtergrond gedrongen. Het is waar dat we in de Bijbel de norm altijd tegenkomen in verbondenheid met cultuur en leefsituatie van mensen. De bijbel is geen tijdloos boek. De Heilige Schrift is niet op één keer als een meteoriet uit de hemel komen vallen. Het Woord van God is ingegaan in de tijden en in de culturen van de mensen. Vandaar ook verschillen tussen de moraal in het O.T. en in het N.T. Dat alles wil Meijers - terecht - onderstreept zien. Maar dan stelt hij juist vanuit dit inzicht tegenover Rothuizen: 'Het gelijkblijvende in de wet en daarom in de zede wordt niet in de schijnwerper gezet. De doorlopende lijnen die de tien geboden, de wetgeving uit het hele oude testament verbinden met de bergrede en de apostolische vermaningen in de brieven (Paulus heeft immers niet anders gewild dan de bergrede verder dragen!) vallen in de schaduw en komen niet uit de verf. Het schriftgegeven wordt te zeer ''vereinzelt", op zichzelf gesteld. Het gevolg, beter de keerzijde van de leeshouding is dat de geschiedenis, de maatschappelijke en culturele contekst van het schriftgegeven zoveel inspraak ontvangen in wat er in de Schrift staat, dat ze haast als openbaring gelden... Vergaande inspraak van de culturele contekst van het schriftgegeven heeft zijn pendant in vergaande inspraak van onze culturele contekst in de ethiek... deze inspraak van de situatie is bevochten op kosten van een geweldige versmalling van het wegennet van 'de geboden waarop de Schrift ons leiden wil.' De kritiek van Meijers is dus bepaald niet mals. Kort samengevat komt het hierop neer: Rothuizen maakt zich schuldig aan een niet geringe versmalling van het schriftgezag door de vergaande inspraak van de culturele situatie.

Noordegraaf (in Theologia Reformata, 24-3, september 1981, 215-230) gaat met zijn kritiek in dezelfde richting. In het algemeen stelt hij de vraag of het niet één van de negatieve gevolgen van het secularisatieproces is dat een veranderde visie op de Schrift gemeengoed is geworden waarbij de normativiteit van het bijbels spreken inzake ethische vragen op gespannen voet komt te staan met een zeer kritische benadering, die de Schriftuitspraken ten dele of nagenoeg geheel tijdgebonden verklaart en hooguit nog wil handhaven als model. De norm waaraan we veranderingen in de moraal toetsen, mag toch niet liggen in de eigentijdse ontwikkeling. De veranderingen zullen we 'altijd weer hebben te toetsen aan de Schrift, zoals we ook onze tradities altijd weer kritisch moeten laten doorlichten door het levende en aktuele getuigenis van Gods Woord. Dat bewaart voor verstarring, maar behoedt ook voor verwarring, waarbij wat wezenlijk gereformeerd is, wordt opgelost in de dynamiek der ontwikkeling? ' Rothuizen zou weleens te gemakkelijk tot tijdbepaalde zede kunnen maken, wat in feite direct te maken heeft met de norm van Gods gebed! In elke tijd zal de christelijke gemeente moeten zoeken naar de toepassing van de geboden Gods, naar de vormgeving van haar gehoorzaamheid aan Gods geboden. Die geboden zijn 'richtingaanwijzers en weg-afbakeningen op de weg die wij hebben te gaan. Zeden kunnen veranderen. Tijd, plaats, cultuur, traditie spelen daarin hun woordje mee. Maar Gods geboden blijven gelden voor altijd.' Daarom kunnen er ook nu vanuit de Heilige Schrift lijnen getrokken worden naar aktuele vraagstukken als samenwomen, voor-echtelijk geslachtsverkeer, huwen en scheiden, de vragen van de medische ethiek, zondagsviering, feest en ontspanning, arbeid en vrijetijdsbesteding. En anderzijds dienen we gelet op de doorgaande secularisatie behoedzaam te zijn om niet al te argeloos aan te sluiten bij de algemene moraal. De hoogleraren Douma en Velema hebben terecht in tal van publicaties gewaarschuwd tegen de herleving van de natuurlijke ethiek, waarin men de Schrift niet meer nodig meent te hebben voor de moraal. De openbaring zou geen 'bijzondere normen bieden voor een christelijke levensstijl. Zover gaat Rothuizen niet al gaat hij een eind in die richting. Kuitert is wel zover gekomen, getuige zijn provocerende uitspraak: 'De Bijbel is er niet voor de moraal, maar voor het verhaal' en getuige zijn publicaties waarin hij zijn ethische positiekeuze op louter rationele, algemeen inzichtelijke argumentatie baseert. Noordegraaf stelt hier tegenover terecht een aanduiding van wat wezenlijk gereformeerd is nl. 'om zich in alles te stellen onder de heilzame tucht van Gods geboden en beloften, en te buigen voor het gezag van de Schrift'. En eerst zó gaan we ook werkelijk in het spoor van de vaderen van de Reformatie.

Samenvattend

Voordat ik nu overga tot enkele concrete voorbeelden waarin de verschillende wijze van omgang met de Schrift in ethische kwesties duidelijk tot uiting komt, geef ik een korte samenvatting van het tweeërlei standpunt dat onze aandacht vroeg. Enerzijds Rothuizen - en hij staat natuurlijk niet alleen, is zelfs bepaald nog niet de meest radicale in zijn soort, maar hij kan toch heel goed als voorbeeld dienen van een wijze van benaderen die in de huidige theologie wijd verbreid is. In de Schriftuur vindt hij een verwijzing naar en ordening aan natuur en cultuur. Cultureel bepaalde elementen geven de bijbeltekst het karakter van een zekere tijdgebondenheid. Tegelijkertijd mogen we ook in wat 'de natuur' ofwel de cultuur ons vandaag leert, een vrijbrief vinden om hier en daar van bijbelse patronen en voorschriften af te wijken. Noordegraaf en Meijers hebben hiertegenover gewezen op de doorlopende lijnen die in de Schrift het O.T. en het N.T. verbinden - en zo ook verschillende culturen verbinden en overstijgen. De altijd geldig blijvende geboden van God vragen allereerst om gehoorzame onderwerping en vervolgens om doorvertaling, om in afhankelijkheid van de Heilige Geest geschiedende de vertolking voor onze tijd en situatie. De wisselende applicatie van de geboden betekent niet dat deze zelf uitgerangeerd kunnen worden.

Het is heel wel denkbaar dat u dit verhaal tot nog toe rijkelijk theoretisch hebt gevonden. Misschien dat het scherpe onderscheid tussen de beide geschetste posities u toch nog niet helder voor ogen staat. Daarom wil ik nu komen tot enkele concrete toespitsingen. Aan een viertal voorbeelden laat ik u zien waar en waarom de wegen uiteengaan in het moreel beraad in kerk en theologie. De voorbeelden zouden te vinden zijn op het gehele weidse veld van de ethiek. Laten we ons echter in dit bestek tot een viertal onderling samenhangende punten beperken, namelijk de man-vrouw verhouding, de toelating van de vrouw tot de ambten in de kerk, de beoordeling van niet-huwelijkse relaties en de homosexualiteit.

Man-vrouw verhouding

Beginnen we bij de man-vrouw verhouding dan zijn we meteen bij ons uitgangspunt terug. Paulus' woord 'Leert u ook de natuur zelve niet' is immers te vinden in de pericoop 1 Kor. 11 : 2-16, waar de apostel tegenover toenmalige emancipatie-tendenzen de man-vrouw verhouding in bijbels licht plaatst. Dr. J. van Bruggen merkt in zijn boekje Emancipatie en Bijbel (Amsterdam 1975) op dat juist dit bijbelgedeelte geldt als duidelijk voorbeeld van de tijdgebondenheid van de bijbel. Moderne exegeten stellen dat de Bijbel in grote delen niet meer is dan een weerspiegeling van een achterhaalde mannelijke cultuurfase. Paulus zou erin 1 Kor. 11 blijk van geven dat hij zich niet heeft kunnen ontworstelen aan de beperktheid van zijn eigen rabbijnse en patriarchaal bepaalde opvoeding. Als Paulus spreekt over de man-vrouw verhouding, dan komt daar veel van Paulus in mee. Hij kan dan wel bepaalde blijvende waarden overleveren, maar dat gebeurt dan wel in een tijdgebonden verpakking. De hoofdlijn van Paulus' denken zou te vinden zijn in Galaten 3 : 26-29. Daar staat immers dat in Christus geen sprake is van mannelijk of vrouwelijk. De vrouw hoort er helemaal bij in de kerk, ze wordt niet monddood gemaakt of buitenspel gezet, ze doet dan ook volop mee in de praktijk van het kerkewerk en ontvangt niet minder dan de man charismata, genadegaven van de Heilige Geest. In 1 Kor. 11 echter gaat Paulus in op een heel bepaalde situatie. Mogelijk waren er vrouwen die meenden dat de voltooiing al aangebroken was, dat het eschaton gerealiseerd was, en daarmee ook het woord van Jezus in vervulling gegaan: 'in de opstanding huwen ze niet, maar ze zijn als engelen in de hemel'. De korintische vrouwen meenden op grond van een theologische dwaling dat het verschil tussen man en vrouw er niet meer was en daarom gingen ze blootshoofds profeteren en zich in alle opzichten net als de man gedragen. Daarom keerde Paulus zich in dié gemeente, vanwege déze samenhang tegen die vrouwen. Hij zou dan bepaalde rabbijnse gedachtengangen gehanteerd hebben en zijn argumentatie van alle kanten bij elkaar geharkt hebben om deze dames van hun ongelijk te overtuigen. Paulus zou erg veel moeite hebben gehad met dit betoog, omdat hij eigenlijk gedwongen was door de situatie om de ongelijkheid van mannen en vrouwen te onderstrepen, en daarmee tegen zichzelf in te gaan. Het ging hem er immers juist om de vrouwen de vrijheid en de ruimte te geven om hier beneden te leven en te strijden, wél verlost, nog niet op de nieuwe aarde. Wanneer hij in een gedateer­de situatie als 1 Kor. 11 tot bepaalde merkwaardige uitspraken komt, dan zijn dat geen tijdloze waarheden of algebraïsche formules, die we in 1983 zomaar weer zouden kunnen oppakken en hanteren.

Referaat voor de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 18 mei 1983 in 'De Schakel' te Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1983

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Heilige Schrift-natuur-cultuur (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1983

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's